De onderdrukking van de vrouw in historisch perspectief (4) Dominantie van de mannen

Sociaal waren mannen en vrouwen niet gelijk, de mannen waren baas. Net als bij chimpansees werden vrouwen regelmatig geslagen. Het is – in het licht van de geschiedenis – pas zeer recent dat geweld tegen vrouwen is afgenomen. Chimpanseevaders hebben met de kroost van de groep geen nauwe maar een eerder afstandelijke relatie. Bij beide groepen hebben moeders met hun kinderen een hechte relatie, zeker met hun zonen met wie ze in dezelfde groep blijven. P. 296-

Wat is er veranderd sedert de splitsing met de chimpansees?

  • De overheersing van de mannen wordt in stand gehouden door hun bondgenootschappen, door geweld en daarnaast ideologisch verantwoord en versterkt door mythes, rites enzovoort.
  • Arbeidsverdeling. Een arbeidsverdeling is in principe voor beide partijen voordelig. De productiviteit stijgt, de opbrengsten zijn groter. Bij de bonobo’s is er nauwelijks sprake van arbeidsverdeling. Ieder zorgt voor zijn eigen voedsel maar de bonobovrouwen zorgen quasi alleen voor de kinderen. Bij de chimpansees zorgen de vrouwen ook alleen voor de kinderen. Mannen zorgen voor orde en stabiliteit in de groep, ze beschermen de groep en zijn territorium, ze jagen en staan een deel van het vlees af.
  • Groepshuwelijk. De evolutie was van regelloze seks naar groepshuwelijk, naar koppelvorming in het kader van het groepshuwelijk,

Dat de meeste mensen in een koppel leven wil niet zeggen dat dit de enige manier van samenleven is. In het groepshuwelijk was een groep mannen en vrouwen van dezelfde leeftijd met elkaar gehuwd. Binnen die groep kan elke man met elke vrouw seksuele betrekkingen hebben. Toch leefde de grote meerderheid van de mannen met één vrouw samen en werden de kinderen van de vrouw ook als kinderen van de man beschouwd. Meestal zal die man ook de biologische vader geweest zijn maar gezien het groepshuwelijk kan dat niet altijd het geval geweest zijn. Er waren ook regelmatig bijeenkomsten van groepen waarbij het gebeurde dat groepen vrouwen tijdelijk geruild werden of dat seks min of meer vrij kon gebeuren.

Mannelijk bondgenootschappen, de basis van de mannelijke dominantie

Bij mensen was de macht van de mannen gebaseerd op hun grotere fysieke kracht, een grotere agressiviteit en vooral op mannelijke bondgenootschappen waarmee ze die macht stevig in handen hielden.

Bij de chimpansees zijn de mannen baas. Ze zijn dat in de eerste plaats door hun bondgenootschappen waarbij ze weliswaar de vrouwen als steun nodig hebben. Dat fysieke kracht niet de doorslag geeft wordt duidelijk bij de bonobo’s. Vrouwen zijn er  ook minder sterk dan de mannen maar door hun vrouwelijke lesbische bondgenootschappen en de inzet van hun zonen zijn zij er dominant.

Bij mensen domineren mannen. De overheersing van de mannen moest in een maatschappij met gesproken taal ook een ideologische verantwoording hebben. Mannelijke bondgenootschappen kwamen duidelijk tot uiting bij totemistische of andere religieuze rituelen waar vrouwen een ondergeschikte rol speelden en vaak zelfs niet toegelaten werden. Deze bondgenootschappen waren geheime genootschappen waarin mannen totemistische, religieuze geheimen deelden. Als vrouwen heilige plaatsen en heilige voorwerpen zagen konden deze daardoor ontheiligd worden. Religie werd door deze mannelijke genootschappen ook gebruikt om de macht te behouden. Dat er hier en daar gespookt werd voor vrouwen en kinderen is minder belangrijk dan dat de heersende vooroudercultus – naast de reproductie van de clan – óók de bestaande macht van de mannen bevestigde en reproduceerde.

Jongens werden aan het begin van de initiatie bij hun moeders weggehaald, afgezonderd en door de mannelijke genootschappen geïnstrueerd. Hun kindertijd, hun tijd bij hun moeder was gedaan. De initiatie stoorde de mogelijkheid dat de relatie moeder – zoon uitgroeide tot een ander bondgenootschap. Jongens werden man verklaard na de initiatie door de mannen. Deze praktijken waren niet bij alle jagers en verzamelaars even rigide. Soms hadden vrouwen een rol bij de initiatie van jongens en ze hadden zeker een grote rol bij de initiatie van meisjes maar in de maatschappij waren mannen dominant. De initiatie was een grote ideologische conditionering van de jongeren van een clan.

Gesproken taal leidde tot bewust denken. De vele mythes die wereldwijd bestonden waarin vrouwen de macht hadden in deze maatschappijen waren waarschijnlijk een uiting van het bewustzijn van mannen dat zij hun macht in de maatschappij in hun voordeel gebruikten en de schrik dat dit niet zou blijven duren. Het is mogelijk dat ze een weerspiegeling zijn van vroegere situaties waarin de vrouw een betere positie had. Bewust denken leidde ook tot ideeën over de minderwaardigheid van vrouwen. Ideeën die een onderdeel van die ideologie vormden.

De bewustwording, de ideologie van de mannen, moest voor wat betreft de relatie man-vrouw bijna zeker tot een tendens leiden die de macht van de mannen versterkte, net zoals de bewustwording van de exogamie leidde tot wetten die de praktijk van de exogamie uitwerkten en versterkten. Dat stammen overschakelden van matrilineaire afstamming naar patrilineaire –lang voor men het verband zag tussen seks en voortplanting– is waarschijnlijk een gevolg en een uiting van die bewustwording. Zeer belangrijk is dat in de verschillende culturen van jagers en verzamelaars wereldwijd de positie van de vrouw sterk kon uiteenlopen. Dit is op zijn beurt een bewijs dat er op dit terrein geen voorbeschiktheid bestond, dat elke specifieke cultuur bepalend was voor de verschillen.

Vorming van het koppel, de opvoeding van kinderen en het ontstaan van het vaderschap

Men kende een sociaal vaderschap maar men wist niet dat seks tot de geboorte van kinderen leidt. Bij de Australische Arunta (maar ook bij alle andere Australische stammen) kende men het verband niet tussen seksuele betrekkingen en geboortes. Men dacht dat elke zwangerschap het gevolg was van een intrede van de ziel van een voorouder in de vrouw. Die was in het lichaam van de vrouw binnengegaan en had er nieuw leven ingebracht. Onderzoekers denken dat bij de mens koppels ontstonden omdat dit voordelig en/of noodzakelijk was voor de opvoeding van de kinderen en dit op zijn beurt voor het succes van de soort.

Mensenkinderen krijgen na hun tijd als zuigeling nog lange tijd voedsel van hun ouders. Chimpanseekinderen verzamelen na hun zoogtijd snel zelf hun eten.

Leren spreken is een langdurig proces dat meer is dan het voortbrengen van gecontroleerde klanken. Het is ook het aanleren van een hele reeks technische en sociale vaardigheden. Tot aan het schrift werd de verzamelde menselijke kennis enkel mondeling doorgegeven. Tot voor kort was de meerderheid van de menselijke bevolking analfabeet en bleef mondelinge overlevering de belangrijkste manier van kennisoverdracht.

Bij de mens zijn de meeste vaders en moeders betrokken bij de verzorging van hun nakomelingen. Bij de chimpansees is dat enkel de moeder. Menselijke vaders voorzien hun partner(s) niet alleen van sperma maar ook van hulp bij de opvoeding en vlees voor de partner en de kinderen. Ze hielden zich weliswaar niet intens bezig met baby’s, peuters en kleuters maar naarmate kinderen – zeker de jongens – ouder werden waren de vaders meer bij de opvoeding betrokken.

Het is best mogelijk dat dit afgeven van vlees ooit – bij de mens of zijn voorlopers – begonnen is als een ruil van vlees voor seks, zoals bij chimpansees.

Mensen verzamelen hun voedsel met werktuigen. Kleine kinderen zijn niet in staat dat zelf te doen. Het gebruik en het maken van werktuigen moet aangeleerd worden. Het maken van stenen werktuigen was voornamelijk een mannenzaak die door mannen moest doorgegeven worden. Aan mensenkinderen moet uitgelegd worden hoe voedsel verzameld en beschermd wordt. Langzaam leren ze dat zelf te doen. Dit is een investering die veel groter is dan die van een chimpanseemoeder.

Zelfs leren gaan, leren lopen op twee benen moet mensenkinderen aangeleerd worden.

Jared Diamond over de complexiteit van de kennis die mensenkinderen moeten leren: “(…) wij zijn voor onze voedselvergaring sterk afhankelijk van ons denkvermogen, in veel grotere mate dan andere dieren, omdat wij een veel gevarieerder dieet hebben en veel meer verschillende en complexere technieken gebruiken om ons voedsel te vergaren. De mensen uit Nieuw-Guinea met wie ik samenwerk, gebruiken verschillende namen voor ongeveer duizend verschillende dieren- en plantensoorten in hun directe omgeving. Van elke soort weten zij iets over de verspreiding en levensgeschiedenis, de uiterlijke kenmerken, de eetbaarheid of andere mogelijke toepassingen en hoe de soort het best kan worden gevangen of geoogst. Het duurt jaren voordat iemand al deze kennis verworven heeft.” en ”Menselijke zuigelingen kunnen niet in hun eigen voedsel voorzien omdat ze de nodige mechanische en geestelijke vaardigheden ontberen. Deze vaardigheden moeten ze leren van volwassenen, die ook moeten zorgen voor het voedsel dat ze tijdens het leerproces, dat ongeveer twintig jaar duurt, nodig hebben.” Andere diersoorten als chimpansees en leeuwen hebben ook leerprocessen maar de vaardigheden die mensen moeten aanleren zijn veel groter dan die van chimpansees en leeuwen. De grote hersenen van de mens zijn nodig om al die kennis te beheersen en op te slaan. Jared Diamond besluit: “De ouderlijke last die daaruit voortvloeit, maakt dat de overleving van een kind afhankelijk is van de zorg van zowel de vader als de moeder. Orang-oetanvaders verschaffen hun nakomelingen alleen de noodzakelijke genen; bij gorilla’s, chimpansees en gibbons bieden de vaders bovendien bescherming; maar de menselijke vaders, die jagers-verzamelaars zijn, bieden hun kinderen ook nog wat voedsel en veel kennis. De menselijke gewoonten met betrekking tot het vergaren van voedsel vereisen een sociaal stelsel waarin een man ook na de bevruchting van de vrouw een relatie met haar onderhoudt, zodat hij haar kan helpen bij het grootbrengen van hun kind.” Een zeer belangrijk deel van het leerproces bij jagers en verzamelaars was het aanleren van de gebruiken van de stam. De initiatierites waren niet toevallig het hoogtepunt van de scholing van jongeren en wereldwijd de enige periode waar men van formele scholing zou kunnen spreken.

Jared Diamond stelt vast dat het vandaag nog altijd waar is dat: “De paradox is dat een man en een vrouw die willen dat hun kind (en hun genen) overleeft, lange tijd moeten samenwerken om hun kind groot te brengen, maar ook economisch moeten samenwerken met andere stellen die in hun directe omgeving leven. Het is duidelijk dat regelmatige seksuele contacten tussen man en vrouw hun onderlinge band versterkt, vergeleken met hun banden met andere vrouwen en mannen die zij dagelijks zien, maar met wie zij geen seksueel contact hebben. De verhulde ovulatie en een constante ontvankelijkheid bevorderen de totstandkoming van deze nieuwe functie van seks (nieuw naar de maatstaven van de meeste zoogdieren) als sociale bouwsteen, waardoor seks niet langer alleen maar een middel tot bevruchting is. Deze functie is niet, zoals in de traditionele, mannelijk-seksistische versie van de theorieën 1 en 2, een zoethoudertje dat een kille, berekenende vrouw aan een van seks verstoken man geeft, maar een prikkel voor beide geslachten. Niet alleen zijn alle tekenen van de vrouwelijke ovulatie verdwenen, maar de geslachtsdaad vindt bovendien in de privé-sfeer plaats, ter benadrukking van het onderscheid tussen seksuele en niet-seksuele partners binnen dezelfde besloten groep. Daar kan natuurlijk bij aangetekend worden dat de gibbons wél monogaam blijven, ondanks het feit dat ze niet constant beloond worden met seks, maar dat is gemakkelijk te verklaren: elk gibbonkoppel heeft vrijwel geen sociale contacten met andere gibbonkoppels en is in economisch opzicht volledig zelfstandig.” (Jared Diamond, De derde chimpansee)

Het ontstaan van het koppel bij de mens is een gevolg van de arbeidsverdeling tussen mannen en vrouwen. Mannen jaagden, maakten stenen werktuigen, zorgden voor vlees, en beschermden de groep. Vrouwen kookten en zorgden voor kinderen maar mannen speelden nu ook een rol in de opvoeding, zeker als de kinderen ouder werden en in het bijzonder bij de jongens. Voedsel verzamelen deden ze allebei maar voornamelijk de vrouwen. Het is opmerkelijk dat bij veel jagers & verzamelaars seksueel rijpe jongeren een periode van seksuele vrijheid en experimenteren kennen tot aan het huwelijk. Zelfs bij de streng religieuze Amish in de VSA is dit aanvaard. Ook dit wijst er op dat het (latere) leven in koppels bij de mens een praktische reden had: de opvoeding van de kinderen. Leven in koppels hield in het kader van het groepshuwelijk  geen seksuele exclusiviteit in maar de evolutie ging waarschijnlijk in die richting.

