1302, Klassenstrijd in Vlaanderen (3, de klassen)

weefstoel middeleeuwen

middeleeuwse weefstoel

Wat sociale klassen zijn wordt bepaald op basis van hun al dan niet bezit van de productiemiddelen en de arbeidskracht. In deze periode waren de productiemiddelen in de eerste plaats grond(bezit), bezit van grondstoffen en productiemiddelen als de weefstoel, wol, laken maar ook schepen, een graanstapel, wijn, hout, metalen enz.[1]

Er waren boeren die voor het grootste deel gronden van de adel, maar ook al van de burgerij, bewerkten. Zij hadden vaak geen grond in eigendom en maar een beperkte persoonlijke vrijheid. Zij konden b.v. zonder toestemming van hun adellijke heer het huis en de grond waar ze woonden en werkten niet verlaten, dus niet vrij verhuizen. Dat is de eerste klasse, de lijfeigenen of horigen. Ze betaalden hun heren met arbeid/karweien, graan en andere landbouwproducten maar in toenemende mate met geld. Ze hadden maar een beperkte vrijheid. Rond 1250 was deze klassieke horigheid in Vlaanderen bijna volledig verdwenen.

Aan de kust, in de polders, waren de meeste boeren zelfstandig. Zij bezaten (een deel van de door) hen bewerkte gronden. Ze huurden vaak gronden van de adel en de grote kloosters zoals Ter Duinen (Koksijde, er is vandaag een museum) en Ter Doest (Lissewege waar nog een middeleeuwse schuur staat). Hun sociale positie was vergelijkbaar met die van zelfstandigen. Ze bezaten soms grond maar zeker hun werktuigen, hun vee, kleinvee en b.v. een paard. Deze boeren waren verenigd in het Brugse Vrije, één van de vier leden van de Staten van Vlaanderen.[2] Deze boeren zouden krijgers leveren die meevochten in Kortrijk. Tussen 1323 en 1328 zouden de boeren van het Brugse Vrije in opstand komen. De boeren als groep hoorden bij verschillende sociale klassen: lijfeigenen en zelfstandige boeren.

In de steden leefden ambachtslui waaronder wevers, volders, scheerders, ververs van de lakenindustrie waarvan het grootste deel zelfstandig was maar een aantal afhankelijk was van kooplui die hen in de eerste plaats wol ter beschikking stelden die eigendom bleef van de koopman. Na verder door het productieproces gepasseerd te zijn werd het afgewerkte laken door kooplui verkocht. Daar werd de meeste winst gemaakt. Er waren naast textielbewerkers ook beenhouwers, leerbewerkers, smeden, wagen- ton- en wielmakers, bakkers, visverkopers, meubelmakers, schrijnwerkers, metsers enz. Zij kunnen in het algemeen beschouwd worden als echte zelfstandigen. Hun economische positie was vaak goed. Tenminste als de economie goed draaide. De zelfstandigen waren een sociale klasse die in de eerste plaats bestond uit ambachtslui en onafhankelijke boeren.

De sociale positie van sommige ambachtslui in de textiel was voor een deel van hen vergelijkbaar met die van latere arbeiders. Een definitie geven van een arbeider in de industrie is gemakkelijk: hij verkoopt zijn arbeidskracht en heeft geen kapitaal. Hij werkt zo goed als altijd in een werkplaats van zijn baas, een kapitalist. Als de wever geen weefgetouw had, geen wol kon aankopen en voor een koopman werkte was zijn positie vergelijkbaar met die van latere industriearbeiders. De ambachten zelf waren een sterk beschermende factor voor hun leden. Het is niet toevallig dat de burgerij na de Franse Revolutie (1789) zou eisen dat de ambachten ontbonden werden en dat ook gedaan kreeg. Ambachtslui, en toen ook arbeiders, mochten zich niet verenigen. Dat verbod zou in Nederland stand houden tot in 1837 (drukkersknechten in Breda) en in België tot 1842 (Brusselse typografen). Zij zorgden voor de opleiding en waakten over de kwaliteit van b.v. het laken. Zij zorgden ook voor onderlinge steun in geval van ziekte en overlijden. Het is daarom redelijk om voor die periode niet van arbeiders te spreken maar toch te zien dat de situatie van wevers, volders enz. er soms niet ver van afweek. Binnen een ambacht bestonden ook tegenstellingen tussen de meesters en de gezellen. De meesters betaalden de gezellen en die waren niet altijd tevreden met wat ze kregen. De ambachten waren vaak tegen technische vernieuwing wat op korte termijn een voordeel was maar op lange termijn een nadeel.

De poorters waren kooplui of ondernemers in b.v. de lakenindustrie, graanhandel, import van wijn enz. Zij werkten met kapitaal. Hun sociale positie was die van de burgerij (burger betekende oorspronkelijk inwoner van een burg, een stad). Dit is de derde sociale klasse tijdens de hoge middeleeuwen.

