1302, klassenstrijd in Vlaanderen (8. Elf juli, de veldslag)

1302 de veldslag ME schilderijEr waren naar schatting tussen 2600 en 3700 strijders uit Brugge waaronder 320 kruisboog­schutters, geholpen door 160 knapen. Dat bleek uit de stadsrekeningen. Er was vermoedelijk een even groot contingent uit de omgeving van Oudenaarde, Aalst en Kortrijk samen met de 700 Gentenaars van Jan Borluut. Er was een groep uit het Brugse Vrije en 500 Ieperlingen. Langs de weg naar Gent stonden 500 man reservetroepen onder leiding van de Zeeuw Jan van Renesse. In totaal moeten er langs Vlaamse kant tussen 8800 en 11000 krijgers geweest zijn. Daar waren 350 ruiters bij, voornamelijk geleverd door Jan van Namen. Slechts een derde daar­van kwam uit Vlaanderen, de meerderheid waren ingehuurde ridders uit de streek van Maas en Rijn.

Het Franse leger telde 2700 gepantserde ruiters, ridders en edelknapen, 4000 man voetvolk, ongeveer 1000 kruisboogschutters en 334 krijgers in het kasteel van Kortrijk. Met knechten en  personeel zal het totale aantal nauwelijks onder dat van het Vlaamse leger gelegen hebben. Kwalitatief leek het Franse leger veel sterker. Robert van Artois zou gezegd hebben: ‘Wij zijn te paard en zij zijn te voet, en 100 paarden zijn 1000 man waard.‘
1302 kaart slagveld Groeninghe

“Het liep tegen de middag aan en in het Vlaamse kamp waren de troepen al een tijdje opgesteld. Het wachten onder de wolken, waar af en toe de zon doorbrak, werd zwaar. Duizenden mannen stonden klaar, uitgerust met de halsberg van fijne maliën over het hoofd, zodat de hals, nek en de bovenkant van de schouders bedekt waren. Op hun lichaam hadden ze een keurslijf van metalen plaatjes, met daarover een wambuis of tuniek. Ze droegen een kleine open helm op het hoofd en ijzeren handschoenen, waarmee ze in één hand een klein schild vasthielden. Als wapen hanteerden ze een zware goedendag[1] of een gepinde staf, een lange piek , een haaklans, een zwaard, of een bazelaar waar met een zeer breed lemmet en een scherpe, spitse punt. De rijkere krijgers droegen meestal ook nog een pantser op het lichaam of een kort maliënhemd in wapenkousen in maliën. De opstandelingen waren bevreesd voor de grote slag die zou volgen. Velen zouden liever ver weg geweest zijn.

De keuze van het slagveld was nog om een andere reden goed, waarmee elke legerbevelhebber rekening moest houden: vluchten was bijzonder moeilijk met de Leie en de stadsmuren in de rug en de Fransen in het gezicht. De 500 manschappen in reserve van Renesse, die in tweede linie opgesteld waren, konden toezien op een van de bevelen die de Vlaamse legerleiding uitgaf: wie week of vluchtte, zou neergeveld worden. Hetzelfde lot gold diegene die het verbod aan zijn laars lapte om al tijdens de slag de buit op te rapen of gevangenen te maken. ’ Dood de vijanden. Sla vooral naar de paarden’, luidden nog andere bevelen. Die genadeloze discipline, die er vooral op gericht was niemand van zijn plaats te laten gaan, was essentieel in het plan dat Renesse en de zijnen voor ogen hadden. (…)