Dr. Marc Vermeersch   –   marc.vermeersch@gmail.com

Advertenties
Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

De onderdrukking van de vrouw in historisch perspectief (3) Verschillen tussen man en vrouw

De verschillen tussen man en vrouw worden in de hierna volgende tekst goed weergegeven. “Het begint bij de geboorte. De mannelijke baby is gemiddeld zwaarder en langer dan de vrouwelijke baby en hij heeft ook een snellere stofwisseling, wat tijdens de rest van zijn leven zo blijft. Dit kenmerk maakt hem geschikt voor een inspannende, actieve leefwijze. Pasgeboren jongetjes zijn beweeglijker, alsof ze liggen te trappelen om te beginnen met hun zware lichamelijke arbeid. Ook zien ze scherper, een herinnering aan de tijd dat ze, als volwassen jagers, de omgeving moesten inspecteren op sporen van prooidieren.

Mannelijke peuters zijn ook meer geïnteresseerd in het hanteren van gebruiksvoorwerpen en hebben eerder de neiging om op hun speelgoed te slaan, terwijl vrouwelijke peuters wat minder uitbundig zijn in hun spel. Mannelijke peuters zijn ook meer geïnteresseerd in rennen, springen, duwen en trekken; vrouwelijke peuters zitten meestal op de grond en spelen met de voorwerpen die voor hen liggen. Jongetjes zijn nieuwsgieriger naar nieuw speelgoed dat hun wordt aangeboden.

Deze verschillen doen zich voor, lang voordat er sprake kan zijn van invloed van de ouders op het ‘rolpatroon’ van de seksen. Ze zijn duidelijk aangeboren en sturen de jongetjes en meisjes ieder een iets andere richting op. Die richting zullen ze de rest van hun leven blijven volgen. De machtsspelletjes van mannelijke peuters zijn een duidelijke voorbode van hun latere fysieke machtsvertoon. En hun grotere belangstelling voor nieuwe voorwerpen – een belangstelling die gevaarlijk kan zijn – is een voorbode van de grotere risico’s die ze nemen als volwassen man. Al deze kenmerken ondersteunen het idee dat er bij onze soort een sterke verdeling van taken bestaat tussen de seksen.

Het volwassen lichaam van de man is gemiddeld zo’n 30 procent sterker dan dat van de vrouw, met spierweefsel dat bijna twee keer zo zwaar is. (De gemiddelde man heeft 26 kg spieren, de vrouw 15 kg). Een doorsneevrouw kan maar de helft van haar gewicht dragen, terwijl een doorsneeman twee keer zijn gewicht aankan. Ter ondersteuning van deze spierkracht heeft de man ook grotere botten, een groter hart en grotere longen, en heeft hij meer hemoglobine in het bloed. De hand van de vrouw heeft maar tweederde van de kracht van de mannelijke hand. Het volwassen mannelijke lichaam is ook iets langer dan dat van de vrouw. Het grotere skelet geeft de versterkte spierkracht een krachtiger basis. Gemiddeld is de man 10 procent zwaarder en 7 procent langer dan de vrouw.

Meisjes zijn minder kwetsbaar voor ziekte dan jongetjes. Dit voordeel blijven ze de rest van hun leven houden. Al zijn vrouwen dus niet zo sterk als mannen in spierkracht, ze zijn sterker in medische zin. Niet alleen hebben ze minder kwalen en overkomen hun minder ongelukken, er is ook minder kans dat ze bij de geboorte dood of misvormd zijn. Ze hebben minder kans op kleurenblindheid het verschil is enorm groot: mannen hebben 75 keer meer kans dat ze kleurenblind zijn. Vrouwen hebben ook minder kans op zware depressies, en plegen daardoor minder vaak zelfmoord.

Wat de zintuigen betreft: vrouwelijke peuters hebben een beter gehoor, een beter tastvermogen en een betere reuk. Ook dat voordeel blijven ze in de loop van hun leven houden. Als kind is ze voorzichtiger en meer gericht op fijne handvaardigheid. Meisjes zijn vloeiender in hun taalgebruik, terwijl jongens origineler zijn. Al deze onderzoeksresultaten wijzen op een diepgeworteld verschil in persoonlijkheid bij onze soort, wat weer wijst op een diepgewortelde taakverdeling in ons evolutionaire verleden.

De mannelijke baardgroei heeft uitsluitend een signaalfunctie. Daardoor is het mogelijk de sekse van een individu ook van grote afstand te bepalen. Dat mannelijke kinderen geen baardgroei hebben, is een bevestiging van het idee dat dit aanhangsel vooral dient als seksueel signaal. Na de puberteit groeit een baard die niet wordt geschoren met een snelheid van ongeveer 15 cm per jaar. Dat betekent dat hij na drie, vier jaar tot aan de navel zou reiken. In de oertijd moet dit een indrukwekkend gezicht zijn geweest; de mannelijke mens kon zich wat betreft het dramatische visuele effect meten met de mannetjesleeuw met zijn lange manen. Er is geen enkel ander biologisch kenmerk dat het uiterlijk van de man zoveel anders maakt dan dat van de vrouw.

De borsten van de vrouw vormen ook een belangrijk seksueel signaal. Vroeger werd ten onrechte beweerd dat ze alleen dienen voor de productie van melk, en dat de belangstelling die de man ervoor heeft van infantiele aard is. Dat is niet juist, want niet meer dan een derde van het borstweefsel heeft iets van doen met de melkproductie. Tweederde bestaat uit vetweefsel, waaraan ze hun vorm danken, maar dat niets van doen heeft met de melkproductie. En het is de ronde vorm die belangrijk is als seksueel signaal. Dat is bij de volwassen vrouw van het menselijke ras niet het geval. Haar borst blijft rond zolang ze in de seksueel actieve periode zit, van de puberteit tot de middelbare leeftijd.

De man heeft een diepere stem, de vrouw een hogere stem (groter verschil dan bij mensapen maar wij kunnen ook spreken; in Japan is dit gecultiveerd, vrouwen spreken er met hogere stemmen en zelfs een andere taal.”

Voor wat betreft de intelligentie zijn de verschillen tussen mannen en vrouwen verbazingwekkend klein. “Hoe groot zijn nu eigenlijk die sekseverschillen met betrekking tot ruimtelijk inzicht? Voor de omvang van een sekseverschil hanteren de onderzoekers gewoonlijk een grootheid die ze de effectomvang, of d noemen. Voor degenen die met statistiek vertrouw zijn, vertel ik dat d wordt gedefinieerd als de gemiddelde mannelijke score min de gemiddelde vrouwelijke score, gedeeld door de standaardafwijking. Voor degenen die niet met statistiek vertrouwd zijn en die dàt ook niet willen worden, is het eenvoudiger d te beschouwen als een getal dat uitdrukt hoe groot een sekseverschil is. Als d gelijk is aan nul, bestaat er geen sekseverschil, als d circa 0,2 is wordt het verschil gewoonlijk als gering beschouwd, terwijl 0,5 een middelmatig en alles boven 0,8 een groot verschil vormt.

De grootste effectomvang zien we bij lichamelijke kenmerken zoals lengte of kracht, waarbij de mannen ver boven het vrouwelijke gemiddelde uitsteken. Bij de lengte is d gelijk aan 2,0 en de gemiddelde effectomvang van de afstand waarover zeventienjarige jongens en meisjes een bal kunnen werpen, is bij benadering 3,0. Als een effectomvang zo groot is, betekent dit dat de geslachten elkaar maar weinig overlappen. Als je bijvoorbeeld een groep van vijftig mannen en vijftig vrouwen neemt, en hen opsplitst in vijftig langen en vijftig korten, bestaat de lange helft gemiddeld uit vijfenveertig mannen en maar vijf vrouwen. Een kleine effectomvang brengt echter veel overlapping met zich mee. Zo bedraagt de effectomvang bij het schrijven van essays ongeveer 0,09. Als je dezelfde groep van honderd mannen en vrouwen op splitst in de vijftig beste en de vijftig slechtste schrijvers, mag je verwachten dat de vijftig besten uit zesentwintig vrouwen en vierentwintig mannen bestaan.

De defectomvang voor geestelijke en psychologische eigenschappen is in het algemeen veel kleiner dan die voor lichamelijke kenmerken. Het sekseverschil dat Hines aantrof bij het bedenken van synoniemen, was een van de grootste gepubliceerde cognitieve sekseverschillen, maar de effectomvang was slechts 1,2 – minder dan de helft van die voor lengte. Om die reden voeren sommige mensen aan dat de sekseverschillen op het gebied van geestelijke vermogens in werkelijkheid zeer onbeduidend zijn. Maar vanuit een ander gezichtspunt beschouwd lijken ze echter helemaal niet zo onbeduidend.

Bij het onderzoek van Hines komt de effectomvang van 1,2 erop neer dat 73 procent van de vrouwen, en slechts 27 procent van de mannen een resultaat bij de test behaalde dat boven het gemiddelde lag, en in een groep van vijftig mannen en vijftig vrouwen zouden de eerste tien uit negen vrouwen en maar één man bestaan. Als de resultaten van de test mee zouden tellen voor een examen, kun je er zeker van zijn dat de mannelijke studenten die eraan deelnamen, zouden vinden dat er sprake was van een groot en oneerlijk – sekseverschil.

Andere verbale vermogens met een sekseverschil, zoals vloeiend woordgebruik of anagrammen, hebben doorgaans een geringe effectomvang van (ongeveer 0,2 – groot genoeg om ze te kunnen meten, maar te klein om in de praktijk gevolgen te hebben).

Bij het ruimtelijk inzicht ligt de zaak echter anders. De omvang van het sekseverschil is hierbij zo groot dat men het niet kan negeren. Bij mentale rotatietests behalen mannen consequent een beter resultaat dan vrouwen, en een effectomvang van d = 0,8 is kenmerkend. Bij onze denkbeeldige groep van honderd mensen zullen de vijftig besten drieëndertig mannen en zeventien vrouwen omvatten. En de top-tien bestaat uit acht mannen en twee vrouwen. Anders gezegd, het sekseverschil op het gebied van mentaal roteren heeft ongeveer dezelfde omvang als het verschil in intelligentiequotiënt (IQ) tussen doorsnee-eerstejaarsstudenten en mensen die gepromoveerd zijn, of als het verschil in lengte tussen dertien- en achttienjarige meisjes. Bij andere tests met betrekking tot ruimtelijk inzicht, naast mentaal roteren, loopt de effectomvang uiteen van een zeer geringe 0,2 of 0,3 tot 1,0, alle in het voordeel van de mannen.

Als u zich weleens heeft afgevraagd waarom bijna alle tieners die zich in een speelhal over de automaten met videospelletjes buigen jongens zijn, kan het antwoord misschien liggen in een bijzonder soort ruimtelijk gen. Dynamisch ruimtelijk inzicht is de kunst om naar een bewegend voorwerp te kijken en zijn baan te voorspellen. Een snelle bal raken bij honkbal, kleiduiven schieten of een rugbybal overspelen naar een rennende ploeggenoot, vergen allemaal dynamisch ruimtelijk inzicht. Meer dan tien jaar geleden publiceerde een onderzoeker een grote mannelijke voorsprong bij een primitief soort videotennisspelletje. De mannelijke en vrouwelijke proefpersonen presteerden aan het begin van het experiment even slecht, maar in de loop van vijf dagen oefenen verbeterden de prestaties van de mannen snel, hoewel de vrouwen veel trouwer kwamen opdagen en er evenveel belang in stelden om een goed resultaat te behalen. Wat korter geleden ontwierp Douglas Jackson aan de Universiteit van West-Ontario een computerspel waarbij de speler op voorwerpen die over het beeldscherm bewegen, moet schieten door op bepaalde toetsen van het computertoetsenbord te drukken. Volgens Jackson is het sekseverschil in dit geval nog groter dan dat voor mentaal roteren, en lijkt het niet het gevolg te zijn van het feit dat mannen vaker videospelletjes spelen. Toen de proefpersonen met het spel kennis maakten, was er nog maar een klein verschil in score. Net als bij het vorige experiment werd het sekseverschil groter naarmate de mensen langer met het spel omgingen. Als de mannelijke voorsprong het gevolg was van vroegere ervaring, zou het sekseverschil kleiner moeten worden naarmate de vrouwen meer oefenden. Gezien deze resultaten, zegt Jackson, moet de verklaring voor het feit dat de meeste verslaafden aan videospelletjes jongens zijn, worden gezocht in de oude wijsheid dat mensen graag doen waar ze goed in zijn: mannen putten meer dan vrouwen plezier uit spelletjes die een-beroep doen op hun dynamisch ruimtelijk inzicht.

Niet alleen bij videospelletjes vertonen mannen een voorsprong bij het mikken op een bewegend doel. Ook bij het schieten op bewegende doelen zoals kleiduivenschieten, behalen mannen consequent meer punten dan vrouwen. Niet omdat mannen beter met een buks overweg kunnen, want beide geslachten presteren even goed bij het schieten met een buks van klein kaliber op een vaste schietschijf. Bij de wedstrijden buksschieten van zowel de National Collegia, als de Athletic Association, als die van de National Rifle Association (NRA) treden mannen en vrouwen op gelijke grondslag aan in een open competitie, en in 1993 werd het nationale kampioenschap buks schieten van de NRA door een vrouw gewonnen. Maar er treedt een sekseverschil op zodra het doel beweegt, en bij het kleiduivenschieten, waarbij het doel in een onvoorspelbare baan komt aangevlogen, bestaat de top hoofdzakelijk uit mannen.

De mannelijke voorsprong op het gebied van ruimtelijk inzicht heeft vermoedelijk grotere gevolgen dan de meeste andere sekseverschillen, omdat het een van de grootste verschillen is en omdat ruimtelijk inzicht bij veel beroepen van wezenlijk belang is – niet alleen voor rugbyspelers en kleiduivenschutters. Uit onderzoek is bijvoorbeeld gebleken dat middelbare scholieren met een groot ruimtelijk inzicht de besten waren in meetkunde,  technisch tekenen en handenarbeid, en bij de laatste twee vakken is ruimtelijk inzicht belangrijker dan IQ. De vaardigheden die bij het onderwijs in deze vakken worden verworven, zijn belangrijk voor natuurwetenschap, bouwkunde, technisch tekenen en ontwerpen, en uit onderzoek blijkt dat een groot ruimtelijk inzicht vaak gekoppeld is aan het slagen in uiteenlopende beroepen, van automonteur tot architect of horlogemaker.

