De domesticatie van wilde dieren (10 a) het rendier bij de Tsjoektsjen

Rendierhoeders, rendieren en rendierslede in Rusland rond 1900

Rendierhoeders, rendieren en rendierslede in Rusland rond 1900

Wetenschappelijke naam:
– wild,
Rangifer tarandus met twee ondersoorten in Eurazië en een aantal andere in Amerika, Er zijn verschillende ondersoort waarvan de twee voornaamste in Eurazië het Rangifer tarandus tarandus (aangepast aan het woud, komt nog voor in Europa) en het  Rangifer tarandus fennicus zijn (aangepast aan de toendra, komt voor in Noord-Eurazië).
Rendieren worden niet opgedeeld aparte soorten naargelang ze als dan niet onder controle van de mens staan, wild of tam zijn. Tussen wilde en tamme dieren is voortdurend wederzijdse bevruchting behalve voor een groep in het zuiden van Noorwegen, in Hardangervidda, die volledig wild is gebleven.
Oorspronkelijke verspreiding:
Tijdens ijstijden leefden rendieren veel meer naar het zuiden, tot in Iberië en tot in het zuiden van de Verenigde Staten. Vandaag leven ze in het noorden van Eurazië en Noord-Amerika waaronder Groenland en verschillende arctische eilanden zoals de Ellesmere-ailanden ten noordwesten van Groenland.

Lengte en hoogte: de schouderhoogte bedraagt tussen 90 en 140 cm.

Gewicht: tussen 60 en 300 kg.

Kenmerken:  zowel mannelijke als vrouwelijke dieren hebben – als enige herten – een gewei. Rendieren leven in kuddes.              

Habitat: De toendra en de taiga (dit zijn de noordelijke wouden met voornamelijk naaldbomen maar ook loofbomen).

Aantal rendieren vandaag: Ongeveer 7 miljoen, waarvan 75% in Amerika en 3 miljoen onder beheer van de mens. aargelang Er leven vandaag ongeveer 100.000 mensen van de rendierteelt.

Producten: voornamelijk vlees, melk, huiden, pezen, geweien.

Eigenschappen: Tamme rendieren kunnen sledes trekken, sommige kunnen bereden worden.

Voedsel: gras en lichen (mos).

Leeftijd: 12 tot 15 jaar maar sommige dieren leven langer.

De Tsjoektsjen, rendierjagers in Oost-Siberië rond 1900

De analyses van archeologen over de oudste domesticatie van huisdieren (na de hond) in Zuidwest-Azië hebben als nadeel dat veel aspecten niet meer verifieerbaar zijn. Daarom kan een vergelijking met een recente situatie vruchtbaar zijn. Rendieren zijn ook vandaag nog half wild en half gedomesticeerd. De afgelopen tientallen jaren kwamen rendierhoeders meer en meer in contact met de moderne wereld waardoor hun manier van leven zich grondig wijzigde. Er is echter een uitgebreid document van Waldemar Bogoras, een Rus die Amerikaan werd en bij de Tsjoektsjen (in het Engels Chukchi), een Oost-Siberische stam, en bij de Siberische Eskimo’s  leefde. In zijn werk vergelijkt hij de situatie bij de Tsjoektsjen met die van naburige stammen als de Korjaken, de Toengoezen[1], … De Korjaken hadden dezelfde manier van leven als de Tsjoektsjen. Hun talen waren verwant, onderdeel van de Tsjoektsjo-Kamtsjadaalse talen (samen met de talen van de nauw verwante Kereken, Aljoetoren en Itelmenen), die zelf onderdeel zijn van de paleosiberische of Oost-Aziatische talen.

De vaststellingen van Bogoras[2] bij de Tsjoektsjen meer dan een eeuw geleden komen op veel punten overeen met deze die archeologen in Zuidwest-Azië  deden de afgelopen tientallen jaren. Zij bieden een concreet zicht op het leven van veehoeders die half-wilde, half–tamme kuddes hadden, niet aan landbouw deden en nog weinig of geen invloed hadden ondergaan van westerse landen.

