1302, klassenstrijd in Vlaanderen (8. Elf juli, de veldslag)

1302 de veldslag ME schilderijEr waren naar schatting tussen 2600 en 3700 strijders uit Brugge waaronder 320 kruisboog­schutters, geholpen door 160 knapen. Dat bleek uit de stadsrekeningen. Er was vermoedelijk een even groot contingent uit de omgeving van Oudenaarde, Aalst en Kortrijk samen met de 700 Gentenaars van Jan Borluut. Er was een groep uit het Brugse Vrije en 500 Ieperlingen. Langs de weg naar Gent stonden 500 man reservetroepen onder leiding van de Zeeuw Jan van Renesse. In totaal moeten er langs Vlaamse kant tussen 8800 en 11000 krijgers geweest zijn. Daar waren 350 ruiters bij, voornamelijk geleverd door Jan van Namen. Slechts een derde daar­van kwam uit Vlaanderen, de meerderheid waren ingehuurde ridders uit de streek van Maas en Rijn.

Het Franse leger telde 2700 gepantserde ruiters, ridders en edelknapen, 4000 man voetvolk, ongeveer 1000 kruisboogschutters en 334 krijgers in het kasteel van Kortrijk. Met knechten en  personeel zal het totale aantal nauwelijks onder dat van het Vlaamse leger gelegen hebben. Kwalitatief leek het Franse leger veel sterker. Robert van Artois zou gezegd hebben: ‘Wij zijn te paard en zij zijn te voet, en 100 paarden zijn 1000 man waard.‘
1302 kaart slagveld Groeninghe

“Het liep tegen de middag aan en in het Vlaamse kamp waren de troepen al een tijdje opgesteld. Het wachten onder de wolken, waar af en toe de zon doorbrak, werd zwaar. Duizenden mannen stonden klaar, uitgerust met de halsberg van fijne maliën over het hoofd, zodat de hals, nek en de bovenkant van de schouders bedekt waren. Op hun lichaam hadden ze een keurslijf van metalen plaatjes, met daarover een wambuis of tuniek. Ze droegen een kleine open helm op het hoofd en ijzeren handschoenen, waarmee ze in één hand een klein schild vasthielden. Als wapen hanteerden ze een zware goedendag[1] of een gepinde staf, een lange piek , een haaklans, een zwaard, of een bazelaar waar met een zeer breed lemmet en een scherpe, spitse punt. De rijkere krijgers droegen meestal ook nog een pantser op het lichaam of een kort maliënhemd in wapenkousen in maliën. De opstandelingen waren bevreesd voor de grote slag die zou volgen. Velen zouden liever ver weg geweest zijn.

De keuze van het slagveld was nog om een andere reden goed, waarmee elke legerbevelhebber rekening moest houden: vluchten was bijzonder moeilijk met de Leie en de stadsmuren in de rug en de Fransen in het gezicht. De 500 manschappen in reserve van Renesse, die in tweede linie opgesteld waren, konden toezien op een van de bevelen die de Vlaamse legerleiding uitgaf: wie week of vluchtte, zou neergeveld worden. Hetzelfde lot gold diegene die het verbod aan zijn laars lapte om al tijdens de slag de buit op te rapen of gevangenen te maken. ’ Dood de vijanden. Sla vooral naar de paarden’, luidden nog andere bevelen. Die genadeloze discipline, die er vooral op gericht was niemand van zijn plaats te laten gaan, was essentieel in het plan dat Renesse en de zijnen voor ogen hadden. (…)

De motivatie was groot, wraak een onderdeel van de motivatie. Veel boeren hadden geleden onder de plundertochten van de Fransen in de jaren 1297-1300. Ridders hadden familieleden die nog gevangen zaten in Frankrijk waaronder Graaf Gwij en zijn zoon Robrecht van Bethune. Anderen hadden hun eigendommen verloren omdat zij voor de graaf hadden gekozen. Nog anderen hadden familie die gesneuveld was in de strijd tegen de Fransen. De Bruggelingen moesten winnen of de uitgebreide wraak van de Fransen ondergaan. “Daarnaast was er spectaculair ceremonieel. Behalve dat zij van hun paarden stapten, droegen Gwij van Namen en Willem van Gulik ook dezelfde kleine open helm als de gemeentenaren. Voor het hele leger sloegen beiden voor de strijd een dertigtal volksleiders tot ridder onder hen Jan Born liet, Pieter de Coninck en zijn zonen Willem en Jan naast volders, wevers, vleeshouwers en enkele poorters. De boodschap was zeker voor die tijd revolutionair en ongetwijfeld als stimulans bedoeld: iedereen had kans om ridder te worden.” (Verbruggen en Falter, p.149-153)