Het sekseverschil op het gebied van ruimtelijk inzicht kan ook van invloed zijn op de wiskunde, waarbij mannen een middelmatige voorsprong hebben, groter dan het sekseverschil voor verbale vaardigheid, maar kleiner dan het verschil voor ruimtelijk inzicht. (De voorsprong neemt toe bij de slimste leerlingen, zoals Camilla Benbow heeft aangetoond.) Aangezien bij veel onderdelen van de wiskunde – in het bijzonder bij meetkunde, trigonometrie en differentiaalrekening – een goed begrip in hoge mate afhangt van ruimtelijk inzicht, veronderstellen enkele onderzoekers dat het sekseverschil bij wiskunde voor het grootste deel het gevolg kan zijn van het feit dat mannen over een beter ruimtelijk inzicht beschikken. Als dat zo is, moet ruimtelijk inzicht van belang zijn bij alle beroepen waarin wiskunde een grote rol speelt en dat is het geval bij de meeste takken van wetenschap.

Het kan toeval zijn, maar toen ik materiaal voor dit boek verzamelde, viel me op dat veel vrouwelijke psychologen die zich met sekseverschillen bezighouden, een wiskundige achtergrond hebben. Ze hebben ofwel aanvankelijk wiskunde gestudeerd, ofwel wiskunde als bijvak gekozen, en in ieder geval beweerden ze dat ze wiskunde leuk vonden en waren ze er goed in op school. Het hoeft verder niets te betekenen, maar het toont wel aan dat maar weinig mensen, mannen of vrouwen, in bèta- of gamma vakken kunnen slagen zonder in de wiskunde thuis te zijn.

Behalve verbale, ruimtelijke en wiskundige vaardigheid vertonen diverse andere denkfuncties sekseverschillen, die gewoonlijk in het voordeel van de vrouwen uitvallen. Vrouwen kunnen in het algemeen sneller details in tekeningen of letter- of cijferreeksen herkennen, een vaardigheid die we ‘perceptiesnelheid’ noemen. Een manier om de perceptiesnelheid te meten is de getallenvergelijkingstest. Daarbij moet de proefpersoon getallenparen met elkaar vergelijken – zoals bijvoorbeeld 20405545 en 20405455 – en zo snel mogelijk bepalen of de cijfers in beide getallen gelijk zijn. Bij een andere test wordt aan de proefpersoon een eenvoudige lijntekening getoond en moet hij snel uit vijf ongeveer gelijke plaatjes de identieke afbeelding zoeken.

Vrouwen hebben ook een beter geheugen dan mannen, althans voor bepaalde zaken. Diane McGuinness en haar collega’s Amy Olson en Julia Chapman hebben een kenmerkend onderzoek uitgevoerd. Ze toetsten en een kleiner percentage mannen dan vrouwen had een IQ tussen de 95 en 105, maar een groter percentage mannen in de twee uiterste gebieden onder de 70 en boven de 130, bijvoorbeeld. Anders gezegd, hoewel mannen en vrouwen gemiddeld dezelfde intelligentie hebben, moeten er meer zeer slimme, maar ook meer uiterst domme mannen dan vrouwen zijn. Het verschil in variabiliteit is niet groot. Statistisch gesproken is de standaardafwijking ongeveer één IQ-punt hoger bij mannen dan bij vrouwen. In een klas met normale kinderen zal het niet opvallen, maar zelfs een klein sekseverschil in variabiliteit moet, als het bestaat, merkbaar zijn in de uiterste gebieden. Een zo’n gering verschil als één IQ-punt in de standaard­afwijking zal ervoor zorgen dat bijna tweemaal zoveel mannen als vrouwen een IQ onder de 55 hebben – en bijna tweemaal zoveel een IQ boven de 145.

Om die reden is het een hachelijk onderwerp. Als het waar is dat mannen variabeler zijn, zullen er onvermijdelijk meer mannelijke dan vrouwelijke genieën zijn en die mogelijkheid is voor veel mensen nogal onthutsend. En het feit dat er ook meer mannen zullen zijn die geestelijk onvolwaardig zijn, lijkt het evenwicht niet te herstellen. Een aantal wetenschappers heeft de bewering dat er sprake is van een grotere mannelijke variabiliteit in twijfel getrokken, maar alle gegevens lijken toch in die richting te wijzen. Maar weinig mensen twijfelen er bijvoorbeeld aan dat er meer mannen dan vrouwen met een geestelijke achterstand zijn, en het grotere aantal jongens dat extra hulp nodig heeft om te leren lezen, kan gedeeltelijk het gevolg zijn van een grotere variabiliteit in het leesvermogen onder mannen. Camilla Benbow heeft ontdekt dat bij wiskundig vroegrijpe kinderen de jongens variabeler presteren dan meisjes bij het wiskundegedeelte van de SAT. Benbow merkt ook op dat jongens bij spellingtoetsen veel variabeler zijn dan meisjes. Dit heeft tot gevolg dat ofschoon meisjes gemiddeld veel beter spellen dan jongens (de gemiddelde jongen is slechter dan 70 procent van de meisjes), de beste groep bij het spellen uit een gelijk aantal jongens als meisjes bestaat. En in een grootschalig onderzoek bestudeerden David Lubinski van de lowa State-universiteit en René Dawis van de Universiteit van Minnesota de gestandaardiseerde testresultaten van 360.000 middelbare scholieren. Ze berekenden dat jongens variabeler op alle gebieden zijn: verbale, wiskundige, ruimtelijke en algemene intelligentie. (De mannelijke standaardafwijking was meer dan één IQ-punt groter.)

Samenvattend kunnen we zeggen dat er geen eenvoudige manier bestaat om mannen en vrouwen met elkaar te vergelijken. Ze variëren wat uiteenlopende lichamelijke, psychologische en geestelijke eigenschappen betreft, waarvan sommige overeenkomen met de bestaande vooroordelen, en andere ons verbazen.

Als we naar deze verschillen kijken, mogen we twee belangrijke dingen niet uit het oog verliezen. In de eerste plaats zijn mannen en vrouwen op de meeste gebieden veel meer gelijk dan dat ze verschillen. Zo is het mogelijk om bij het wiskundegedeelte statistische verschillen tussen de geslachten te vinden, maar als je een willekeurige stapel antwoorden neemt, de namen bedekt en vervolgens iemand vraagt een mannelijk en een vrouwelijk stapeltje te maken, is dat ronduit onmogelijk. Door al te veel naar de verschillen te kijken zouden we haast vergeten hoe groot de overeenkomsten zijn.

In de tweede plaats betekent het bestaan van verschillen niet dat een van beide geslachten beter zou zijn dan het andere. Carol Gilligan voert in haar boek In a Different Voice aan dat de morele codes van jongens en meisjes die respectievelijk gebaseerd zijn op egoïstische en op altruïstische overwegingen – elkaar aanvullen en dat de morele code van de volwassen mens wordt gevormd door een integratie en vereniging van de twee onvolwassen uitersten. Anders gezegd – je hebt ze alle twee nodig. In ‘Je begrijpt me gewoon niet’ komt Deborah Tannen tot de conclusie dat hoewel mannen en vrouwen zich op verschillende manieren uitdrukken, elk van beide ‘op zich geldig is’ en geen van beide beschouwd kan worden als de ‘correcte’ wijze van communicatie.

Diane McGuinness formuleert het bijzonder goed als ze cognitieve verschillen behandelt: ‘De geslachten verschillen niet qua intelligentie, maar alleen wat de ‘gereedschappen’ betreft die ze gebruiken om problemen op te lossen en wat het soort problemen betreft dat ze willen oplossen.’ Figuurlijk gesproken kunnen mannen en vrouwen verschillende voorwerpen in hun gereedschapskist meedragen, maar de gereedschapskisten zijn even groot.” [1]

Mannen zijn ongeveer 10% groter dan vrouwen, 10% sneller als ze lopen, ze wegen 20% meer en zijn 30% sterker.

[1] Robert Pool, Eva’s rib, een fascinerende kijk op sekseverschillen, De Boekerij, Amsterdam, 1995, p.75-81.

Verschillen tussen man en vrouw

De verschillen tussen man en vrouw worden in de hierna volgende tekst goed weergegeven. “Het begint bij de geboorte. De mannelijke baby is gemiddeld zwaarder en langer dan de vrouwelijke baby en hij heeft ook een snellere stofwisseling, wat tijdens de rest van zijn leven zo blijft. Dit kenmerk maakt hem geschikt voor een inspannende, actieve leefwijze. Pasgeboren jongetjes zijn beweeglijker, alsof ze liggen te trappelen om te beginnen met hun zware lichamelijke arbeid. Ook zien ze scherper, een herinnering aan de tijd dat ze, als volwassen jagers, de omgeving moesten inspecteren op sporen van prooidieren.

Mannelijke peuters zijn ook meer geïnteresseerd in het hanteren van gebruiksvoorwerpen en hebben eerder de neiging om op hun speelgoed te slaan, terwijl vrouwelijke peuters wat minder uitbundig zijn in hun spel. Mannelijke peuters zijn ook meer geïnteresseerd in rennen, springen, duwen en trekken; vrouwelijke peuters zitten meestal op de grond en spelen met de voorwerpen die voor hen liggen. Jongetjes zijn nieuwsgieriger naar nieuw speelgoed dat hun wordt aangeboden.

Deze verschillen doen zich voor, lang voordat er sprake kan zijn van invloed van de ouders op het ‘rolpatroon’ van de seksen. Ze zijn duidelijk aangeboren en sturen de jongetjes en meisjes ieder een iets andere richting op. Die richting zullen ze de rest van hun leven blijven volgen. De machtsspelletjes van mannelijke peuters zijn een duidelijke voorbode van hun latere fysieke machtsvertoon. En hun grotere belangstelling voor nieuwe voorwerpen – een belangstelling die gevaarlijk kan zijn – is een voorbode van de grotere risico’s die ze nemen als volwassen man. Al deze kenmerken ondersteunen het idee dat er bij onze soort een sterke verdeling van taken bestaat tussen de seksen.

Het volwassen lichaam van de man is gemiddeld zo’n 30 procent sterker dan dat van de vrouw, met spierweefsel dat bijna twee keer zo zwaar is. (De gemiddelde man heeft 26 kg spieren, de vrouw 15 kg). Een doorsneevrouw kan maar de helft van haar gewicht dragen, terwijl een doorsneeman twee keer zijn gewicht aankan. Ter ondersteuning van deze spierkracht heeft de man ook grotere botten, een groter hart en grotere longen, en heeft hij meer hemoglobine in het bloed. De hand van de vrouw heeft maar tweederde van de kracht van de mannelijke hand. Het volwassen mannelijke lichaam is ook iets langer dan dat van de vrouw. Het grotere skelet geeft de versterkte spierkracht een krachtiger basis. Gemiddeld is de man 10 procent zwaarder en 7 procent langer dan de vrouw.

Meisjes zijn minder kwetsbaar voor ziekte dan jongetjes. Dit voordeel blijven ze de rest van hun leven houden. Al zijn vrouwen dus niet zo sterk als mannen in spierkracht, ze zijn sterker in medische zin. Niet alleen hebben ze minder kwalen en overkomen hun minder ongelukken, er is ook minder kans dat ze bij de geboorte dood of misvormd zijn. Ze hebben minder kans op kleurenblindheid het verschil is enorm groot: mannen hebben 75 keer meer kans dat ze kleurenblind zijn. Vrouwen hebben ook minder kans op zware depressies, en plegen daardoor minder vaak zelfmoord.

Wat de zintuigen betreft: vrouwelijke peuters hebben een beter gehoor, een beter tastvermogen en een betere reuk. Ook dat voordeel blijven ze in de loop van hun leven houden. Als kind is ze voorzichtiger en meer gericht op fijne handvaardigheid. Meisjes zijn vloeiender in hun taalgebruik, terwijl jongens origineler zijn. Al deze onderzoeksresultaten wijzen op een diepgeworteld verschil in persoonlijkheid bij onze soort, wat weer wijst op een diepgewortelde taakverdeling in ons evolutionaire verleden.

De mannelijke baardgroei heeft uitsluitend een signaalfunctie. Daardoor is het mogelijk de sekse van een individu ook van grote afstand te bepalen. Dat mannelijke kinderen geen baardgroei hebben, is een bevestiging van het idee dat dit aanhangsel vooral dient als seksueel signaal. Na de puberteit groeit een baard die niet wordt geschoren met een snelheid van ongeveer 15 cm per jaar. Dat betekent dat hij na drie, vier jaar tot aan de navel zou reiken. In de oertijd moet dit een indrukwekkend gezicht zijn geweest; de mannelijke mens kon zich wat betreft het dramatische visuele effect meten met de mannetjesleeuw met zijn lange manen. Er is geen enkel ander biologisch kenmerk dat het uiterlijk van de man zoveel anders maakt dan dat van de vrouw.

De borsten van de vrouw vormen ook een belangrijk seksueel signaal. Vroeger werd ten onrechte beweerd dat ze alleen dienen voor de productie van melk, en dat de belangstelling die de man ervoor heeft van infantiele aard is. Dat is niet juist, want niet meer dan een derde van het borstweefsel heeft iets van doen met de melkproductie. Tweederde bestaat uit vetweefsel, waaraan ze hun vorm danken, maar dat niets van doen heeft met de melkproductie. En het is de ronde vorm die belangrijk is als seksueel signaal. Dat is bij de volwassen vrouw van het menselijke ras niet het geval. Haar borst blijft rond zolang ze in de seksueel actieve periode zit, van de puberteit tot de middelbare leeftijd.