Bevestiging van de resultaten in Zuidwest-Azië

Archeologen die sites onderzochten die een rol speelden in het ontstaan van veeteelt maakten analyses van de gevonden botten. In de oudste fase (de controle en het beheer van kuddes) hadden de botten nog geen morfologische veranderingen ondergaan. Toch kon men uit botten die morfologisch onveranderd waren gebleven veel afleiden. Een van de aanwijzingen dat mensen begonnen waren met het beheren van kuddes was dat de verhouding van jonge en mannelijke dieren niet overeen kwam met die van wilde kuddes. De mens controleerde in de oudste fase kuddes en slachtte er vroeger jonge mannelijke dieren. Bij schapen, geiten en varkens waren deze na een jaar bijna volwassen, bij runderen pas na twee jaar.

Bij de Tsjoektsjen werd de meerderheid van de jonge bokken in hun eerste levensjaar gedood. Het aantal bokken waarmee gekweekt werd bedroeg slechts 12% van een kudde. (+ info handboek Siberië)

Half wild

Rond 1900 werden rendieren gehouden door Saami in Noord-Europa en een resem volkeren in Azië tot aan de Beringstraat waar de Tsjoektsjen rendierherders waren. De manier van rendierhoeden bij Europese en Aziatische rendierhouders was volgens Bogoras gelijkaardig. De overgang tussen wilde en door de mens gecontroleerde kuddes kan er zeer lang geduurd hebben. Vandaag zijn rendierkuddes nog altijd niet onder even grote controle van de mens als als runderen, geiten en schapen dat zijn. Rendieren zijn nog half wild en slechts half tam.

Rendieren liepen bij de eerste gelegenheid weg, een kenmerk van hun half wild karakter. Alleen gelaten in de toendra werden ze snel helemaal wild en behoedzamer dan wilde rendieren voor de mens want ze kenden die.

Als Tsjoektsjen zich verplaatsten met een slede en ze voor een nacht in de open toendra stopten dan konden ze de rendieren niet los laten want zij zouden waarschijnlijk terug naar een kudde lopen, zelfs over een afstand van veertig of vijftig mijlen, of ze zouden hen ’s morgens niet kunnen vangen.

Differentiatie van rendieren werd gestimuleerd door de mens

Bij de verschillende volkeren kon men zien wat de gevolgen van differentiatie van de rendierkuddes als gevolgen had. “Er zijn verschillende rassen van gedomesticeerde rendieren. Het Tsjoektsjenrendier (…) is duidelijk verschillend van het Lamoet[3]rendier (…). Het is kleiner, zijn poten zijn kleiner, zijn lichaam zwaarder, zijn kop niet zo lang, het gewei dikker en zwaarder en het verschil tussen bok en hinde … “ en “Het Korjaakse rendier is nog kleiner en donkerder dan dat van de Tsoektsjen. Het lamoetrendier van de Zee van Ochotsk is groot en het donkerste van allemaal.” Bogoras schreef dat bij de Toengoezen “De rendieren minder gedomesticeerd zijn dan bij de westelijke stammen en hoewel tam genoeg om gemolken te worden en gebruikt voor regelmatige dienst met de post en in handelskaravanen” In de natuur komt uiteraard ook differentiatie voor tussen dieren. Rendieren die meer naar het noorden leefden waren bijvoorbeeld lichter gekleurd en sommige in het uiterste noorden van hun verspreidingsgebied hadden het jaar rond een lichtgekleurde vacht. De verschillen die Bogoras beschrijft bestonden tussen kuddes in hetzelfde gebied. Ze waren het gevolg van tussenkomsten van de mens.

Het rendier van de Tsjoektsjen was ongeschikt om te zadelen i.t.t. het Lamoetrendier maar het vlees ervan was lekker en het maakte gemakkelijker vet[4] aan. Op goede weidegronden accumuleerde Tsjoektsjendieren zoveel vet dat het hele lichaam er mee bedekt was. De vetlaag kon tot 5 cm dik zijn.

