Ziektes en gezondheid in het verleden (1) met o.a. de kannibalenziekte

In tijden van een besmettelijke ziekte als het coronavirus, covid-19, is het interessant om te zien wat ziektes betekenden voor mensen in een recent en een ver verleden. Ik nam uit het eerste boek over jagers en verzamelaars ook paragrafen over gezondheid over.
Citaten hieronder komen uit: Marc Vermeersch, De geschiedenis van de mens. Deel I, Jagers en verzamelaars. Boek 1, van Pan tot Homo sapiens, 405 pagina’s.

Ziekte en dood
Ziektes hebben een belangrijke rol gespeeld in de verdwijning van mensengroepen.
Kan het zijn dat ziektes de neanderthalers in opeenvolgende golven decimeerden? Dat
Homo sapiens uit de tropen afkomstige ziektes verspreidde en er zelf immuun voor
was? We zullen in volgend hoofdstuk (p.295) zien dat Homo sapiens voor zijn vertrek
uit Afrika waarschijnlijk door een genetische flessenhals ging en dat die misschien
ziekte(s) als oorzaak had. De tropen zijn in het algemeen een betere omgeving voor
het verspreiden van besmettelijke ziektes dan gematigde klimaatzones en zeker noordelijk gelegen streken. Er is geen enkele concrete aanwijzing dat dit een rol speelde bij het verdwijnen van de neanderthalers maar het is een proces dat in de geschiedenis
meerdere keren voorkwam. De Amerikaanse indianen werden na 1492 massaal geveld
door een voor Europeanen onschuldige ziekte als mazelen en de minder onschuldige
pokken. In de Amerikaanse binnenlanden waar nog nooit een Europeaan was geweest
overleden tientallen procenten van inheemse groepen aan dergelijke ziektes lang na 1492. Diegenen die overleefden waren weliswaar grotendeels immuun voor die ziektes
en het bevolkingscijfer herstelde zich daarna maar de verhouding tussen indianen
en Europeanen was intussen vaak gekanteld in het voordeel van de Europeanen. De
voortdurende aanvoer van nieuwe Europeanen en Afrikanen werkte ook in op de bevolkingsverhoudingen.(586) De neanderthaler kan bij contact met Homo sapiens hetzelfde overkomen zijn. De neanderthalers werden in deze hypothese niet door ziektes uitgeroeid maar in een eerste fase misschien sterk uitgedund. We mogen aannemen dat hun aantal zich daarna in bepaalde mate herstelde. De verhouding tussen beide takken van de mensheid zou echter van bij de eerste contacten in het nadeel van de neanderthaler veranderd kunnen zijn. Met andere woorden Homo sapiens kon vrij snel een substantiële aanwezigheid of een overwicht gekregen hebben in de gebieden waar hij aankwam. (p. 289)

Uit De Standaard

Levensduur
Een onderzoek toonde aan dat neanderthalers niet lang leefden. Op ongeveer
250 skeletten waren slechts 4 op 10 overleden voor ze volwassen waren. Van diegenen
die volwassen werden waren minder dan 10% 40 jaar of ouder bij hun dood.
Dat waren daarenboven nog mannen. Neanderthalvrouwen stierven gemiddeld veel
jonger, op een leeftijd dat ze nog kinderen hadden kunnen baren. Onderzoek van
de botten wees er op dat er Harrislijnen zichtbaar waren op het einde van lange
beenderen. Harrislijnen verschijnen daar waar de groei tijdelijk stopt, meestal het
gevolg van voedingstekorten en ziekte. Email-hypoplasia is een andere ziekte die
dun tandemail veroorzaakt als gevolg van slechte voeding in de kindertijd. Sommige
onderzoekers argumenteren dat het groter lichaamsvolume van de neanderthaler
grotere calorische noden meebracht. Statistische analyse toont dat de mortaliteit
onder neanderthalers 2% groter was dan die van moderne mensen in dezelfde omgeving.
Een algemeen verschil van 2% zou de neanderthalers uitgerangeerd hebben
binnen een korte periode.(589) (p. 292)

Betere voeding voor Homo sapiens
Men onderzocht aan de hand van het al dan niet voorkomen van Harrislijnen
(kleine, dwars op de lengterichting liggende, verdichtingen in een pijpbeen) en hypoplasie
(meestal lijnvormige oneffenheden) in het tandglazuur van kinderen in Afrika
goed gevoed waren. Harrislijnen en hypoplasie zijn het gevolg van voedseltekorten
en/of ziektes
. Kinderen van Afrikaanse moderne mensen hadden blijkbaar een betere
voeding en/of waren minder ziek dan neanderthalkinderen want beide verschijnselen
werden minder vastgesteld.(634) (p. 312)
(634) Sally McBrearty en Alison S. Brooks, The revolution that wasn’t: a new interpretation of the origin of modern human behavior. Journal of Human Evolution, 2000. Vol 39, p. 482-483.