De man heeft een diepere stem, de vrouw een hogere stem (groter verschil dan bij mensapen maar wij kunnen ook spreken; in Japan is dit gecultiveerd, vrouwen spreken er met hogere stemmen en zelfs een andere taal.”

Voor wat betreft de intelligentie zijn de verschillen tussen mannen en vrouwen verbazingwekkend klein. “Hoe groot zijn nu eigenlijk die sekseverschillen met betrekking tot ruimtelijk inzicht? Voor de omvang van een sekseverschil hanteren de onderzoekers gewoonlijk een grootheid die ze de effectomvang, of d noemen. Voor degenen die met statistiek vertrouw zijn, vertel ik dat d wordt gedefinieerd als de gemiddelde mannelijke score min de gemiddelde vrouwelijke score, gedeeld door de standaardafwijking. Voor degenen die niet met statistiek vertrouwd zijn en die dàt ook niet willen worden, is het eenvoudiger d te beschouwen als een getal dat uitdrukt hoe groot een sekseverschil is. Als d gelijk is aan nul, bestaat er geen sekseverschil, als d circa 0,2 is wordt het verschil gewoonlijk als gering beschouwd, terwijl 0,5 een middelmatig en alles boven 0,8 een groot verschil vormt.

De grootste effectomvang zien we bij lichamelijke kenmerken zoals lengte of kracht, waarbij de mannen ver boven het vrouwelijke gemiddelde uitsteken. Bij de lengte is d gelijk aan 2,0 en de gemiddelde effectomvang van de afstand waarover zeventienjarige jongens en meisjes een bal kunnen werpen, is bij benadering 3,0. Als een effectomvang zo groot is, betekent dit dat de geslachten elkaar maar weinig overlappen. Als je bijvoorbeeld een groep van vijftig mannen en vijftig vrouwen neemt, en hen opsplitst in vijftig langen en vijftig korten, bestaat de lange helft gemiddeld uit vijfenveertig mannen en maar vijf vrouwen. Een kleine effectomvang brengt echter veel overlapping met zich mee. Zo bedraagt de effectomvang bij het schrijven van essays ongeveer 0,09. Als je dezelfde groep van honderd mannen en vrouwen op splitst in de vijftig beste en de vijftig slechtste schrijvers, mag je verwachten dat de vijftig besten uit zesentwintig vrouwen en vierentwintig mannen bestaan.

De defectomvang voor geestelijke en psychologische eigenschappen is in het algemeen veel kleiner dan die voor lichamelijke kenmerken. Het sekseverschil dat Hines aantrof bij het bedenken van synoniemen, was een van de grootste gepubliceerde cognitieve sekseverschillen, maar de effectomvang was slechts 1,2 – minder dan de helft van die voor lengte. Om die reden voeren sommige mensen aan dat de sekseverschillen op het gebied van geestelijke vermogens in werkelijkheid zeer onbeduidend zijn. Maar vanuit een ander gezichtspunt beschouwd lijken ze echter helemaal niet zo onbeduidend.

Bij het onderzoek van Hines komt de effectomvang van 1,2 erop neer dat 73 procent van de vrouwen, en slechts 27 procent van de mannen een resultaat bij de test behaalde dat boven het gemiddelde lag, en in een groep van vijftig mannen en vijftig vrouwen zouden de eerste tien uit negen vrouwen en maar één man bestaan. Als de resultaten van de test mee zouden tellen voor een examen, kun je er zeker van zijn dat de mannelijke studenten die eraan deelnamen, zouden vinden dat er sprake was van een groot en oneerlijk – sekseverschil.

Andere verbale vermogens met een sekseverschil, zoals vloeiend woordgebruik of anagrammen, hebben doorgaans een geringe effectomvang van (ongeveer 0,2 – groot genoeg om ze te kunnen meten, maar te klein om in de praktijk gevolgen te hebben).

Bij het ruimtelijk inzicht ligt de zaak echter anders. De omvang van het sekseverschil is hierbij zo groot dat men het niet kan negeren. Bij mentale rotatietests behalen mannen consequent een beter resultaat dan vrouwen, en een effectomvang van d = 0,8 is kenmerkend. Bij onze denkbeeldige groep van honderd mensen zullen de vijftig besten drieëndertig mannen en zeventien vrouwen omvatten. En de top-tien bestaat uit acht mannen en twee vrouwen. Anders gezegd, het sekseverschil op het gebied van mentaal roteren heeft ongeveer dezelfde omvang als het verschil in intelligentiequotiënt (IQ) tussen doorsnee-eerstejaarsstudenten en mensen die gepromoveerd zijn, of als het verschil in lengte tussen dertien- en achttienjarige meisjes. Bij andere tests met betrekking tot ruimtelijk inzicht, naast mentaal roteren, loopt de effectomvang uiteen van een zeer geringe 0,2 of 0,3 tot 1,0, alle in het voordeel van de mannen.

Als u zich weleens heeft afgevraagd waarom bijna alle tieners die zich in een speelhal over de automaten met videospelletjes buigen jongens zijn, kan het antwoord misschien liggen in een bijzonder soort ruimtelijk gen. Dynamisch ruimtelijk inzicht is de kunst om naar een bewegend voorwerp te kijken en zijn baan te voorspellen. Een snelle bal raken bij honkbal, kleiduiven schieten of een rugbybal overspelen naar een rennende ploeggenoot, vergen allemaal dynamisch ruimtelijk inzicht. Meer dan tien jaar geleden publiceerde een onderzoeker een grote mannelijke voorsprong bij een primitief soort videotennisspelletje. De mannelijke en vrouwelijke proefpersonen presteerden aan het begin van het experiment even slecht, maar in de loop van vijf dagen oefenen verbeterden de prestaties van de mannen snel, hoewel de vrouwen veel trouwer kwamen opdagen en er evenveel belang in stelden om een goed resultaat te behalen. Wat korter geleden ontwierp Douglas Jackson aan de Universiteit van West-Ontario een computerspel waarbij de speler op voorwerpen die over het beeldscherm bewegen, moet schieten door op bepaalde toetsen van het computertoetsenbord te drukken. Volgens Jackson is het sekseverschil in dit geval nog groter dan dat voor mentaal roteren, en lijkt het niet het gevolg te zijn van het feit dat mannen vaker videospelletjes spelen. Toen de proefpersonen met het spel kennis maakten, was er nog maar een klein verschil in score. Net als bij het vorige experiment werd het sekseverschil groter naarmate de mensen langer met het spel omgingen. Als de mannelijke voorsprong het gevolg was van vroegere ervaring, zou het sekseverschil kleiner moeten worden naarmate de vrouwen meer oefenden. Gezien deze resultaten, zegt Jackson, moet de verklaring voor het feit dat de meeste verslaafden aan videospelletjes jongens zijn, worden gezocht in de oude wijsheid dat mensen graag doen waar ze goed in zijn: mannen putten meer dan vrouwen plezier uit spelletjes die een-beroep doen op hun dynamisch ruimtelijk inzicht.

Niet alleen bij videospelletjes vertonen mannen een voorsprong bij het mikken op een bewegend doel. Ook bij het schieten op bewegende doelen zoals kleiduivenschieten, behalen mannen consequent meer punten dan vrouwen. Niet omdat mannen beter met een buks overweg kunnen, want beide geslachten presteren even goed bij het schieten met een buks van klein kaliber op een vaste schietschijf. Bij de wedstrijden buksschieten van zowel de National Collegia, als de Athletic Association, als die van de National Rifle Association (NRA) treden mannen en vrouwen op gelijke grondslag aan in een open competitie, en in 1993 werd het nationale kampioenschap buks schieten van de NRA door een vrouw gewonnen. Maar er treedt een sekseverschil op zodra het doel beweegt, en bij het kleiduivenschieten, waarbij het doel in een onvoorspelbare baan komt aangevlogen, bestaat de top hoofdzakelijk uit mannen.

De mannelijke voorsprong op het gebied van ruimtelijk inzicht heeft vermoedelijk grotere gevolgen dan de meeste andere sekseverschillen, omdat het een van de grootste verschillen is en omdat ruimtelijk inzicht bij veel beroepen van wezenlijk belang is – niet alleen voor rugbyspelers en kleiduivenschutters. Uit onderzoek is bijvoorbeeld gebleken dat middelbare scholieren met een groot ruimtelijk inzicht de besten waren in meetkunde,  technisch tekenen en handenarbeid, en bij de laatste twee vakken is ruimtelijk inzicht belangrijker dan IQ. De vaardigheden die bij het onderwijs in deze vakken worden verworven, zijn belangrijk voor natuurwetenschap, bouwkunde, technisch tekenen en ontwerpen, en uit onderzoek blijkt dat een groot ruimtelijk inzicht vaak gekoppeld is aan het slagen in uiteenlopende beroepen, van automonteur tot architect of horlogemaker.

Het sekseverschil op het gebied van ruimtelijk inzicht kan ook van invloed zijn op de wiskunde, waarbij mannen een middelmatige voorsprong hebben, groter dan het sekseverschil voor verbale vaardigheid, maar kleiner dan het verschil voor ruimtelijk inzicht. (De voorsprong neemt toe bij de slimste leerlingen, zoals Camilla Benbow heeft aangetoond.) Aangezien bij veel onderdelen van de wiskunde – in het bijzonder bij meetkunde, trigonometrie en differentiaalrekening – een goed begrip in hoge mate afhangt van ruimtelijk inzicht, veronderstellen enkele onderzoekers dat het sekseverschil bij wiskunde voor het grootste deel het gevolg kan zijn van het feit dat mannen over een beter ruimtelijk inzicht beschikken. Als dat zo is, moet ruimtelijk inzicht van belang zijn bij alle beroepen waarin wiskunde een grote rol speelt en dat is het geval bij de meeste takken van wetenschap.

Het kan toeval zijn, maar toen ik materiaal voor dit boek verzamelde, viel me op dat veel vrouwelijke psychologen die zich met sekseverschillen bezighouden, een wiskundige achtergrond hebben. Ze hebben ofwel aanvankelijk wiskunde gestudeerd, ofwel wiskunde als bijvak gekozen, en in ieder geval beweerden ze dat ze wiskunde leuk vonden en waren ze er goed in op school. Het hoeft verder niets te betekenen, maar het toont wel aan dat maar weinig mensen, mannen of vrouwen, in bèta- of gamma vakken kunnen slagen zonder in de wiskunde thuis te zijn.

Behalve verbale, ruimtelijke en wiskundige vaardigheid vertonen diverse andere denkfuncties sekseverschillen, die gewoonlijk in het voordeel van de vrouwen uitvallen. Vrouwen kunnen in het algemeen sneller details in tekeningen of letter- of cijferreeksen herkennen, een vaardigheid die we ‘perceptiesnelheid’ noemen. Een manier om de perceptiesnelheid te meten is de getallenvergelijkingstest. Daarbij moet de proefpersoon getallenparen met elkaar vergelijken – zoals bijvoorbeeld 20405545 en 20405455 – en zo snel mogelijk bepalen of de cijfers in beide getallen gelijk zijn. Bij een andere test wordt aan de proefpersoon een eenvoudige lijntekening getoond en moet hij snel uit vijf ongeveer gelijke plaatjes de identieke afbeelding zoeken.

Vrouwen hebben ook een beter geheugen dan mannen, althans voor bepaalde zaken. Diane McGuinness en haar collega’s Amy Olson en Julia Chapman hebben een kenmerkend onderzoek uitgevoerd. Ze toetsten en een kleiner percentage mannen dan vrouwen had een IQ tussen de 95 en 105, maar een groter percentage mannen in de twee uiterste gebieden onder de 70 en boven de 130, bijvoorbeeld. Anders gezegd, hoewel mannen en vrouwen gemiddeld dezelfde intelligentie hebben, moeten er meer zeer slimme, maar ook meer uiterst domme mannen dan vrouwen zijn. Het verschil in variabiliteit is niet groot. Statistisch gesproken is de standaardafwijking ongeveer één IQ-punt hoger bij mannen dan bij vrouwen. In een klas met normale kinderen zal het niet opvallen, maar zelfs een klein sekseverschil in variabiliteit moet, als het bestaat, merkbaar zijn in de uiterste gebieden. Een zo’n gering verschil als één IQ-punt in de standaard­afwijking zal ervoor zorgen dat bijna tweemaal zoveel mannen als vrouwen een IQ onder de 55 hebben – en bijna tweemaal zoveel een IQ boven de 145.

Om die reden is het een hachelijk onderwerp. Als het waar is dat mannen variabeler zijn, zullen er onvermijdelijk meer mannelijke dan vrouwelijke genieën zijn en die mogelijkheid is voor veel mensen nogal onthutsend. En het feit dat er ook meer mannen zullen zijn die geestelijk onvolwaardig zijn, lijkt het evenwicht niet te herstellen. Een aantal wetenschappers heeft de bewering dat er sprake is van een grotere mannelijke variabiliteit in twijfel getrokken, maar alle gegevens lijken toch in die richting te wijzen. Maar weinig mensen twijfelen er bijvoorbeeld aan dat er meer mannen dan vrouwen met een geestelijke achterstand zijn, en het grotere aantal jongens dat extra hulp nodig heeft om te leren lezen, kan gedeeltelijk het gevolg zijn van een grotere variabiliteit in het leesvermogen onder mannen. Camilla Benbow heeft ontdekt dat bij wiskundig vroegrijpe kinderen de jongens variabeler presteren dan meisjes bij het wiskundegedeelte van de SAT. Benbow merkt ook op dat jongens bij spellingtoetsen veel variabeler zijn dan meisjes. Dit heeft tot gevolg dat ofschoon meisjes gemiddeld veel beter spellen dan jongens (de gemiddelde jongen is slechter dan 70 procent van de meisjes), de beste groep bij het spellen uit een gelijk aantal jongens als meisjes bestaat. En in een grootschalig onderzoek bestudeerden David Lubinski van de lowa State-universiteit en René Dawis van de Universiteit van Minnesota de gestandaardiseerde testresultaten van 360.000 middelbare scholieren. Ze berekenden dat jongens variabeler op alle gebieden zijn: verbale, wiskundige, ruimtelijke en algemene intelligentie. (De mannelijke standaardafwijking was meer dan één IQ-punt groter.)