De motivatie was groot, wraak een onderdeel van de motivatie. Veel boeren hadden geleden onder de plundertochten van de Fransen in de jaren 1297-1300. Ridders hadden familieleden die nog gevangen zaten in Frankrijk waaronder Graaf Gwij en zijn zoon Robrecht van Bethune. Anderen hadden hun eigendommen verloren omdat zij voor de graaf hadden gekozen. Nog anderen hadden familie die gesneuveld was in de strijd tegen de Fransen. De Bruggelingen moesten winnen of de uitgebreide wraak van de Fransen ondergaan. “Daarnaast was er spectaculair ceremonieel. Behalve dat zij van hun paarden stapten, droegen Gwij van Namen en Willem van Gulik ook dezelfde kleine open helm als de gemeentenaren. Voor het hele leger sloegen beiden voor de strijd een dertigtal volksleiders tot ridder onder hen Jan Born liet, Pieter de Coninck en zijn zonen Willem en Jan naast volders, wevers, vleeshouwers en enkele poorters. De boodschap was zeker voor die tijd revolutionair en ongetwijfeld als stimulans bedoeld: iedereen had kans om ridder te worden.” (Verbruggen en Falter, p.149-153)

De Vlamingen stelden zich op in een dichte slagorde, de sterkste mannen vooraan, met als doel dat geen enkele Franse ruiter door de gelederen zou breken. Een Franse kroniekschrijver, Guillaume Guiart uit Orléans, zag het Vlaamse leger in 1302 en bij een volgende slag in 1304. Hij schreef toen: “’Wie ooit de Vlamingen aldus opgesteld gezien heeft, mag zeggen dat een grote trots hen bezielt. Ze staan dicht tegen elkaar gedrongen en hun aanvoerders herhaalden voortdurend dat zij die dichte gelederen stevig gesloten moeten houden. Dat zij niemand er laten binnendringen, ziedaar de voornaamste raad die ze zonder ophouden geven.’”

De slag begon toen de Franse kruisboogschutters hun pijlen naar de Vlamingen schoten. Daarna werden speren gegooid en stenen gesmeten. Ze richtten weinig schade aan onder andere door de bescherming achter de beken. De Vlamingen hadden tussen de beken en hun troepen een strook vrijgelaten om de schade van pijlen, stenen en speren zoveel mogelijk te beperken.

Toen vond Robert van Artois dat het aan de ruiters was om aan te vallen. “Vier ridderscharen raakten aan de Franse linkerzijde naar de Grote Beek, drie, iets later, naar de Groeningebeek. Beide sloten waren geen gemakkelijke hindernis voor de grote en zwaarbeladen paarden. Sommige dieren weigerden eerst, moesten gedwongen worden toch de sprong te wagen. Andere struikelden, zodat hun ruiter uit het zadel vloog. Nog andere paarden liepen vast in de oevers van de beken, of misten hun sprong. Toch verliep de overtocht over het algemeen vlot. Om niet verrast te worden door een aanval van de Vlamingen sloten de Franse ridders aan de overkant snel de gelederen, waarna ze hun stormloop voortzetten. In eerste instantie was dat het geval voor de Franse linkervleugel van Nesle, die tegen de Bruggelingen, aan de Vlaamse rechterflank, en de krijgers uit het Brugse Vrije in het centrum, oprukte.

’Elke Vlaming zag, geloof mij, twee horsen[2] die snel op hem afkwamen.’ Honderden zwaar gepantserde ridders, volledig beschermd met maliënhemden en platen, die met hun paarden aanstormden, met lange lansen in de aanslag, onder luid geschal van trompetten. Instinctief sloten de Vlamingen nog meer de gelederen. Maar ze weken niet. De muur van gevelde pieken, lansen en, in tweede lijn, goedendags bleef staan. Wevers, volders, handwerkers van alle slag, boeren: ditmaal zetten ze het niet op een lopen voor de heren.