Kleinere mensen en ziektes
In Nieuw-Guinea leefden buitengewoon kleine mensen. In hun dieet ontbrak iodine
en andere essentiële nutriënten. Toen ze mineraal- en vitaminesupplementen
kregen werden hun kinderen groter. Gebrek aan zuiver water, gebrek aan voeding
en gezondheidszorg brengen mee dat veel kinderen in de derde wereld een zwakkere
gezondheid hebben waardoor ze gevoeliger zijn voor ziektes maar ook kleiner blijven
dan ze zouden moeten of kunnen zijn.(667) Pygmeeën bevolkten niet als eersten de wereld. In de tropische regenwouden van Afrika, Oceanië en Azië was een kleinere
gestalte een aanpassing aan de ecologische omgeving. Kleinere mensen hadden er betere overlevingskansen. Ze waren beter aangepast aan de omstandigheden. Omdat
het tropisch regenwoud veel moeilijker bruikbaar was voor de landbouw bleven juist
daar groepen mensen leven met de oudste genetische lijnen.

De kannibalenziekte, het kannibalengen of: kannibalisme kwam overal voor
Op meerdere plaatsen in de wereld werden stapels menselijke beenderen gevonden
met duidelijke sporen van verwijdering van het vlees door werktuigen. Volgens
een onderzoek van het Medical Research Center van het University College in London,
is er een gen dat immuun maakt tegen de hersenziekte die veroorzaakt wordt door het
eten van besmet mensenvlees of menselijke hersenen. Dit gen wordt bij mensen over
heel de wereld teruggevonden wat inhoudt dat het aanwezig was vóór de mens uitzwermde
over de wereld. Het gen zou zich verspreid hebben door natuurlijke selectie
en is dus een indirect bewijs voor het algemeen voorkomen van kannibalisme bij de
voorouders van de mens.(357)
Hersenziektes, ook prionziektes genoemd, worden gekenmerkt door een verlies
van coördinatie, dementie, verlamming en de dood. Moderne voorbeelden zijn de
ziekte van Creutzfeld-Jacob of Kuru (lachziekte) bij mensen en de gekke-koeienziekte
bij dieren. De ziektes worden veroorzaakt door moleculen die samen klitten in
hersenweefsel. Deze moleculen, prions, zitten normaal op de oppervlakte van hersencellen.
Men denkt dat prionziektes veroorzaakt worden door het eten van vlees van
besmette dieren. Mensen met een normale kopie én een gemuteerde kopie van het
M129V-polymorfisme zijn min of meer beschermd tegen prionziektes. Een gelijkaardige
mutatie, E219K, kwam voor bij bepaalde groepen op het Indische subcontinent
en in Oost-Azië.
Dr. S. Mead onderzocht kannibalisme bij de Fore, een geïsoleerd levende groep in
Papoea-Nieuw-Guinea (PNG). Zij aten hun eigen doden op. De mannen namen het
beste van de organen en de spieren. De vrouwen en kinderen kregen o.a. de hersenen.
Van in het begin van de jaren twintig tot in de jaren zestig van vorige eeuw werd de
groep regelmatig getroffen door de prionziekte kuru. Er stierven soms meer dan 200
mensen aan per jaar. Eén kenmerk van de infectie was dat de slachtoffers oncontroleerbaar
moesten lachen wat de ziekte de naam lachziekte gaf. Vrouwen en kinderen
waren het meest kwetsbaar omdat zij de hersenen aten. De ziekte verdween toen westerlingen
de Fore verboden om hun kannibalistische praktijken verder uit te voeren.
Dr. S. Mead testte Forevrouwen die deelgenomen hadden aan de feesten en stelde
vast dat 23 van de 30 geteste vrouwen een normale kopie van het prion-gen hadden
en één het M129V-polymorfisme. Daaruit kon men afleiden dat diegenen die de
kuru-epidemie hadden overleefd een genetische weerstand hadden tegen de ziekte.
De onderzoekers onderzochten het voorkomen van het M129K of E219V-polymorfisme
in meer dan 2.000 chromosoomstalen en vonden dat ze wereldwijd voorkwamen
bij iedere bevolking. Ze schatten dat deze polymorfismen ongeveer 500.000
jaar geleden opkwamen. Door natuurlijke selectie zijn deze polymorfismen met Homo sapiens over de wereld verspreid. Het suggereert dat we allemaal afstammen
van kannibalen en in bepaalde mate immuun geworden zijn voor prionziektes. (p. 182-183)

Uit: Marc Vermeersch, De geschiedenis van de mens. Deel I, Jagers en verzamelaars. Boek 1, van Pan tot Homo sapiens, 405 pagina’s. ISBN 978 908 134 7709

Over marc vermeersch

Sedert 2002 werk ik aan een "geschiedenis van de mens". In 2008 verschenen twee boeken over jagers en verzamelaars. in 2012 verscheen het boek van mijn doctoraat. Boek 3 over het ontstaan van landbouw en veeteelt in Zuidwest-Azië verscheen in oktober 2014. De volgende jaren werk ik aan Boek 4 over landbouw en veeteelt in China, Amerika en Nieuw-Guinea.
Dit bericht werd geplaatst in gezondheid, gezondheid, ziekte. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s