Samenvattend kunnen we zeggen dat er geen eenvoudige manier bestaat om mannen en vrouwen met elkaar te vergelijken. Ze variëren wat uiteenlopende lichamelijke, psychologische en geestelijke eigenschappen betreft, waarvan sommige overeenkomen met de bestaande vooroordelen, en andere ons verbazen.

Als we naar deze verschillen kijken, mogen we twee belangrijke dingen niet uit het oog verliezen. In de eerste plaats zijn mannen en vrouwen op de meeste gebieden veel meer gelijk dan dat ze verschillen. Zo is het mogelijk om bij het wiskundegedeelte statistische verschillen tussen de geslachten te vinden, maar als je een willekeurige stapel antwoorden neemt, de namen bedekt en vervolgens iemand vraagt een mannelijk en een vrouwelijk stapeltje te maken, is dat ronduit onmogelijk. Door al te veel naar de verschillen te kijken zouden we haast vergeten hoe groot de overeenkomsten zijn.

In de tweede plaats betekent het bestaan van verschillen niet dat een van beide geslachten beter zou zijn dan het andere. Carol Gilligan voert in haar boek In a Different Voice aan dat de morele codes van jongens en meisjes die respectievelijk gebaseerd zijn op egoïstische en op altruïstische overwegingen – elkaar aanvullen en dat de morele code van de volwassen mens wordt gevormd door een integratie en vereniging van de twee onvolwassen uitersten. Anders gezegd – je hebt ze alle twee nodig. In ‘Je begrijpt me gewoon niet’ komt Deborah Tannen tot de conclusie dat hoewel mannen en vrouwen zich op verschillende manieren uitdrukken, elk van beide ‘op zich geldig is’ en geen van beide beschouwd kan worden als de ‘correcte’ wijze van communicatie.

Diane McGuinness formuleert het bijzonder goed als ze cognitieve verschillen behandelt: ‘De geslachten verschillen niet qua intelligentie, maar alleen wat de ‘gereedschappen’ betreft die ze gebruiken om problemen op te lossen en wat het soort problemen betreft dat ze willen oplossen.’ Figuurlijk gesproken kunnen mannen en vrouwen verschillende voorwerpen in hun gereedschapskist meedragen, maar de gereedschapskisten zijn even groot.” [1]

Mannen zijn ongeveer 10% groter dan vrouwen, 10% sneller als ze lopen, ze wegen 20% meer en zijn 30% sterker.

Dr. Marc Vermeersch –  marc.vermeersch@gmail.com

[1] Robert Pool, Eva’s rib, een fascinerende kijk op sekseverschillen, De Boekerij, Amsterdam, 1995, p.75-81.

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

De onderdrukking van de vrouw in historisch perspectief (2) De verhouding man–vrouw bij de mens

Bij de voorloper van de mens en bij de mens zelf zijn er de afgelopen zes miljoen jaren veel verschillende types geweest in oostelijk Afrika, die ook een grote genetische verscheidenheid vertegenwoordigden. Homo sapiens is de enige van die soorten en mensentypes die is blijven bestaan maar in Homo sapiens blijven genen bestaan van oudere mensentypes.

–          In West-Afrika: YA00, geen aparte naam. Dit Y-chromosoom is van een ouder mensentype dan Homo sapiens en blijft tot vandaag aanwezig bij zwarte mensen in Kameroen, Nigeria en de VSA.
–          Homo neanderthalensis
–          Homo Denisova
–          Homo X, een mensentype waarvan  we enkel genetische informatie hebben kwam voor in Siberië.

Natuurlijke selectie speelde dus een grote rol in oostelijk Afrika waar de grote veranderingen van het klimaat voor een grote natuurlijke selectie zorgden. Het grootste deel van de ook in oostelijk Afrika bestaande genetische verscheidenheid van de mens verdween daardoor.

De verhouding man–vrouw bij de mens

Jacht en arbeidsverdeling tussen man en vrouw bij de mens

We weten dat chimpansees regelmatig jagen en vlees eten. De voorlopers van de mens leefden bij de afsplitsing met de chimps waarschijnlijk op een gelijkaardige manier. De grotere fysieke kracht van de man bracht mee dat hij de vrouw overheerste. Bij Homo habilis/Homo rudolfensis maakte vlees een groter maar vooral een vast onderdeel van het dieet uit. Het vlees kon komen van de jacht, aas of het verzamelen van vogels, amfibieën, insecten, larven enzovoort. De mens kon dank zij het vlees met minder inspanning aan de nodige calorieën komen. Zijn hersenen konden groeien dank zij het vlees en de vetten. Regelmatige jacht bevorderde waarschijnlijk de taakverdeling tussen man en vrouw waarbij mannen voornamelijk jaagden en de stenen werktuigen maakten (en bij veel jagers en verzamelaars ook voor honig zorgden) en vrouwen vooral plantaardig voedsel verzamelden aangevuld met insecten, larven, eieren en klein wild. In het basiskamp kwamen deze producten samen en werden ze verdeeld. De opbrengst, het beschikbaar voedsel door deze taakverdeling was groter, de vroege mens verhoogde zijn productiviteit, hij kon groeien in alle opzichten.

De jacht op groot wild, vanaf 500.000 BP of vroeger, bracht waarschijnlijk ook een verder doorgedreven arbeidsverdeling mee. Er moesten geschikte stenen gezocht worden, wapens en werktuigen gemaakt. De karkassen moesten gevild en in stukken gehakt worden, het vlees moest bereid worden. Botten werden bewerkt, het merg werd er uitgehaald. Vet kon als zeer gegeerd voedsel en als brandstof gebruikt worden, als grondstof voor verf. Pezen werden gebruikt als koord en als snaar, huiden vroegen een intensieve bewerking. Waarschijnlijk ontwikkelde zich rond de jacht een hele ceremoniële activiteit en (later) een religieuze die zou uitgroeien tot het totemisme. Het gebruik van vuur kan een grote rol gespeeld hebben in het bereiden en bewaren van vlees. Er was hier ruimte en nood om al deze taken op een rationele manier te verdelen. Vrouwen met kleine kinderen, zeker zwangere vrouwen, konden niet aan de jacht op groot wild deelnemen. Linda Hurcombe geeft de redenen op: “Vrouwen die kinderen de borst geven kunnen hun kroost niet verlaten voor langere periodes, kinderen kunnen gemakkelijk bijdragen aan hun eigen voedselnoden als ze statische en meestal niet-bedreigende planten verzamelen, op jacht kan het zijn dat kinderen niet in staat zijn stil te blijven, snel genoeg te bewegen of ze kunnen een volwassene te veel vertragen als ze gedragen worden. De leeftijd van kinderen kan de rol van de vrouw in de strategie van het voedsel verzamelen beïnvloeden; de kinderen kunnen onder de hoede van ouderen van beide geslachten gelaten worden terwijl de jongere en fittere leden van de gemeenschap op weg gaan voor langere trips.” Een !Kungvrouw zoogde een kind gemiddeld vier jaar en kon zo moeilijk deelnemen aan de jacht. De onzekerheid van de jacht bracht mee dat het verzamelen van groenten en fruit moest blijven doorgaan. De pluk leverde overigens ook proteïnen op: eieren, larven, insecten, amfibieën enz. Samen met het onderhouden van het vuur en het (meestal) bouwen van hutten waren dat taken die de vrouwen op zich namen.”

In tegenstelling tot de Pan hebben bij jagers en verzamelaars man en vrouw een intense samenwerking. De man gaat met een groep mannen op jacht en zorgt voor een groot deel van de calorieën van vrouw en kinderen. Het resultaat van die samenwerking is dat de kinderen een langere leertijd kunnen krijgen en minder risico lopen het slachtoffer van predatoren te worden. “Dit betekent niet dat mannen meer bijdragen aan de maatschappij of de reproductie dan vrouwen doen. Vrouwen verwerken voedsel (onderdeel in het voorzien van voedingsmiddelen), zorgen voor kwetsbare kinderen en doen verscheidene andere belangrijke taken in alle maatschappijen. Het is het partnership van mannen en vrouwen dat lange-termijn afhankelijkheid van de jeugd, leren en hoge ratio’s van overleven toelaat. Inderdaad, analyses tonen aan dat zowel bij de Aché en de Hiwi, vrouwen individueel minder voedsel produceren als hun echtgenoot een betere producent is. Echtscheiding of de dood van een vader leidt tot hogere kindersterfte bij de Aché, de Hiwi en de !Kung, maar niet de Hadza.[1]

In onze visie is menselijke paarverbondenheid en mannelijke ouderlijke investering het resultaat van de complementariteit tussen mannen en vrouwen. Het engagement om de kwetsbare jongeren te verzorgen en ze er door te laten komen, gemeenschappelijk voor vrouwelijke primaten in het algemeen, samen met de lange periode die noodzakelijk is om de menselijke jachtstrategieën te leren, maakt jagen niet winstgevend voor vrouwen. Het feit dat menselijke mannen zeer grote pakketten voedingrijk voedsel kunnen bekomen betekent dat ze een groot verschil kunnen maken voor het reproductiesucces van vrouwen. Dat is niet waar voor de meeste andere primaten (met uitzondering van de callithricidae-mannetjes die andere noodzakelijke steun verschaffen). Dit verschil creëert een doorslaggevend onderscheid tussen mensen en apen en mondt uit in een partnerschap tussen mannen en vrouwen. Dat partnership is ecologisch veranderlijk, zodat de rollen van mannen, vrouwen en kinderen veranderen met de beschikbaarheid van voedselbronnen in de omgeving en de risico’s waaraan kinderen bloot gesteld zijn.”[2]

De verdeling van de arbeid kan enkel goed begrepen worden als ze gezien wordt in het licht van het voordeel dat de mensheid er bij had. In tegenstelling tot chimpansees en bonobo’s brengen mannen vlees aan voor hun vrouw en kinderen. Dit liet de vrouwen en kinderen toe om in veiliger omstandigheden in en rond het basiskamp voedsel te verzamelen. Kinderen konden zo de langere leerfase in relatief beschermde omstandigheden doorkomen. Chimpansees kennen het vaderschap niet, mensen wel. Dit is een voordeel voor mensenkinderen die betere overlevingskansen hebben door betere voeding, betere bescherming tegen predatoren en die een veel langere opleiding nodig hebben. De mannen maakten ook de meeste stenen werktuigen onder andere omdat men niet altijd geschikte stenen vond in de omgeving van een basiskamp waar de aanwezigheid van water zeer belangrijk was. Mannen konden op hun jachttochten gemakkelijker plaatsen aandoen waar geschikte stenen voorkwamen.

[1] Groepen jagers en verzaleaars, de eerste twee in Zuid-Amerika, de andere twee in Afrika.

[2] Hillard Kaplan, Kim Hill, Jane Lancaster, A. Magdalena Hurtado, A Theory of Human Life History Evolution: Diet, Intelligence, and Longevity, Evolutionary Anthropology, 9, 2000, p.173.

 

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

De onderdrukking van de vrouw in historisch perspectief (1b) chimpansees en bonobo’s

bonobo chimpansee
Bij de bonobo’s zijn de vrouwen baas, een matriarchaat, dank zij hun bondgenootschappen. Bij de chimpansees zijn de mannen baas dank zij hun bondgenootschappen en geweld.
De relatie tussen man en vrouw wordt ook gekenmerkt door onderdrukking van de vrouw. De vrouw wordt echter niet in alle maatschappijen onderdrukt. Een aantal maatschappijen waarin man en vrouw globaal gelijk zijn zullen besproken worden. Wij gaan in deze reeks op zoek de voornaamste mechanismen waarmee de vrouw onderdrukt en onderdrukt gehouden wordt.
Het is geen geheim. De vrouw wordt onderdrukt door (1) mannelijke bondgenootschappen, (2) door geweld en (3) door ideologie.
Onze genetisch nauwste verwanten, chimpansees en bonobo’s, maken ons veel duidelijk.

De chimpansees in Gombe (Tanzania)

Als een chimpanseemannetje de volwassenheid nadert zal hij plots meer doen dan vrouwtjes plagen. Hij wordt systematisch brutaal tegen hen. Liefst uit het zicht van andere mannetjes die partij zouden kunnen kiezen. Hij blijft slaan en aanvallen tot de vrouwtjes aanvaarden dat hij boven hen staat. Volwassen chimpansees vallen ook herhaaldelijk vrouwtjes aan zonder directe reden. Volgens Jane Goodall kan een volwassen mannetje dat niet kreupel of zeer oud is een vrouwtje dwingen om met hem te copuleren. Vrouwtjes die in hun vruchtbaarste dagen zijn worden dusdanig lastig gevallen door mannetjes dat ze na zonsondergang nog een uur moeten eten als alle andere leden van de groep al slapen in hun nest. Zij houden ook regelmatig wonden over aan de periode dat ze meest achtervolgd worden. Rivaliteit en agressie tussen vrouwen

Toen men tijdens de winter, als de mensapen in Arnhem binnen bleven, een bepaalde tijd mannen en vrouwen gescheiden hield –een onnatuurlijke situatie– vochten de mannen niet meer maar de vrouwen steeds vaker. De bewakers hadden geen vat meer op de situatie en zagen geen andere uitweg dan de mannen weer bij de vrouwen te brengen. De bewakers die de agressies van de vrouwen op afstand gehoord en gevolgd hadden “(…) haastten zich de kooi van de vrouwen binnen en maakten onmiddellijk een einde aan de gevechten. Een aantal dagen later moesten we dezelfde truc nog een keer uithalen met hetzelfde effect. Ik had vrouwelijke chimpansees elkaar nog nooit zo te lijf zien gaan. Om te voorkomen dat ze elkaar nog meer zouden verwonden besloten we de kolonie bij elkaar te houden.” (de Waal, 1982, p. 260)

Macht en onmacht van de vrouwen bij chimpansees en bonobo’s Het is verkeerd te denken dat bij zoogdieren de mannetjes in een groep altijd de macht hebben. De hyena is één van de agressiefste zoogdieren ter wereld. “In een gewelddadige omgeving, die wordt bevolkt door humeurige wilde dieren zoals leeuwen, neushoorns en Kaapse buffels, is de gevlekte hyena de wildste van allemaal. Hoewel hij niet groter is dan een flinke hond, valt een hyena in zijn eentje een gnoe aan die vijfmaal groter is dan hij, en in een meute jagen ze op dieren die zo groot zijn als een volwassen zebra.” Bij deze succesvolle soort hebben vrouwen de macht. Ze zijn dominant, agressiever dan mannetjes, ze leiden de jacht en zijn zelfs iets zwaarder dan mannetjes, waarschijnlijk omdat ze beter gevoed zijn. Ze hebben ook meer testosteron. Vrouwelijke hyena’s zijn i.t.t. vrouwelijke chimpansees agressief omdat hun agressiviteit voedsel opbrengt bij de jacht.