De Vlamingen stelden zich op in een dichte slagorde, de sterkste mannen vooraan, met als doel dat geen enkele Franse ruiter door de gelederen zou breken. Een Franse kroniekschrijver, Guillaume Guiart uit Orléans, zag het Vlaamse leger in 1302 en bij een volgende slag in 1304. Hij schreef toen: “’Wie ooit de Vlamingen aldus opgesteld gezien heeft, mag zeggen dat een grote trots hen bezielt. Ze staan dicht tegen elkaar gedrongen en hun aanvoerders herhaalden voortdurend dat zij die dichte gelederen stevig gesloten moeten houden. Dat zij niemand er laten binnendringen, ziedaar de voornaamste raad die ze zonder ophouden geven.’”

De slag begon toen de Franse kruisboogschutters hun pijlen naar de Vlamingen schoten. Daarna werden speren gegooid en stenen gesmeten. Ze richtten weinig schade aan onder andere door de bescherming achter de beken. De Vlamingen hadden tussen de beken en hun troepen een strook vrijgelaten om de schade van pijlen, stenen en speren zoveel mogelijk te beperken.

Toen vond Robert van Artois dat het aan de ruiters was om aan te vallen. “Vier ridderscharen raakten aan de Franse linkerzijde naar de Grote Beek, drie, iets later, naar de Groeningebeek. Beide sloten waren geen gemakkelijke hindernis voor de grote en zwaarbeladen paarden. Sommige dieren weigerden eerst, moesten gedwongen worden toch de sprong te wagen. Andere struikelden, zodat hun ruiter uit het zadel vloog. Nog andere paarden liepen vast in de oevers van de beken, of misten hun sprong. Toch verliep de overtocht over het algemeen vlot. Om niet verrast te worden door een aanval van de Vlamingen sloten de Franse ridders aan de overkant snel de gelederen, waarna ze hun stormloop voortzetten. In eerste instantie was dat het geval voor de Franse linkervleugel van Nesle, die tegen de Bruggelingen, aan de Vlaamse rechterflank, en de krijgers uit het Brugse Vrije in het centrum, oprukte.

’Elke Vlaming zag, geloof mij, twee horsen[2] die snel op hem afkwamen.’ Honderden zwaar gepantserde ridders, volledig beschermd met maliënhemden en platen, die met hun paarden aanstormden, met lange lansen in de aanslag, onder luid geschal van trompetten. Instinctief sloten de Vlamingen nog meer de gelederen. Maar ze weken niet. De muur van gevelde pieken, lansen en, in tweede lijn, goedendags bleef staan. Wevers, volders, handwerkers van alle slag, boeren: ditmaal zetten ze het niet op een lopen voor de heren.

Prompt sloeg de verwarring toe in de Franse rangen. De meest ervaren ruiters wisten zo te manoeuvreren dat ze hun paard op de Vlaamse krijgers en langs de lansen en pieken stuurden. Anderen begrepen dat ze hun paard en misschien zichzelf de dood indreven, aarzelden en vertraagden hun draf. De meeste Franse edelen gingen echter door, zoals hen dat geleerd was. In het centrum van het front had dit het meeste succes. De afstand tussen beek en slagorde was daar het grootst geweest, zodat de paarden nog een stevige draf hadden kunnen ontwikkelen. Op de plaats waar de krijgers van het Brugse vrije stonden, drongen de Fransen door. Daar werd spoedig hard gevochten en leek een doorbraak voor de aanvallers mogelijk.