Prompt sloeg de verwarring toe in de Franse rangen. De meest ervaren ruiters wisten zo te manoeuvreren dat ze hun paard op de Vlaamse krijgers en langs de lansen en pieken stuurden. Anderen begrepen dat ze hun paard en misschien zichzelf de dood indreven, aarzelden en vertraagden hun draf. De meeste Franse edelen gingen echter door, zoals hen dat geleerd was. In het centrum van het front had dit het meeste succes. De afstand tussen beek en slagorde was daar het grootst geweest, zodat de paarden nog een stevige draf hadden kunnen ontwikkelen. Op de plaats waar de krijgers van het Brugse vrije stonden, drongen de Fransen door. Daar werd spoedig hard gevochten en leek een doorbraak voor de aanvallers mogelijk.

De Bruggelingen daarentegen hielden stand, met een uitstekende organisatie en een hardnekkigheid die ze in de daaropvolgende twee jaar voortdurend zouden demonstreren. Het was daar, op hun linkervleugel, dat de Fransen hun eerste aanvoerders verloren. Godevaart van Brabant[3] probeerde, net als in Woelingen 14 jaar voordien, een doorbraak te forceren.”

Godevaart van Brabant zou sneuvelen maar de geliefde Willem van Gulik ook. Het is zo goed als zeker dat de gehate Jacques de Châtillon ook sneuvelde. De bevelhebber van de Franse troepen, Robert van Artois, werd ook geveld. Veel Franse ruiters waren met hun paarden in de beken blijven vastzitten en werden daar afgemaakt. Waarschijnlijk sneuvelden er ongeveer 1250 Franse edelen in Kortrijk. Er werden waarschijnlijk ongeveer 500 paar gulden sporen van de Franse ruiters gevonden. “Behalve Artois en Flote sneuvelden zeven van de acht bataelgen-aanvoerders. Enkel op het einde van de veldslag, toen de overwinning binnen was, begonnen de Vlamingen ook gevangenen te nemen.” (Verbruggen en Falter, p. 156-157)

Tijdens de strijd vielen de Franse troepen in het kasteel aan de Leie-oever de Vlaamse troepen te paard aan. De Vlamingen weerstonden de aanval en konden de ruiters terug in het kasteel drijven. (Verbruggen en Falter, p. 160-162)  De Vlamingen zouden kort nadien ook Rijsel en Douai bevrijden. Korte tijd nadien hadden de opstandelingen in Vlaanderen onder hun controle gebracht op het kasteel van Rupelmonde na dan nog een tijd in handen van de leliaards zou blijven. (Verbruggen en Falter, p. 169)

Er was geen twijfel mogelijk. De Vlaamse troepen, een leger van voornamelijk ambachtslui had het machtigste leger van de christelijke wereld in de pan gehakt. Du jamais vu!

Dr. Marc Vermeersch     marc.vermeersch@gmail.com
1302, Klassenstrijd in Vlaanderen (1, economie)
1302, Klassenstrijd in Vlaanderen (2, wol en landwinning)
1302, Klassenstrijd in Vlaanderen (3, sociale klassen)
1302, Klassenstrijd in Vlaanderen
(4, invloed, kunst enz.)
1302, Klassenstrijd in Vlaanderen (5, handel)

1302, Klassenstrijd in Vlaanderen (6, Brugse Metten)

1302, klassenstrijd in Vlaanderen (7. De Brugse Metten)

[1] De goedendag was een eenvoudig en goedkoop maar geducht wapen, dat vooral in de 13e en 14e eeuw gebruikt werd. Het werd vooral bekend in de Guldensporenslag, waar het uiterst effectief bleek tegen chargerende ruiters.
Het wapen was een circa anderhalve meter lange boomstam van 10 cm diameter, die aan het uiteinde dikker uitliep en bovenaan voorzien was van een stalen punt. Het wapen kon op twee manieren gebruikt worden: als slagwapen (knots) of als steekwapen. Het was stevig genoeg om een aanval van een gepantserde ruiter te stoppen. https://nl.wikipedia.org/wiki/Goedendag_(wapen)
[2] Hors, een oud Nederlands woord voor paard, cfr. het Ros Beiaard. Daarin is hors al ros geworden. In het Engels: horse..
[3] Familie van de hertog van Brabant die vrijwillig met de Fransen meevocht.