Een chimpanseevrouwtje zal vaak met haar nakomelingen voor meerdere dagen verdwijnen uit de groep als ze haar regels heeft. Vaak in gezelschap van één enkel mannetje. Dit samen optrekken is aantrekkelijk voor een man omdat hij als enige het vrouwtje seksueel voor zich heeft. Mannetjes zullen er alles aan doen om een vrouwtje op zo’n tocht mee te krijgen: attenties, vlees, vlooien maar als vriendelijkheid niet helpt zullen ze vaak ook geweld gebruiken tot het vrouwtje volgt. Vrouwen hebben in het wild en in dierentuinen vaak een duidelijke voorkeur voor een bepaalde partner en zorgen er dan regelmatig voor dat ze aan de aandacht van het alfamannetje ontsnappen. Die voorkeur gaat soms zo ver dat onderzoekers geneigd zijn om van verliefdheid te spreken. Seksuele exclusiviteit hoort er als regel echter niet bij. Als vrouwen zonder onderscheid met alle mannen zouden paren dan zou seksuele dwang niet bestaan.

Dat wil niet zeggen dat chimpanseevrouwen geen macht hebben. Ze werken in een groep vaak samen om mannetjes in toom te houden maar ze trekken vaak ook rond in het woud met hun kroost alleen waar ze geen bondgenootschappen met andere vrouwen kunnen aangaan. In dierentuinen kunnen ze dat gemakkelijk waardoor ze daar meer macht hebben dan in het woud. Een studie van 18 chimpansee- en 4 bonobogroepen over een periode van 5 decennia gaf volgende resultaten: 152 moorden/doodslagen. In 92% van de gevallen waren mannen de aanvallers en in 73% slachtoffers. In 66% van de gevallen ging het om geweld tussen verschillende groepen waarbij de aanvallers veel talrijker, een verhouding van 8/1, waren dan de aangevallenen. De auteurs besluiten dat geweld een adaptieve strategie is: de winnaars bekomen meer bronnen als voedsel en meer partners.

Soms speelt de eigen cultuur van een bepaalde groep een belangrijke rol. In het Kibalewoud van Oeganda hebben sommige mannetjes zich de gewoonte eigen gemaakt om vrouwtjes te slaan met grote houten knuppels. Omdat dit in andere chimpanseegroepen niet voorkomt is het geen aangeboren gedrag. Het gedrag om vrouwen te domineren is bij mannelijke chimpansees waarschijnlijk wel aangeboren.[1]

Nauwelijks geweld bij bonobo’s, vrouwen hebben de macht

Bij de bonobo’s zijn de vrouwtjes dominant. Er is net als bij de chimpansees een alfavrouw en een alfaman. De vrouwen hebben de macht omdat ze coalities sluiten. Als er strijd is dan ziet een man zich meestal tegenover twee of meerdere vrouwtjes geplaatst en gaat bijvoorbeeld het voedsel eerst naar de vrouwen. Bij de chimpansees is het altijd een mannetje die eigenaar is van het gevonden voedsel ook al werd het gevonden door een vrouw.[2]

Seks en exogamie

Bij chimpansees kunnen alle mannetjes in principe seks hebben met alle geslachtsrijpe vrouwtjes. De praktijk is complexer. Een groep wordt geleid door een alfamannetje en zijn bondgenoten. Zij hebben meer seks dan andere mannen en zeker meer dan de jongste mannetjes die ze van de vrouwen afhouden. Er is dus controle maar de alfaman en zijn bondgenoten kunnen niet beletten dat de vrouwen ook kiezen met wie ze seks hebben. Door list en misleiding komen veel meer mannetjes aan hun trekken dan op het eerste gezicht mogelijk lijkt.

Zowel bij bonobo’s als bij chimps gaat de voorkeur naar oudere vrouwtjes. Volgens Frans de Waal moeten de jongere vrouwen bijna smeken om seks terwijl de oudere vrouwtjes gewoon wachten tot de mannetjes naar hen toe komen.

Bij bonobo’s liggen de zaken anders. De vrouwtjes hebben er de leiding maar de mannetjes hebben er bij manier van spreken zoveel seks als ze aankunnen. Net zoals de mens copuleren bonobo’s in verschillende posities, gedurende het grootste deel van de maand en tussen alle leeftijden. Ze kennen ook orale seks. Conflicten zijn dus niet nodig, integendeel, potentiële conflicten worden voorkomen door een potje vrijen. De vruchtbare periode van een bonobovrouwtje duurt langer dan bij een chimpanseevrouw. Bonobovrouwen hebben vijftig procent van hun cyclus een gezwollen achterwerk, chimpanseevrouwen slechts vijf procent van hun cyclus. Bij bonobo’s staat seks in hoge mate los van de vruchtbaarheid. De bonobovrouwen hebben een sterk ontwikkelde clitoris en hebben orgasmes. Ze masturberen ook, wat bij chimpanseevrouwen zelden voorkomt.

Bij de chimpansees zijn alle mannetjes bloedverwanten: broers, vaders, ooms enz. Waarschijnlijk houdt dit de tegenstellingen en de spanningen in de groepen binnen de perken. Door verminderde seksuele concurrentie is het seksuele dimorfisme, 80%, bij chimpansees relatief klein. Bij gorilla’s is die concurrentie sterker en dat brengt een groot seksueel dimorfisme mee, 50%. Gorillamannen zijn veel groter dan gorillavrouwen. Mensen en bonobo’s hebben een klein seksueel dimorfisme, 85%, wat inhoudt dat vrouwen 85% van de omvang van mannen hebben.

Chimpansees en bonobo’s kunnen hun broers en zusters van hun andere verwanten onderscheiden. Er is exogamie (huwen buiten de groep) en vermijding van incest (geen seks met ouders, broers, zusters, kinderen). Incest tussen broer en zuster komt bij chimpansees zelden voor. Vrouwtjes verzetten zich tegen seks met hun broers. Er is een voorbeeld bekend van een vrouwtje dat tegen haar zin, met geweld, door haar broer werd genomen, een verkrachting.

Grotere groepen kunnen enkel bestaan als er voldoende voedselaanbod is. Als het klimaat seizoenen kent heeft dit een invloed op het aanbod, dat naar gelang het seizoen groter of kleiner is. Er vormen zich dan kleinere of grotere groepen chimps die apart rond trekken.

Moeders hebben noch bij chimps noch bij bonobo’s geslachtsgemeenschap met hun zonen. Aangezien vrouwtjes met meerdere mannetjes copuleren weet men niet wie de vader van de kinderen is. De dochters die het gevolg zijn van deze betrekkingen kunnen eenmaal volwassen gemeenschap hebben met hun vaders als ze de groep niet hebben verlaten. Deze vorm van incest is bij chimpansees onvermijdelijk.

Bij bonobo’s zijn geen gevallen van verkrachting bekend. In groepen bonobo’s is veel minder agressie aanwezig dan bij gewone chimpansees.

Matriarchale maatschappijen bij zoogdieren

Bij zoogdieren komen verschillende soorten voor waar de vrouwtjes de macht hebben: hyena’s, orka’s, rhesusapen, slingerapen, en bonobo’s. “Rhesus monkeys live in matriarchal societies, with mothers ranking above their daughters (and supporting them in fights) until they are very old. There is also a hierarchy of matriarchal units that is determined by relations between dominant female in each group. The situation in which family members will come to the aid of a female or not are usually defined by the ranking of the adversary. Rankings are sometime dramatically altered when females are claimed by disease or predators.”[3]  

“Spider monkey (slingerapen) troops are matriarchal, meaning the females play a leadership role. Females actively choose their mates when breeding, and tend to make the decisions for the group. Wildlife Waystation notes that even the group size is ultimately determined by the alpha female of the troop.”[4]

Bij de mens is geen enkele maatschappij bekend waar vrouwen de macht hebben of hadden.

Dr. Marc Vermeersch  – marc.vermeersch@gmail.com
De verhouding man-vrouw (1a) chimpansees en bonobo’s
De verhouding man-vrouw (1b) chimpansees en bonobo’s

[1] Marc Vermeersch, De geschiedenis van de mens. Deel I, Jagers en verzamelaars. Boek 1, van Pan tot Homo sapiens,, Hoofdstuk I..

[2] Marc Vermeersch, De geschiedenis van de mens. Deel I, Jagers en verzamelaars. Boek 1, van Pan tot Homo sapiens, p. 45-47.

[3] http://factsanddetails.com/asian/cat68/sub430/item2483.html 

[4] https://www.mnn.com/earth-matters/animals/blogs/5-surprising-facts-spider-monkeys 

Geplaatst in bonobo, chimpansee, man-vrouw, Uncategorized | Tags: | Een reactie plaatsen

De onderdrukking van de vrouw in historisch perspectief (1a) chimpansees en bonobo’s

Man vrouw 2 stamboom mens
De stamboom van de voorlopers van de mens, zijtakken en de mens/Homo, zelf
De relatie tussen man en vrouw wordt ook gekenmerkt door onderdrukking van de vrouw. De vrouw wordt echter niet in alle maatschappijen onderdrukt. Een aantal maatschappijen waarin man en vrouw globaal gelijk zijn zullen besproken worden. Wij gaan in deze reeks op zoek de voornaamste mechanismen waarmee de vrouw onderdrukt en onderdrukt gehouden wordt.
Het is geen geheim. De vrouw wordt onderdrukt door (1) mannelijke bondgenootschappen, (2) door geweld en (3) door ideologie.
Onze genetisch nauwste verwanten, chimpansees en bonobo’s, maken ons veel duidelijk.   

Biologie en cultuur

Alle mensen hebben dezelfde biologische basis. Homo sapiens is een jonge soort die weinig genetische verscheidenheid heeft. In tegenstelling met b.v. Pan (bonobo’s en chimpansees) die, relatief gezien even oud zijn, maar een tien keer grotere verscheidenheid hebben.[1]

Bij de voorlopers van de mens en bij de mens zelf zijn er de afgelopen zes miljoen jaren meerdere types geweest in (voornamelijk) oostelijk Afrika. Ze moeten een redelijk grote genetische verscheidenheid gehad hebben. Homo sapiens is de enige van die soorten en mensentypes die is blijven bestaan maar in Homo sapiens blijven genen bestaan van oudere mensentypes. Waaronder:
–          In West-Afrika: YA00. Dit is een mannelijk Y-chromosoom dat enkele jaren geleden werd gevonden en voorkomt bij twee stammen in Kameroen, West-Afrika. YA00 is van een verder onbekend mensentype dat als enige tot vandaag nog zijn Y-chromosomen heeft kunnen doorgeven.
–          Homo neanderthalensis
–          Homo Denisova
–          Homo X, een mensentype waarvan  we enkel genetische informatie hebben en minstens in Siberië voorkwam.

Natuurlijke selectie speelde een grote rol in oostelijk Afrika waar de grote veranderingen van het klimaat voor een grote en snelle natuurlijke selectie zorgden.
Man vrouw 1 gebied Pan
Het verspreidingsgebied van bonobo’s en chimpansees.

Biologische verschillen v.w.b. seks bij chimpansees en bonobo’s

Chimpansees en bonobo’s zijn nauw verwante mensapen. Bonobo’s leven op de linkeroever van de Kongostroom. Samen vormen ze het geslacht Pan. Bij chimpansees kunnen alle mannetjes in principe seks hebben met alle geslachtsrijpe vrouwtjes. De praktijk is complexer. Een groep wordt geleid door een alfamannetje en zijn bondgenoten. Zij hebben meer seks dan andere mannen en zeker meer dan de jonge mannetjes die ze van de vrouwen afhouden als ze kunnen. Er is dus controle maar de alfaman en zijn bondgenoten kunnen niet beletten dat de vrouwen ook kiezen met wie ze seks hebben. Door list en misleiding komen veel meer mannetjes aan hun trekken dan op het eerste gezicht mogelijk lijkt.

Zowel bij bonobo’s als bij chimps gaat de voorkeur naar oudere vrouwtjes. Volgens Frans de Waal moeten de jongere vrouwen bij chimpansees bijna smeken om seks terwijl de oudere vrouwtjes gewoon wachten tot de mannetjes naar hen toe komen.

Bij bonobo’s liggen de zaken anders. De vrouwtjes hebben er de leiding, het is een echt matriarchaat, maar de mannetjes hebben er bij manier van spreken zoveel seks als ze aankunnen. Net zoals de mens copuleren bonobo’s in verschillende posities, gedurende het grootste deel van de maand en tussen alle leeftijden. Ze kennen ook orale seks. Conflicten zijn dus niet nodig, integendeel, potentiële conflicten worden voorkomen door een potje vrijen. De vruchtbare periode van een bonobovrouwtje duurt langer dan bij een chimpanseevrouw. Bonobovrouwen hebben vijftig procent van hun cyclus een gezwollen achterwerk, chimpanseevrouwen slechts vijf procent van hun cyclus. Bij bonobo’s staat seks in hoge mate los van de vruchtbaarheid. De bonobovrouwen hebben een sterk ontwikkelde clitoris en hebben orgasmes. Ze masturberen ook, wat bij chimpanseevrouwen zelden voorkomt.