De adel was een vierde sociale klasse, de (groot)grondbezitters. De adel kan onderverdeeld worden in drie delen. Er was de Franse koning die veel gronden persoonlijk bezat in Frankrijk.  De Franse koningen hadden zich al lang als doel gesteld om de verschillende hertogdommen en graafschappen binnen de juridische grenzen van Frankrijk onder hun complete controle te brengen. Ze gebruikten twee tactieken: oorlogen en huwelijken. Zij hadden na eeuwen grote vooruitgang gemaakt Normandië was b.v. onder hun controle gekomen maar Aquitanië (door een huwelijk Engels geworden, belangrijk voor de wijn en de stad Bordeaux) was eigendom van de Engelse koning. Het meest aantrekkelijke gebied was Vlaanderen met zijn sterk ontwikkelde economie zijn groot potentieel aan belastingen. Een aantrekkelijke prooi voor een Franse koning die bijna permanent oorlog voerde. Het is niet overdreven te stellen dat Filips de Schone zich als een imperialist gedroeg tegenover Vlaanderen. Zijn straffen en boetes waren zelfs één van de belangrijkste redenen van het verzet. De Franse koning meestal in tegenstelling stond met zijn leenman, de Vlaamse graaf. Deze had veel gronden binnen maar ook buiten het graafschap.

De derde geleding was de kleine adel die in deze periode in Vlaanderen achteruit ging door het relatief afnemende belang van de landbouw en de opkomst van een geldeconomie in de steden waardoor hun horige boeren naar de stad konden vluchten of als kolonisten emigreren naar gebieden in het oosten van Duitsland of naar Polen.

Er waren, samengevat, vier klassen: de grondbezittende adel, de met kapitaal werkende burgerij, de zelfstandigen en de ambachtslui waarvan de sociaal economische positie grosso modo vergelijkbaar was met die van industriearbeiders later.

Die klassen waren intern dan nog vaak verdeeld. Zij kozen nu eens voor of tegen de Franse koning, voor of tegen de Vlaamse graaf enzovoort. De Gentse poorters zouden in 1302 voor de Franse koning kiezen maar 700 ambachtslui vertrokken onder leiding van Jan Borluut naar Kortrijk. De Brugse poorters zouden in 1302 voor het grootste deel voor de Vlaamse graaf en tegen de Franse koning kiezen. Er waren ook tegenstellingen tussen b.v. volders en wevers die vaak gevechten en doden als gevolg hadden. Dat was niet het geval kortvoor 1302. Enkele jaren vroeger waren die posities van de Gentse en Brugse poorters precies omgekeerd. Alle sociale klassen, alle sociale geledingen, probeerden hun belangen door bondgenootschappen zo goed mogelijk te verdedigen. In die periode leidde dat tot snel wisselende coalities.
Dr. Marc Vermeersch   marc.vermeersch@gmail.com
Zie ook andere delen van deze reeks:
1302, Klassenstrijd in Vlaanderen (1, economie)
1302, Klassenstrijd in Vlaanderen (2, wol en landwinning)

[1] Dit is één punt waar je de beperking ziet van Wikipedia. De definitie van wat een sociale klasse is, is niet waardenvrij. In de definitie van de Nederlandse Wikipedia https://nl.wikipedia.org/wiki/Sociale_klasse is dat duidelijk. Bezit van productiemiddeln wordt er niet vermeld, niets over uitbuiting maar b.v. wel status, de meest subjectieve factor die je bij ‘sociale klasse’ kan betrekken en zeker niet de belangrijkste factor. .

[2] Het Brugse Vrije was de grootste kasselrij in het graafschap Vlaanderen. Het omvatte de streek rond Brugge, begrensd door de Noordzee, de Westerschelde en de IJzer. In oorsprong was het de kasselrij van Brugge, maar later werden de stad en het Vrije als aparte gewoonterechtsgebieden beschouwd. Het Brugse Vrije was een rijk landbouwgebied. Het had een eigen burggraaf, die zetelde op de Burg in Brugge, en maakte vanaf het einde van de 14e eeuw deel uit van de Vier Leden van Vlaanderen, samen met de drie grote steden Gent, Brugge en Ieper. Het Brugse Vrije zetelde ook in de bijeenkomsten van de Staten van Vlaanderen. https://nl.wikipedia.org/wiki/Brugse_Vrije

Advertenties

Over marc vermeersch

Sedert 2002 werk ik aan een "geschiedenis van de mens". In 2008 verschenen twee boeken over jagers en verzamelaars. in 2012 verscheen het boek van mijn doctoraat. Boek 3 over het ontstaan van landbouw en veeteelt in Zuidwest-Azië verscheen in oktober 2014. De volgende jaren werk ik aan Boek 4 over landbouw en veeteelt in China, Amerika en Nieuw-Guinea.
Dit bericht werd geplaatst in klassen, klassen, sociale -, middeleeuwen, Uncategorized, Vlaanderen 13de 14de eeuw. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s