Normaal stierven honderden rendierkalveren sterven in de eerste weken na de geboorte in het voorjaar, ongeveer 15% van het totaal aantal kalveren. De invloed van de mens speelde ook een rol bij het kalven. Rendieren onder controle van de mens kalfden vroeger dan wilde. Dit kan een gevolg geweest zijn van de zorgen van de mens voor de rendieren. Rendieren konden om voedsel te vinden afgaan op hun instinct en ervaring. De mens wist waar het lang geleden was dat op gronden gegraasd werd, waar de begroeiing zich goed hersteld had. In Siberië was de begroeiing niet altijd hersteld na een jaar, er kon tot twintig jaar over gaan. De mens had veel ervaring omdat hij lang leefde en zeker omdat hij ervaring en informatie kon uitwisselen. Rendieren onder de hoede van de mens zouden beter kunnen gevoed geweest zijn, anders valt het vroegere kalven niet te verklaren. Dat wilde rendieren later kalfden was een aanpassing aan het Siberische klimaat, een voordelige aanpassing, niet omgekeerd, maar blijkbaar woog die niet op tegen de invloed van het beheer van kuddes door de mens.

bevordering van de groei van de kudde door de mens.

De mens koos in de periode van het kalven voor een open plaats beschut van de noordenwind met weinig sneeuw, anders hadden de hindes melk te kort. In grotere kuddes werden de zwangere hindes voor het kalven gescheiden van de bokken. Gebeurde dit niet dan zouden bokken in hun (storm)lopen die ze verschillende keren per dag doen kalveren kwetsen.  De twee kuddes worden in de late zomer weer bijeen gebracht.

Ingrijpen in de natuurlijke selectie, ziektes

Een andere aspect van de menselijke controle was het ingrijpen bij ziektes.

Het rendierenbestand werd geregeld uitgedund door ziektes. In 1901 hoorde Bogoras dat voor een groot deel van de kuddes gereduceerd werden door de mond- en klauwzeer.?  

Parasieten waren in de warmere maanden een permanente plaag. De rendieren werden door grote en kleine muggen en door twee soorten rendiervliegen lastig gevallen.

De eerste (Oestrus tarandi Nordenskiold, Tabaznus larandinus Slunin) vlieg legden eieren tussen de haren van de rendieren. Als ze uit het ei kwamen nestelden de maden zich in de huid en groeiden tot de grootte van een hazelnoot. Er kwamen gaten in de vacht van de rendieren die vet verloren en als zich dit extreem doorzette konden ze er aan sterven. De Tsjoektsjen hielpen de rendieren door de maden te plukken en met veel plezier op te eten.

De tweede vlieg (OEdemagena tavrandi, Slunin), legde haar eieren in de neusgaten van de rendieren. De larven kropen tot in de keel van een dier en penetreerden dan het kraakbeen. Het jaar nadien veroorzaakten ze hoest tot ze allemaal uitgehoest waren. De Joekagieren en de Toengoezen volgden het voorbeeld van de Jakoeten en probeerden hun rendieren te beschermen van schadelijke insecten door ze in te wrijven met uitwerpselen of door vuren aan te steken en er groen bladeren in te werpen. De rook moest insecten verjagen. Bij de wilde en grote kuddes van de Tsjoektsjen waren dergelijke vuren niet erg nuttig. Daarenboven ging het al eens fout met die vuren als het vuur zich verspreidde, de graasgronden afbrandden en de helft van een kudde verwondde.

Het zwellen van de hoeven was een andere, een van de meest voorkomende, ziekte. Het komt bijna elk jaar voor in kuddes die op droge gronden lopen. Grote abcessen barsten open tussen de  joints van de poten. Soms zwelden de poten tot ze de grootte van een kinderhoofd hadden. De ziekte was besmettelijk en in een slechte zomer kon een derde of de helft van een kudde sterven maar meestal was het verlies beperkt tot enkele dieren.[5]

Er was ook een besmettelijke huidziekte, een soort schurft, die de hele huid aantastte en als gevolg had dat alle haar uitviel. Als een kudde aangetast was werd ze meestal geslacht. Soms woedde de ziekte gedurende jaren, verdween en kwam met hernieuwde kracht terug. Het ?? schurft kon mensen en honden besmetten die de besmette huiden hadden aangeraakt en van het vlees hadden gegeten maar de gevolgen waren voor mens en hond niet zo fataal als bij rendieren.