Bij de chimpansees zijn alle mannetjes bloedverwanten: broers, vaders, ooms enz. Waarschijnlijk houdt dit de tegenstellingen en de spanningen in de groepen binnen de perken. Door verminderde seksuele concurrentie is het seksuele dimorfisme (fysiek verschil tussen man en vrouw), 80%, bij chimpansees relatief klein. Bij gorilla’s is die concurrentie sterker en dat brengt een groot seksueel dimorfisme mee, 50%. Gorillamannen zijn veel groter dan gorillavrouwen. Mensen en bonobo’s hebben een klein seksueel dimorfisme, 85%, wat inhoudt dat vrouwen 85% van de omvang van mannen hebben.

Chimpansees en bonobo’s kunnen hun broers en zusters van hun andere verwanten onderscheiden. Er is exogamie (huwen buiten de groep) en vermijding van incest (geen seks met moeder, broers, zusters, kinderen). Incest tussen broer en zuster komt bij chimpansees zelden voor. Vrouwtjes verzetten zich tegen seks met hun broers. Er is een voorbeeld bekend van een vrouwtje dat tegen haar zin, met geweld, door haar broer werd genomen, een verkrachting. De vaders zijn niet bekend bij de Pan. Vrouwtjes verlaten zowel bij chimpansees als bonobo’s de groep waar ze geboren zijn als ze geslachtsrijp zijn en sluiten aan bij een andere groep, dat vermijdt incest met de vader. Bij grote groepen, voornamelijk de bonobo’s, kan het gebeuren dat vrouwtjes bij de groep blijven. Bij grote groepen is het risico op incest kleiner. Waarnemingen maken duidelijk dat dit niet altijd het geval is. Het in volgend punt vermelde vrouwtje Passion leefde met haar dochters en kleindochters in dezelfde groep. Chimpanseemannetjes patrouilleren langs de grenzen van hun territorium en proberen om jonge vrouwtjes die rondzwerven naar hun groep te brengen.

Grotere groepen kunnen enkel bestaan als er voldoende voedselaanbod is. Als het klimaat seizoenen kent heeft dit een invloed op het aanbod, dat naar gelang het seizoen groter of kleiner is. Er vormen zich dan kleinere of grotere groepen chimps die apart rond trekken. Moeders hebben noch bij chimps noch bij bonobo’s geslachtsgemeenschap met hun zonen. Aangezien vrouwtjes met meerdere mannetjes copuleren weet men niet wie de vader van de kinderen is. De dochters die het gevolg zijn van deze betrekkingen kunnen eenmaal volwassen gemeenschap hebben met hun vaders als ze de groep niet hebben verlaten. Deze vorm van incest is bij chimpansees onvermijdelijk. Bij bonobo’s zijn geen gevallen van verkrachting bekend. In groepen bonobo’s is veel minder agressie aanwezig dan bij gewone chimpansees.[2]

Er zijn belangrijke biologische verschillen tussen de nauw verwante (ca. 2 miljoen jaar geleden gesplitste) bonobo’s en chimpansees. De levensomstandigheden zijn voor de bonobo’s op de linkeroever van de Kongostroom veel gemakkelijker (veel voedsel) dan voor chimps in de andere gebieden.

De verhouding Man-Vrouw bij chimpansees en bonobo’s

Geweld van mannen tegen vrouwen bij Pan

In een chimpanseegroep zijn het de mannen die de macht hebben. Die macht hebben ze niet zomaar, ze is gebaseerd op bondgenootschappen en geweld. Adolescente chimps laten zich vaak gelden door rond te springen en ‘en passant’ slagen uit te delen aan vrouwen. Als ze volwassen zijn gebeurt dit minder maar in het dierenpark werd meer dan eens gezien dat de man Luit vrouwen aanviel.[3]

Chimpanseevrouwen zijn niet weerloos. Ze sluiten onderling coalities die een belangrijke rol spelen in het bekomen en behouden van de macht van alfamannen. Yeroen bleef langer aan de top dank zij de steun van vrouwen. In tegenstelling tot Luit die hen grotendeels tegen zich had gekeerd. De macht die vrouwen hebben bij chimpansees, hebben ze niet toevallig opgebouwd maar wel als noodzakelijk tegengewicht tegen mannelijke macht en het geweld.[4]

Vrouwen worden vaak streng en hard door de mannen behandeld. (de Waal, 1982, p. 86) Mannen bijten vrouwen weleens maar dan alleen met hun snijtanden niet met hun machtige hoektanden. Vrouwen bijten meer in gevechten, zowel met mannen als vrouwen, maar ze hebben veel kleinere hoektanden en richten daardoor minder schade aan. (de Waal, 1982, p. 122)

[1] Chimps show much greater genetic diversity than humans, Science, 2012
“Groups of chimpanzees within central Africa are more different genetically than humans living on different continents, an Oxford University-led study has found” http://www.ox.ac.uk/news/2012-03-02-chimps-show-much-greater-genetic-diversity-humans#

[2] Marc Vermeersch, De geschiedenis van de mens. Deel I, Jagers en verzamelaars. Boek 1, van Pan tot Homo sapiens, p. 30-31.

[3] Frans de Waal, Chimpanseepolitiek, 1982, p. 115.

[4] Frans de Waal, Chimpanseepolitiek, 1982, p. 65.

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

1302, Klassenstrijd in Vlaanderen (9. Weerklank van 1302 in Europa)

De nederlaag van de Fransen had een weerklank in heel Europa. “’Het was een bijna onmogelijke gebeurtenis’, schreef de Florentijnse bankier Giovanni Villani enkele jaren na de slag bij Kortrijk. ’Deze nederlaag haalde de eer, de status en de roem van de oude adel neer, en de dapperheid van de Fransen. De bloem van de ridderschap van de wereld was verslagen en vernederd door haar eigen onderdanen, en door het laagste volk ter wereld: wevers, folders en ander gewone handwerkers en ambachten en neringen; luit hoegenaamd niet ervaren waren in het oorlog voeren; lui die het minachting voor een lage rang door alle naties van de wereld konijnen vol met boter genoemd worden; en die door deze overwinning zo dapper en hoogmoedig werden dat één Vlaming te voet met zijn goedendag het aandurfde te strijden tegen twee Franse ridders te paard‘” Dat laatste was uiteraard overdreven maar het onderlijnt de straffe indruk die 1302 had in Europa.

“Een dergelijke klap tegen het machtigste leger van West-Europa kon niet anders dan de vele vijanden van de koning van Frankrijk in beweging brengen. Veltem vermeldt hoe die van Toloyse (Toulouse, MV) het nieuws uit Vlaanderen vernamen en opstandig werden. Die uitspraak slaat op het graafschap Toulouse en de Languedoc, de gebieden die driekwart eeuw voordien door de Fransen bloedig waren onderworpen en geannexeerd bij de kroon onder het mom van een kruistocht tegen de ketterse Katharen.  (…) Ook in Bordeaux brak korte tijd na Kortrijk een opstand uit tegen de Franse koninklijke ambtenaren die de stad van de Engelse koning al acht jaar regeerden.

Edward I, die nog steeds de handen vol had met de oproerige Schotten, zou van Kortrijk profiteren om een jaar later Bordeaux en Aquitanië weer van Philips af te dwingen. (…) Een half jaar na de Franse nederlaag zag ten slotte ook de Duitse Roomse Koning Albrecht van Oostenrijk de kans schoon om van kant te wisselen en zijn bondgenootschap met de Franse koning in te ruilen voor één met de paus. Die riep prompt de bevolking van de Provence, van het graafschap Bourgondië en van Lotharingen op zich te verzetten tegen de toenemende Franse invloed.” (Verbruggen en Falter, p. 171)

De gevolgen in de rest van de Nederlanden

 “Het is moeilijk de impact van de overwinning van de Vlaamse gemeentenaren bij Kortrijk en de gebeurtenissen die daarop volgden te overschatten. Sociale onrust in de steden bestond ook al in de andere vorstendommen van de Lage Landen, maar kwam na de successen van de Bruggelingen tot een hoogtepunt. In Doornik, een stad die rechtstreeks onder het gezag van de koning stond, was de onrust na de Goede Vrijdag van Brugge zo groot dat het stadsbestuur al contact met Bruggelingen verbood. In het Henegouwse Valenciennes kwam het volk op 24 mei 1302 in opstand, maar de poorters kregen snel weer greep op hun stad en lieten 15 opstandelingen onthoofden. In het hertogdom Brabant vond in de twee jaar na de slag van Kortrijk opstanden plaats in Brussel, Leuven, Zoutleeuw, en ‘s-Hertogenbosch. De ambachten maakte geen sommige van die steden meester van het bestuur, werden weer verdrevenen 1306, maar dwongen zes jaar later van hertog Jan II toch het charter van Kortenberg af, dat hen definitief een plaats bezorgde in het bestuur van het hertogdom. In het prinsbisdom Luik, waar het al enkele jaren onrustig was om A kwamen de ambachten en 1303 in opstand tegen de nieuwe belasting, en kregen ze eveneens een flinke vertegenwoordiging in het stadsbestuur. Ook daar bleef de onrust jaar nadien aanslepen.

In deze tijden, toen dit geschiedde schreef de Antwerpse stadsambtenaar Jan van Boendale enkele tientallen jaren later, ‘gingen al de gewone lieden in alle landen samenzweren en kwamen ze in opstand tegen hun heren, zodat de heren het onderspit moesten delven en de gemeente[1] het bewind voerde, een wonderbaar feit.’ (…) Het patroon zou zich de hele 14de eeuw herhalen, met telkens de steden van het graafschap Vlaanderen in de vuurlijn. Uiteindelijk verwierven de steden in heel de Lage Landen een vaste plaats in de politieke besluitvorming van hun vorstendommen.”(…)

“Het voorbeeld van Vlaanderen bracht een volksbeweging aan de gang in andere vorstendommen. Handwerkslieden in het Luikse en in Brabant werden toegelaten tot overheidsambten in 1303. Maar de patriciërs, die daar machtiger bleven dan in Vlaanderen, gingen hiertegen in en werden pas voorgoed verdreven uit het bestuur van Luik in 1384, of dat van Sint-Truiden in 1393, na een langdurige strijd. Zij moesten uiteindelijk de macht delen met het gewone volk in de andere steden in het Luikse (Hoei in 1342, Dinant in 1348) en Brabant (Leuven in 1378, Brussel in 1421 en Antwerpen in 1435). De volkspartij de macht in Utrecht in 1304 en kreeg een aandeel in het bestuur van Dordrecht in 1367. In de andere Nederlandse steden was de nijverheid niet krachtig genoeg vertegenwoordigd om op deze manier voor haar belangen op te komen of zelfs een politieke erkenning te verwerven.” (Verbruggen en Falter, p. 176-177)

Niet het einde

Na 1302 zou de strijd niet eindigen. Filips de Schone zou in 1304 opnieuw met een leger oprukken en in een veldslag in bij de Pevelenberg op 18 augustus 1304er opnieuw niet in slagen de Vlamingen te verslaan. In die slag scheelde het geen haar of hij sneuvelde. Zijn paard werd geveld en omdat hij de koninklijke kleuren niet droeg kon hij aan de dood ontsnappen. Wat de Fransen toen misten op het slagveld maakten ze goed aan de onderhandelingstafel. Bij de vrede van Athis wonnen de Fransen wat ze op het slagveld verloren. Vlaanderen moest grote sommen aan de Franse koning betalen in ruil voor vrede. Toen het akkoord gesloten was besloot Filips dat de ponden niet zijn vervalste ponden moesten zijn maar oorspronkelijke niet-vervalste die drie keer zoveel waard waren. De strijd voor vrijheid zou nog tienallen jaren duren. Toen Frankrijk de honderdjarige oorlog, van 1337 tot 1453 voerde, verloor het zijn aandacht voor Vlaanderen.
1302 kaart rijks- en kroonvlaanderen

Het graafschap Vlaanderen rond 1302. De rode stippellijn is de scheiding tussen het deel dat bij Frankrijk hoorde, Kroon-Vlaanderen en Rijks-Vlaanderen dat hij het Heilig Roomse Rijk hoorde. De Zeeuwse eilanden Walcheren, Noord-Beveland, Zuid-Beveland, Wolphaartsdijk, Borssele, Baarland en Rilland die ten westen van de oude hoofdarm van de Schelde, vandaag de Oosterschelde, lagen, hoorden ook bij Frankrijk, maar niet bij Vlaanderen.

Besluit

Er was wel degelijk klassenstrijd in de middeleeuwen in Vlaanderen. De Franse koning, een vertegenwoordiger van de klassieke grote adel stelde zich op als een buitenlandse veroveraar en slaagde er in een coalitie van alle ambachten, een groot deel van de poorters/burgers, de vrije kustboeren en de Vlaamse adel tegen zich te krijgen.

De goed georganiseerde en bewapende Vlaamse ambachten waren de ruggengraat van het verzet. Zij stonden voor de veldslag onder leiding van adellijke militairen met ervaring.

1302 is slechts één etappe in de duizendjarige strijd voor democratie en welvaart. De begon toen de steden zich vanaf het jaar 1000 zelfstandig organiseerden en rechten van adel en kloosters vroegen en afdwongen. Die strijd zou verder gaan in de zestiende eeuw toen opstanden en een echte revolutie tegen de Spaanse overheersing leidden tot de Nederlandse republiek. Die zou vooral in de zeventiende eeuw een vrijplaats worden en zo de geboorteplaats van de Verlichting waar de grote Spinoza een hoofdrol speelde maar waar veel andere Nederlanders tot in de achttiende eeuw de belangrijkste rol zouden spelen. De rol van de zuidelijke Nederlanden in de Verlichting was zo goed als onbestaande. De fakkel werd terug opgenomen vanaf de Brabantse revolutie in 1789 en 1790, en werd verder gezet toen de eerste socialisten zich verenigden in vakbond en de BWP.  De strijd voor democratie en een redelijk loon zal waarschijnlijk nooit definitief gestreden zijn

Dr. Marc Vermeersch, marc.vermeersch@gmail.com

[1] Gemeente is hier afgeleid van ‘gemeen’, het volk, de ambachten.