De Bruggelingen daarentegen hielden stand, met een uitstekende organisatie en een hardnekkigheid die ze in de daaropvolgende twee jaar voortdurend zouden demonstreren. Het was daar, op hun linkervleugel, dat de Fransen hun eerste aanvoerders verloren. Godevaart van Brabant[3] probeerde, net als in Woelingen 14 jaar voordien, een doorbraak te forceren.”

Godevaart van Brabant zou sneuvelen maar de geliefde Willem van Gulik ook. Het is zo goed als zeker dat de gehate Jacques de Châtillon ook sneuvelde. De bevelhebber van de Franse troepen, Robert van Artois, werd ook geveld. Veel Franse ruiters waren met hun paarden in de beken blijven vastzitten en werden daar afgemaakt. Waarschijnlijk sneuvelden er ongeveer 1250 Franse edelen in Kortrijk. Er werden waarschijnlijk ongeveer 500 paar gulden sporen van de Franse ruiters gevonden. “Behalve Artois en Flote sneuvelden zeven van de acht bataelgen-aanvoerders. Enkel op het einde van de veldslag, toen de overwinning binnen was, begonnen de Vlamingen ook gevangenen te nemen.” (Verbruggen en Falter, p. 156-157)

Tijdens de strijd vielen de Franse troepen in het kasteel aan de Leie-oever de Vlaamse troepen te paard aan. De Vlamingen weerstonden de aanval en konden de ruiters terug in het kasteel drijven. (Verbruggen en Falter, p. 160-162)  De Vlamingen zouden kort nadien ook Rijsel en Douai bevrijden. Korte tijd nadien hadden de opstandelingen in Vlaanderen onder hun controle gebracht op het kasteel van Rupelmonde na dan nog een tijd in handen van de leliaards zou blijven. (Verbruggen en Falter, p. 169)

Er was geen twijfel mogelijk. De Vlaamse troepen, een leger van voornamelijk ambachtslui had het machtigste leger van de christelijke wereld in de pan gehakt. Du jamais vu!

Dr. Marc Vermeersch     marc.vermeersch@gmail.com
1302, Klassenstrijd in Vlaanderen (1, economie)
1302, Klassenstrijd in Vlaanderen (2, wol en landwinning)
1302, Klassenstrijd in Vlaanderen (3, sociale klassen)
1302, Klassenstrijd in Vlaanderen
(4, invloed, kunst enz.)
1302, Klassenstrijd in Vlaanderen (5, handel)

1302, Klassenstrijd in Vlaanderen (6, Brugse Metten)

1302, klassenstrijd in Vlaanderen (7. De Brugse Metten)

[1] De goedendag was een eenvoudig en goedkoop maar geducht wapen, dat vooral in de 13e en 14e eeuw gebruikt werd. Het werd vooral bekend in de Guldensporenslag, waar het uiterst effectief bleek tegen chargerende ruiters.
Het wapen was een circa anderhalve meter lange boomstam van 10 cm diameter, die aan het uiteinde dikker uitliep en bovenaan voorzien was van een stalen punt. Het wapen kon op twee manieren gebruikt worden: als slagwapen (knots) of als steekwapen. Het was stevig genoeg om een aanval van een gepantserde ruiter te stoppen. https://nl.wikipedia.org/wiki/Goedendag_(wapen)
[2] Hors, een oud Nederlands woord voor paard, cfr. het Ros Beiaard. Daarin is hors al ros geworden. In het Engels: horse..
[3] Familie van de hertog van Brabant die vrijwillig met de Fransen meevocht.

 

Advertenties

Over marc vermeersch

Sedert 2002 werk ik aan een "geschiedenis van de mens". In 2008 verschenen twee boeken over jagers en verzamelaars. in 2012 verscheen het boek van mijn doctoraat. Boek 3 over het ontstaan van landbouw en veeteelt in Zuidwest-Azië verscheen in oktober 2014. De volgende jaren werk ik aan Boek 4 over landbouw en veeteelt in China, Amerika en Nieuw-Guinea.
Dit bericht werd geplaatst in 1302, guldensporenslag, de veldslag, Uncategorized en getagged met . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s