De herders grepen soms in om de rendieren te beschermen tegen insecten en voedden hun dieren. De Joekagir van de midden-Omolonrivier hielden hun rendieren tijdens het insectenseizoen in stallen en voerden hun rendieren manueel  met wilgensscheuten en vis (!).  Rendieren konden muizen vangen in het mos en nestvogels. Ze aten ook rond huizen rondslingerende stukjes vis en vlees op.

Kruisen voor gewenste eigenschappen

Een andere manier waarop de mens ingreep was bij het selecteren welke dieren zich zouden voortplanten. De Tsjoektsjen wisten hoe ze de bokken moesten castreren.

Wilde rendierbokken kwamen naar de tamme kuddes en dekten er hindes. “Kruisen tussen tamme en wilde rendieren komt frequent voor, speciaal bij Tsjoektsjenkuddes, hoewel bij wilde rendieren de bronsttijd een paar weken later begon dan bij tamme.” De Tsjoektsjen vonden het dekken door wilde bokken een goede zaak. Ze volgende de nakomelingen die er uit voortkwamen gedurende drie of vier generaties. Zij werden gebruikt om sledes te trekken en voor wedstrijden. Het gebeurde ook dat een tamme bok kruiste met een wilde hinde. Als het jong dat er van voorkwam kon gevangen worden werd het hoger gewaardeerd dan gelijk welk ander rendier.

De werking van de mens leidde ook tot verandering bij de bronst. Bij een rendierhinde begon de eerste bronst als ze een jaar oud was maar bij sommigen begon ze er voor. Hoe beter de zomer des temeer bij half volgroeide hinden de bronst zou beginnen.

Er waren andere factoren waar de mens ingreep. De Tsjoektsjen geloofden bijvoorbeeld dat grote geweien een goed teken waren voor de gezondheid van hun dieren. Selectie op grote geweien was dan een gevolg. 

beheer van kuddes

Verzorging

Deze rendierhoeders konden een gebroken poot van een hertenkalf spalken of de gezwollen penis van een bok die te veel geaffecteerd was door de bronst open snijden en soms sneden ze met een mes een extra uitgang voor de urine.

Mensen hielden wilde dieren op afstand.

Beren en veelvraten (een grote marterachtige) doodden bij gelegenheid een rendier maar wolven waren gevaarlijkst. Waar er veel Tsjoektsjenkuddes waren werden ze gevolgd door wolven die er meestal van leefden.

Melken

Tsjoektsjen konden hun dieren niet melken omdat ze te wild waren, Saami konden dat wel. In het begin van de zomer kunnen de herders een hinde op de grond werpen en proberen aan haar uier te zuigen terwijl ze wanhopig stampt. Soms wordt de melk in een blaas gespuwd en naar huis gebracht als een bijzonder geschenk alhoewel er niet meer is dan een half glas vol. Als de herder zeer veel honger heeft kan hij eten van de uitwendige huid de zachte bast van de hoorns van een bok met grote hoorns. Het rendier werd zonder verzorging van de wonde los gelaten waarna het bloed soms gedurende uren verder druppelde?[6]
Dr. Marc Vermeersch marc.vermeersch@gmail.com

Tweede deel over het rendier:  (10 b) het rendier
Dit stuk is opgenomen in:

Marc Vermeersch. Deel II. Landbouwers en veetelers. Boek 3, het ontstaan van landbouw en veeteelt in Zuidwest-Azië en de verspreiding ervan naar Europa, West-Azië, Arabië en Afrika. (462 pagina’s). Woord vooraf door prof. Dr. Jean Bourgeois.