 

Advertenties
Geplaatst in 1302, guldensporenslag, de veldslag, Uncategorized | Tags: | Een reactie plaatsen

1302, klassenstrijd in Vlaanderen (7. De Brugse Metten)

 

1302 Brugse Metten

middeleeuwse prent van de zgn. “Brugse metten”  in de Grandes Chroniques de France, 14e eeuw

Tijdens de winter van 1301–1302 kwam de graaf in contact met Pieter de Coninck. Hij raadde hem aan om naar Brugge terug te keren. De Coninck deed dat. Hij kwam er in februari 1302 aan. Hij en zijn aanhangers kregen direct de steun van het volk en het duurde niet lang voor de Fransgezinde poorters de stad verlieten. De Coninck was verstandig genoeg om de poorters niet uit het stadsbestuur te sluiten. Ze kregen met vier op 13 raadsleden zelfs een oververtegenwoordiging. Jan Heem en Jan Breydel werden burgemeesters. Nieuw was dat een korps gecreëerd werd van ‘hondermannen’, 100 afgevaardigden van de ambachten die voortaan zouden toezien op de stadsrekeningen. ”De mandatarissen in dat korps kregen jaarlijks een vergoeding van 20 £. Op die dure manier poogden de nieuwe heersers duidelijk zoveel mogelijk lagen van de bevolking aan zich te binden. Dat lukte hen ook. In de daaropvolgende jaren zou de grote massa van Brugse handwerkers lijf en leven wagen om de verworven rechten (…) te kunnen handhaven.”

 

Op 2 april hadden Gentse poorters een opstand van de ambachten uitgelokt. Deze slaagden er in de poorters te verslaan, niet zonder er 10 of 12 geëxecuteerd te hebben. Toen men dit in Brugge vernam smeedde Pieter De Coninck plannen om de opstand over heel Vlaanderen uit te breiden. “Ze verzamelden fondsen, door steun te vragen bij graafgezinde poorters en door de bezittingen van de koningsgezinden aan te slaan. Damme, Aardenburg en de kleinere steden aan het Zwin deden mee met Brugge. Dat betekende meteen ook dat ze een stadsbestuur van de ambachten kregen en dat de goederen van de koningsgezinde poorters er werden aangeslagen.” De opstand werd uitgebreid naar Sijsele en Male. Een kleinzoon van de Graaf, de populaire militaire leider Willem van Gulik, stond aan het hoofd van de Brugse troepen die hij organiseerde en uitbreidde. Toen een poging om Gent bij het verzet te betrekken mislukte vertrok Pieter De Coninck voor een tweede keer uit Brugge, net als Willem van Gulik.

Rond half mei kwam Jacques de Châtillon in de omgeving van Brugge. Het stadsbestuur bood hem de onderwerping van de stad aan en ze gingen akkoord om diegenen te straffen die in Male Fransen hadden gedood. De Fransen beloofden dat ze met slechts 300 ruiters zonder bewapening de stad zouden binnengaan. (Verbruggen en Falter, p. 139-140)

Op 16 mei konden alle Bruggelingen die vervolging moesten vrezen de stad verlaten voor de middag van de volgende dag. Duizenden mannen verlieten Brugge en trokken naar Damme, Aardenburg en Oostburg. Velen bleven slapen aan de oevers van het Zwin. In Damme lag een klein Frans garnizoen. De Bruggelingen overvielen hen doodden er enkele, verwondden er anderen en genoten van de voorraden voedsel en drank.

