1302, Klassenstrijd in Vlaanderen (2, wol en landwinning)

Grondontginning, wol en schapen

Polder Vlaanderen

De blauwe zones geven de polders in Vlaanderen weer. De kustpolders en de polders aan de Westerschelde werden ingepolderd tijdens de middeleeuwen. Rond 1300 was dat proces grotendeels achter de rug. Voor de inpoldering was de kustlijn zeer onregelmatig. Er lagen veel eilanden voor de kust die door de inpoldering bij het vasteland gingen horen.   

 

De wol voor de lakennijverheid kwam van schapen, die hier samen met de landbouw waren meegekomen uit Anatolië. In Vlaanderen waren veel laaggelegen gronden, meersen, die zeer geschikte gronden waren voor schapenteelt. Gent was bijvoorbeeld omringd door meersen die toen in het overstromingsgebied van Leie en Schelde. (Een van die gebieden, meerdere honderden hectaren groot, zijn de Bourgoyen-Ossemeersen in Drongen en Mariakerke. Vandaag een beschermd natuurgebied van de stad Gent.)

Aan de kust zouden kloosterorden als de cisterciënzers en benedictijnen grote gebieden inpolderen. De kloosters Ter Duinen (Koksijde, vandaag nog ruïnes, en daarnaast een interessant museum) en Ter Doest (met vandaag nog een middeleeuwse schuur). Schapen waren het enige vee dat de eerste jaren het zouthoudende gras konden verteren. Er werden dijken aangelegd die steeds langer werden en met elkaar verbonden werden. Er waren ook vrije boeren die zelf zouden inpolderen of die gronden pachtten van de kloosters. Overal waar ingepolderd werd van Friesland, Holland, Zeeland, het noorden van Vlaanderen aan de Schelde, de Vlaamse kust tot het noorden van Frans Vlaanderen, leefden zo vrije boeren. Zij zouden een belangrijke rol spelen in de politieke gebeurtenissen van die tijd.

Rond 1050 werd Boudewijn V geprezen omdat hij er rijke weilanden had gemaakt van zijn schrale kust gronden. De nieuwe gronden bleven voornamelijk grasland maar een deel werd ook gebruikt voor granen. Rond 1150 was de zee teruggedreven tot achter de duinen en had men een min of meer doorlopende kustlijn. In die periode begon men in Vlaanderen met het droogmaken van de eerste polders, “(…) mogelijk als antwoord op het gevaar van een nieuwe overstroming. Tot de 12e en 13e eeuw toe dwong dit gevaar de bewoners vluchtheuvels op te werpen of op te hogen en het was ook in die tijd dat een enorme vloedgolf de Zuiderzee schiep.”

De ontginning van natte gronden was zeer belangrijk maar tegelijk werd nog meer heide en bos omgezet in landbouwgrond.

Overal elders was in de landbouw de lijfeigenschap de regel geweest. Want de opkomst van de steden na het jaar 1000 bood boeren de gelegenheid om naar de stad te vluchten waar men na een verblijf van een jaar en een dag volwaardige burger werd. Lijfeigenschap was achteruitgegaan. Veel boeren leverden geen karweien meer maar betaalden hun plichten in geld. In een maatschappij waar handel en industrie belangrijker waren geworden dan landbouw was het inkomen van de adel relatief achteruitgegaan. Relatief want de adel zou nog eeuwen een zeer belangrijke rol spelen in de maatschappij. Het zou echter niet lang duren dat de groei van de landbouwoppervlakte en de daarbij horende productie van wol niet voldoende was om de lakenindustrie van voldoende wol te voorzien. Men begon met de invoer van wol uit Engeland. Die zou sterk groeien en een belangrijke factor worden in de politiek.

Rond het jaar 1100 was Vlaanderen een van de belangrijkste economische gebieden in Europa. Het belangrijkste buiten Italië. Buiten Italië was Parijs de grootste stad met ongeveer 100 000 inwoners, Gent telde er tot 60.000, Brugge 40.000 en Ieper tot 35 000 inwoners. ** Gent en Ieper leefden in de eerste plaats van de lakenindustrie. Gent had zijn graanstapel, van graan dat van Noord-Frankrijk via de Schelde en de Leie aangevoerd werd en in Gent opgeslagen. Brugge had een beperktere lakennijverheid maar was een internationaal handelscentrum, lid van de Hanze, een financieel centrum waar b.v. ook Italiaanse financiers vestigingen hadden.

De bevolking steeg sterk tot ongeveer 1300. Uit de Nederlanden vertrokken velen naar nieuwe gebieden ten oosten van de Elbe, in Polen, Hongarije en Bohemen. Zij werden aangetrokken door adellijke ondernemers die hun technische kennis o.a. bij het droogleggen van moerassen konden gebruiken. Een streek ten zuiden van Berlijn heet nog altijd Fläming[1]. De kolonisten werden gelokt met grond en een zeer grote, ongekede, persoonlijke vrijheid voor boeren. “Dit, naast andere factoren zoals de opkomst van de steden, die bijna overal in de Lage Landen een zeer zelfstandige en praktische vrije boeren stand ontstaan, en scherpe tegenstelling met die welke werd overheerst door het oude hofstelsel.”

[1] Zie Fläming in de Nederlandse Wiki, als u er echt veel wil van weten klik dan door naar de Duitse Wiki. https://nl.wikipedia.org/wiki/Fl%C3%A4ming

Zie het eerste deel van deze reeks:
1302, Klassenstrijd in Vlaanderen (1, economie)

Advertenties

Over marc vermeersch

Sedert 2002 werk ik aan een "geschiedenis van de mens". In 2008 verschenen twee boeken over jagers en verzamelaars. in 2012 verscheen het boek van mijn doctoraat. Boek 3 over het ontstaan van landbouw en veeteelt in Zuidwest-Azië verscheen in oktober 2014. De volgende jaren werk ik aan Boek 4 over landbouw en veeteelt in China, Amerika en Nieuw-Guinea.
Dit bericht werd geplaatst in 1302, guldensporenslag, economie, middeleeuwen, Uncategorized. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s