Andere blogs over de domesticatie van dieren:
algemeen: mensen en dieren voor de veeteelt, o.a. dieren gehouden door jagers en verzamelaars.
de hond (2)
de kat (3)
het paard (4)
de geit (5)
Dit artikel is onderdeel van de voorstudie van: Marc Vermeersch, De geschiedenis van de mens. Deel II,Landbouwers en veetelers. Boek 1, Het ontstaan en de verspreiding van lanbouw en veeteelt in Zuidwest-Azië. Verwachte datum= eind 2011. 

[1] Op de kaart grenzen de Evenen, een Toengoesisch volk aan het gebied van de Tsjoektsjen.

[2] Waldemar Bogoras was een Russische antropoloog die door zijn revolutionaire activiteiten in Rusland tussen 1889 en 1899 verbannen werd naar Noordoost-Siberië waar hij o.a. de Tsjoektsjen bestudeerde. Hij vertrok daarna naar de VSA. In 1901 kon hij deelnemen aan een deel van The Jesup North Pacific Expedition, een grootschalig antropologisch onderzoek dat tussen 1897 en 1902 een groot aantal aspecten van het leven van de oorspronkelijke bewoners van de westkust Verenigde Staten onderzocht maar haar onderzoek ook uitvoerde in aangrenzende gebieden van Canada, bij de Japanse Aino en in Oost-Siberië (Rusland). De expeditie werd georganiseerd door het New Yorkse American Museum of Natural History.
Waldemar of Wladimir Bogoras (1865 -1936) schreef voor de Jesup expeditie over de Tsjoektsjen en de Siberische Eskimo’s.. Na 1917 keerde hij terug en werd professor aan de universiteit van Leningrad tot aan zijn dood.

[3] Lamoet is synoniemvoor Eveens maar vandaag niet meer gebruikt.

[4] Vet werd door jagers, verzamelaars, boeren en herders sterk gewaardeerd. 

[5] De reden voor de ziekte aan de hoeven komt uit: A Handbook of Siberia and Arctic Russia, Volume I, General, Compiled by the Geographical Section of the Naval Intelligence Division, Naval Staff, Admiralty , London, 1919, p.105.

[6] Waldemar Bogoras, Volume VII, The Chuckchee, The Jesup North Pacific Expedition, Edited by Franz Boas.

Memoir of the American Museum of Natural History, New York, Leiden – New York, 1904 – 1909, p.70-101.

 Andere blogs over taal?
Het probleem van het thuisland van Afro-Aziatisch (1) Afro-Aziatisch
Het probleem van het thuisland van Afro-Aziatisch (2) en het ontstaan van de landbouw
Het probleem van het thuisland van Afro-Aziatisch (3) reizende genen
Over Etruskisch:
De oorsprong van de Etrusken
Over Turks en Japans:
Een verband tussen Turks en Japans
Over paleosiberische talen waaronder Tsjoektsjisch:
De domesticatie van wilde dieren (10 a) het rendier  bij de Tsjoektsjen
Over Altaïsche talen, Aino, Japans en paleo-siberisch:
Aino, Japans, Paleosiberische talen en meer (1) Aino

In: Marc Vermeersch,
De geschiedenis van de mens. Deel I, Jagers en verzamelaars.
Boek 2, de maatschappij van jagers en verzamelaars, 472 pagina’s.
vindt u 15 bladzijden over:
De grote taalgroepen in de wereld: p.365-379.
o.a.  deoudste (klik)talen, Dravidisch, Inuit-Aleoet, Amerind, Fins-Oegrisch, Baskisch enzovoort.


 
Advertenties

Over marc vermeersch

Sedert 2002 werk ik aan een "geschiedenis van de mens". In 2008 verschenen twee boeken over jagers en verzamelaars. in 2012 verscheen het boek van mijn doctoraat. Boek 3 over het ontstaan van landbouw en veeteelt in Zuidwest-Azië verscheen in oktober 2014. De volgende jaren werk ik aan Boek 4 over landbouw en veeteelt in China, Amerika en Nieuw-Guinea.
Dit bericht werd geplaatst in domesticatie van dieren, landbouw en veeteelt, Paleosiberisch, rendier, Tsjoektsjen, Tsjoektsjisch. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s