1302, Klassenstrijd in Vlaanderen (1, economie)
1302, Klassenstrijd in Vlaanderen (2, wol en landwinning)
1302, Klassenstrijd in Vlaanderen (3, sociale klassen)
1302, Klassenstrijd in Vlaanderen
(4, invloed, kunst enz.)
1302, Klassenstrijd in Vlaanderen (5, handel)

1302, Klassenstrijd in Vlaanderen (6, Brugse Metten)
1302, klassenstrijd in Vlaanderen (7, politiek, aanloop naar 1302)
1302, klassenstrijd in Vlaanderen (8. Elf juli, de veldslag)
1302, Klassenstrijd in Vlaanderen (9. Weerklank van 1302 in Europa)

Bibliografie

Jan Frans Verbruggen en Rolf Falter, 1302, Opstand in Vlaanderen, Lannoo, 2001.

Ubertinus Devolder, o.f.m., Ronny Ostyn, Paul Vandepitte, het reisverhaal van Willem van Rubroek, de Vlaamse Marco Polo: 1253-1255, de roede van Tielt, 1984.

J.A. van Houtte, economische geschiedenis van de Lage Landen 800-1800, Unieboek, 1979. Oorspronkelijke titel: An economic History of the Low Coutries 800-1800, in de reeks World Economic History.

Aansluitende lectuur

Jacques Sabbe, Vlaanderen in opstand 1323-1328. Over de opstand van het Brugse Vrije.

Wim Blockmans, een mideeleeuwse vendetta. Gent 1300.

De moordende strijd tussen twee Gentse families, de Borluuts en de familie de Brune.  Met veel gelijkenissen met vendetta’s in Italiaanse steden.

Heymeric van de Velde, Eenheid in de tegendelen.

De vandaag onbekende Heymeric van de Velde, 1395-1435, was een Brabantse monnik en filosoof die een vijftigtal  werken schreef.

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

1302, klassenstrijd in Vlaanderen (8. Elf juli, de veldslag)

1302 de veldslag ME schilderijEr waren naar schatting tussen 2600 en 3700 strijders uit Brugge waaronder 320 kruisboog­schutters, geholpen door 160 knapen. Dat bleek uit de stadsrekeningen. Er was vermoedelijk een even groot contingent uit de omgeving van Oudenaarde, Aalst en Kortrijk samen met de 700 Gentenaars van Jan Borluut. Er was een groep uit het Brugse Vrije en 500 Ieperlingen. Langs de weg naar Gent stonden 500 man reservetroepen onder leiding van de Zeeuw Jan van Renesse. In totaal moeten er langs Vlaamse kant tussen 8800 en 11000 krijgers geweest zijn. Daar waren 350 ruiters bij, voornamelijk geleverd door Jan van Namen. Slechts een derde daar­van kwam uit Vlaanderen, de meerderheid waren ingehuurde ridders uit de streek van Maas en Rijn.

Het Franse leger telde 2700 gepantserde ruiters, ridders en edelknapen, 4000 man voetvolk, ongeveer 1000 kruisboogschutters en 334 krijgers in het kasteel van Kortrijk. Met knechten en  personeel zal het totale aantal nauwelijks onder dat van het Vlaamse leger gelegen hebben. Kwalitatief leek het Franse leger veel sterker. Robert van Artois zou gezegd hebben: ‘Wij zijn te paard en zij zijn te voet, en 100 paarden zijn 1000 man waard.‘
1302 kaart slagveld Groeninghe

“Het liep tegen de middag aan en in het Vlaamse kamp waren de troepen al een tijdje opgesteld. Het wachten onder de wolken, waar af en toe de zon doorbrak, werd zwaar. Duizenden mannen stonden klaar, uitgerust met de halsberg van fijne maliën over het hoofd, zodat de hals, nek en de bovenkant van de schouders bedekt waren. Op hun lichaam hadden ze een keurslijf van metalen plaatjes, met daarover een wambuis of tuniek. Ze droegen een kleine open helm op het hoofd en ijzeren handschoenen, waarmee ze in één hand een klein schild vasthielden. Als wapen hanteerden ze een zware goedendag[1] of een gepinde staf, een lange piek , een haaklans, een zwaard, of een bazelaar waar met een zeer breed lemmet en een scherpe, spitse punt. De rijkere krijgers droegen meestal ook nog een pantser op het lichaam of een kort maliënhemd in wapenkousen in maliën. De opstandelingen waren bevreesd voor de grote slag die zou volgen. Velen zouden liever ver weg geweest zijn.

De keuze van het slagveld was nog om een andere reden goed, waarmee elke legerbevelhebber rekening moest houden: vluchten was bijzonder moeilijk met de Leie en de stadsmuren in de rug en de Fransen in het gezicht. De 500 manschappen in reserve van Renesse, die in tweede linie opgesteld waren, konden toezien op een van de bevelen die de Vlaamse legerleiding uitgaf: wie week of vluchtte, zou neergeveld worden. Hetzelfde lot gold diegene die het verbod aan zijn laars lapte om al tijdens de slag de buit op te rapen of gevangenen te maken. ’ Dood de vijanden. Sla vooral naar de paarden’, luidden nog andere bevelen. Die genadeloze discipline, die er vooral op gericht was niemand van zijn plaats te laten gaan, was essentieel in het plan dat Renesse en de zijnen voor ogen hadden. (…)

De motivatie was groot, wraak een onderdeel van de motivatie. Veel boeren hadden geleden onder de plundertochten van de Fransen in de jaren 1297-1300. Ridders hadden familieleden die nog gevangen zaten in Frankrijk waaronder Graaf Gwij en zijn zoon Robrecht van Bethune. Anderen hadden hun eigendommen verloren omdat zij voor de graaf hadden gekozen. Nog anderen hadden familie die gesneuveld was in de strijd tegen de Fransen. De Bruggelingen moesten winnen of de uitgebreide wraak van de Fransen ondergaan. “Daarnaast was er spectaculair ceremonieel. Behalve dat zij van hun paarden stapten, droegen Gwij van Namen en Willem van Gulik ook dezelfde kleine open helm als de gemeentenaren. Voor het hele leger sloegen beiden voor de strijd een dertigtal volksleiders tot ridder onder hen Jan Born liet, Pieter de Coninck en zijn zonen Willem en Jan naast volders, wevers, vleeshouwers en enkele poorters. De boodschap was zeker voor die tijd revolutionair en ongetwijfeld als stimulans bedoeld: iedereen had kans om ridder te worden.” (Verbruggen en Falter, p.149-153)

De Vlamingen stelden zich op in een dichte slagorde, de sterkste mannen vooraan, met als doel dat geen enkele Franse ruiter door de gelederen zou breken. Een Franse kroniekschrijver, Guillaume Guiart uit Orléans, zag het Vlaamse leger in 1302 en bij een volgende slag in 1304. Hij schreef toen: “’Wie ooit de Vlamingen aldus opgesteld gezien heeft, mag zeggen dat een grote trots hen bezielt. Ze staan dicht tegen elkaar gedrongen en hun aanvoerders herhaalden voortdurend dat zij die dichte gelederen stevig gesloten moeten houden. Dat zij niemand er laten binnendringen, ziedaar de voornaamste raad die ze zonder ophouden geven.’”

De slag begon toen de Franse kruisboogschutters hun pijlen naar de Vlamingen schoten. Daarna werden speren gegooid en stenen gesmeten. Ze richtten weinig schade aan onder andere door de bescherming achter de beken. De Vlamingen hadden tussen de beken en hun troepen een strook vrijgelaten om de schade van pijlen, stenen en speren zoveel mogelijk te beperken.

Toen vond Robert van Artois dat het aan de ruiters was om aan te vallen. “Vier ridderscharen raakten aan de Franse linkerzijde naar de Grote Beek, drie, iets later, naar de Groeningebeek. Beide sloten waren geen gemakkelijke hindernis voor de grote en zwaarbeladen paarden. Sommige dieren weigerden eerst, moesten gedwongen worden toch de sprong te wagen. Andere struikelden, zodat hun ruiter uit het zadel vloog. Nog andere paarden liepen vast in de oevers van de beken, of misten hun sprong. Toch verliep de overtocht over het algemeen vlot. Om niet verrast te worden door een aanval van de Vlamingen sloten de Franse ridders aan de overkant snel de gelederen, waarna ze hun stormloop voortzetten. In eerste instantie was dat het geval voor de Franse linkervleugel van Nesle, die tegen de Bruggelingen, aan de Vlaamse rechterflank, en de krijgers uit het Brugse Vrije in het centrum, oprukte.

’Elke Vlaming zag, geloof mij, twee horsen[2] die snel op hem afkwamen.’ Honderden zwaar gepantserde ridders, volledig beschermd met maliënhemden en platen, die met hun paarden aanstormden, met lange lansen in de aanslag, onder luid geschal van trompetten. Instinctief sloten de Vlamingen nog meer de gelederen. Maar ze weken niet. De muur van gevelde pieken, lansen en, in tweede lijn, goedendags bleef staan. Wevers, volders, handwerkers van alle slag, boeren: ditmaal zetten ze het niet op een lopen voor de heren.

Prompt sloeg de verwarring toe in de Franse rangen. De meest ervaren ruiters wisten zo te manoeuvreren dat ze hun paard op de Vlaamse krijgers en langs de lansen en pieken stuurden. Anderen begrepen dat ze hun paard en misschien zichzelf de dood indreven, aarzelden en vertraagden hun draf. De meeste Franse edelen gingen echter door, zoals hen dat geleerd was. In het centrum van het front had dit het meeste succes. De afstand tussen beek en slagorde was daar het grootst geweest, zodat de paarden nog een stevige draf hadden kunnen ontwikkelen. Op de plaats waar de krijgers van het Brugse vrije stonden, drongen de Fransen door. Daar werd spoedig hard gevochten en leek een doorbraak voor de aanvallers mogelijk.

De Bruggelingen daarentegen hielden stand, met een uitstekende organisatie en een hardnekkigheid die ze in de daaropvolgende twee jaar voortdurend zouden demonstreren. Het was daar, op hun linkervleugel, dat de Fransen hun eerste aanvoerders verloren. Godevaart van Brabant[3] probeerde, net als in Woelingen 14 jaar voordien, een doorbraak te forceren.”

Godevaart van Brabant zou sneuvelen maar de geliefde Willem van Gulik ook. Het is zo goed als zeker dat de gehate Jacques de Châtillon ook sneuvelde. De bevelhebber van de Franse troepen, Robert van Artois, werd ook geveld. Veel Franse ruiters waren met hun paarden in de beken blijven vastzitten en werden daar afgemaakt. Waarschijnlijk sneuvelden er ongeveer 1250 Franse edelen in Kortrijk. Er werden waarschijnlijk ongeveer 500 paar gulden sporen van de Franse ruiters gevonden. “Behalve Artois en Flote sneuvelden zeven van de acht bataelgen-aanvoerders. Enkel op het einde van de veldslag, toen de overwinning binnen was, begonnen de Vlamingen ook gevangenen te nemen.” (Verbruggen en Falter, p. 156-157)

Tijdens de strijd vielen de Franse troepen in het kasteel aan de Leie-oever de Vlaamse troepen te paard aan. De Vlamingen weerstonden de aanval en konden de ruiters terug in het kasteel drijven. (Verbruggen en Falter, p. 160-162)  De Vlamingen zouden kort nadien ook Rijsel en Douai bevrijden. Korte tijd nadien hadden de opstandelingen in Vlaanderen onder hun controle gebracht op het kasteel van Rupelmonde na dan nog een tijd in handen van de leliaards zou blijven. (Verbruggen en Falter, p. 169)

Er was geen twijfel mogelijk. De Vlaamse troepen, een leger van voornamelijk ambachtslui had het machtigste leger van de christelijke wereld in de pan gehakt. Du jamais vu!

Dr. Marc Vermeersch     marc.vermeersch@gmail.com
1302, Klassenstrijd in Vlaanderen (1, economie)
1302, Klassenstrijd in Vlaanderen (2, wol en landwinning)
1302, Klassenstrijd in Vlaanderen (3, sociale klassen)
1302, Klassenstrijd in Vlaanderen
(4, invloed, kunst enz.)
1302, Klassenstrijd in Vlaanderen (5, handel)

1302, Klassenstrijd in Vlaanderen (6, Brugse Metten)

1302, klassenstrijd in Vlaanderen (7. De Brugse Metten)

[1] De goedendag was een eenvoudig en goedkoop maar geducht wapen, dat vooral in de 13e en 14e eeuw gebruikt werd. Het werd vooral bekend in de Guldensporenslag, waar het uiterst effectief bleek tegen chargerende ruiters.
Het wapen was een circa anderhalve meter lange boomstam van 10 cm diameter, die aan het uiteinde dikker uitliep en bovenaan voorzien was van een stalen punt. Het wapen kon op twee manieren gebruikt worden: als slagwapen (knots) of als steekwapen. Het was stevig genoeg om een aanval van een gepantserde ruiter te stoppen. https://nl.wikipedia.org/wiki/Goedendag_(wapen)
[2] Hors, een oud Nederlands woord voor paard, cfr. het Ros Beiaard. Daarin is hors al ros geworden. In het Engels: horse..
[3] Familie van de hertog van Brabant die vrijwillig met de Fransen meevocht.

 

Geplaatst in 1302, guldensporenslag, de veldslag, Uncategorized | Tags: | Een reactie plaatsen