De Brugse Metten

Op de vooravond van 17 mei rukte Jacques de Châtillon aan het hoofd van 120 Franse ridders en een leger van 800 gepantserde ruiters en 300 kruisboogschutters en voetvolk Brugge binnen. De Fransen verspreidden zich over de stad om te gaan slapen. De bannelingen werden verwittigd e, besloten om terug te keren en te vechten. Ze keerden ‘s nachts terug naar de stad waarbij ze gemakkelijk via de gedeeltelijk gesloopte wallen binnen konden dringen. Ze vielen de Fransen aan waarvan er tientallen werden gedood voor ze hun wapenrusting aan hadden. Het was toen dat de woorden ‘scilt ende vrient’ gebruikt werden om de Fransen te herkennen. Jacques de Châtillon kon ternauwernood ontsnappen, zijn paard werd gedood, en 120 van zijn mannen sneuvelden. De Bruggelingen namen minstens 85 edellieden, ridders en edelknapen gevangen onder wie 19 Vlaamse ridders. Het nieuws over deze Franse nederlaag ging Europa rond en maakte Filips de Schone woedend. Ten oorlog!

Begin juni volgde de intocht van Gwij van Namen, die in Brugge ontvangen werd als een vorst. De Bruggelingen bezochten daarna Aardenburg, Kortrijk, Gent, Aalst en Ieper om hun bondgenootschap te vergroten. Gedurende al deze jaren was één van de sterke punten van Brugge dat het een goed financieel beleid voerde. De stad was telkens weer in staat om de dure krijgshandelingen en de voorbereiding van de oorlog te financieren.

Op 31 mei vertrok Willem van Gulik met Pieter De Coninck aan het hoofd van een leger Bruggelingen en mannen uit het Brugse Vrije[1] de stad uit. Ze trokken langs de kuststreek tot in Sint-Winoksbergen (nu Bergues, F) dat verlaten werd door het Franse garnizoen. Ieper werd daarna ook bevrijd. Het kon direct 500 gewapende gemeentenaren en een aantal kruisboogschutters leveren. Gwij van Namen kon Kortrijk inpalmen op 23 juni de Fransen bleven echter het kasteel bezetten met 334 soldaten. Zij staken met de vuurpijlen een groot aantal huizen in brand.

In Gent bleven de leliaards aan de macht. Omdat Oudenaarde overgestapt was naar de Bruggelingen werd graantransport over de Schelde naar Gent afgesloten. Brood werd er schaars, er was honger. Onder leiding van Jan Borluut verlieten honderden Gentenaars in het geheim hun stad om zich bij de Bruggelingen aan te sluiten.

Intussen had de Franse koning ook gemobiliseerd. Hij verbleef op 23 juni in Atrecht (Arras). Op 18 juli vielen de Fransen de Doornikpoort in Kortrijk aan en ‘s anderendaags de Rijselpoort. Tevergeefs, want de Vlamingen hielden stand.

Robert van Artois, die aan de Maas, in Spanje, Calabrië, Sicilië en Apulië had gevochten en de Engelsen uit Italië had verdreven, was de roemrijke hoofdaanvoerder van de Franse troepen. Hij had in 1296 en 1297 al in Vlaanderen gevochten. Het terrein was hem dus niet onbekend. Hij wilde de Vlamingen tot een open veldslag dwingen op de Groeningekouter.” (Verbruggen en Falter, p. 147) De twee partijen maakten zich op om op 11 juli te vechten.

Dr. Marc Vermeersch@gmail.com

[1]Het Brugse Vrije was de grootste kasselrij in het graafschap Vlaanderen. Het omvatte de streek rond Brugge, begrensd door de Noordzee, de Westerschelde en de IJzer. In oorsprong was het de kasselrij van Brugge, maar later werden de stad en het Vrije als aparte gewoonterechtsgebieden beschouwd. Het Brugse Vrije was een rijk landbouwgebied. Het had een eigen burggraaf, die zetelde op de Burg in Brugge, en maakte vanaf het einde van de 14e eeuw deel uit van de Vier Leden van Vlaanderen, samen met de drie grote steden Gent, Brugge en Ieper. Het Brugse Vrije zetelde ook in de bijeenkomsten van de Staten van Vlaanderen. https://nl.wikipedia.org/wiki/Brugse_Vrije 

1302, Klassenstrijd in Vlaanderen (1, economie)
1302, Klassenstrijd in Vlaanderen (2, wol en landwinning)
1302, Klassenstrijd in Vlaanderen (3, sociale klassen)
1302, Klassenstrijd in Vlaanderen
(4, invloed, kunst enz.)
1302, Klassenstrijd in Vlaanderen (5, handel)

1302, Klassenstrijd in Vlaanderen (6, Brugse Metten)

Geplaatst in 1302, guldensporenslag, Brugse Metten, Uncategorized | Tags: | 2 reacties

1302, klassenstrijd in Vlaanderen (6, politiek, aanloop naar 1302)

Politiek

Na het verdrag van Verdun in 843 werd het Karolingische rijk in drie gedeeld. In het oosten/noordoosten Duitsland, het Heilig Roomse Rijk, in het centrum Lotharingen en in het westen/zuidwesten Francia, het land van de Franken. Lotharingen zou vrij snel uit elkaar vallen en voor een groot deel opgaan in het Heilig Roomse Rijk. De grens tussen Duitsland en Frankrijk, de Schelde, liep door België. Het grootste deel van België hoorde bij Duitsland, het toenmalige Vlaanderen, Kroon Vlaanderen, maar ook het zuiden van Zeeland, lag voor het belangrijkste deel in Frankrijk. Het deel dat bij het Heilig Roomse Rijk hoorde is Rijks Vlaanderen.

1302 Pieter De Coninck Jan Breydel

standbeeld van Pieter De Coninck en Jan Breydel op de markt van Brugge

De Vlaamse graven
De Vlaamse graaf een vazal van de Franse koning. Dank zij zijn lakenindustrie en zijn hoge bevolkingsdichtheid was Vlaanderen het rijkste gebied van Frankrijk. De Franse koningen hadden als ambitie om elk gebied dat ze in Frankrijk niet controleerden over te nemen van de plaatselijke graven, hertogen enzovoort. Het zou eeuwen duren voor ze daar in slaagden, behalve voor Vlaanderen dat ze wel gedeeltelijk maar niet volledig, in handen zouden krijgen.

 

De 13de eeuw was in dat opzicht niet goed begonnen voor de toenmalige Vlaamse graaf, Ferrand van Portugal die van Portugese afkomst was en door zijn huwelijk Graaf van Vlaanderen. De Franse koning had in 1214 de slag van Bouvines gewonnen tegen een coalitie van Engeland, Vlaanderen en de Duitse keizer. Daarna werd de Vlaamse graaf, geketend aan handen en voeten door Parijs gedragen waar hij door de Parijzenaars kon uitgejouwd en bespuwd worden. Hij werd opgesloten in het Louvre. “Pas 12 jaar later, met kerstmis 1226, kon hij Parijs weer verlaten, als een gebroken, oude man van 40.“ Het was een keerpunt. Voor het eerst in drie eeuwen kon de Franse koning zeggen dat hij sterker was dan zijn belangrijkste vazal, de graaf van Vlaanderen.

Gwij van Dampierre. werd graaf van Vlaanderen in 1252. Door zijn huwelijk werd hij ook graaf van Namen.

De staten van Vlaanderen

De staten van Vlaanderen waren de vertegenwoordiging van Gent, Ieper en Brugge, een soort parlement avant la lettre. Rond 1350 kwam er een vierde lid bij, het Brugse Vrije. De state van Vlaanderen zouden blijven bestaan tot de Franse hen afschaften in 1794.

De aanloop naar 1302

Na 1270 ging het economisch niet goed in Vlaanderen. Gravin Margaretha werd door de Engelse koning gedwongen haar lening aan hem kwijt te schelden. Koning Henry had haar daartoe gedwongen door de uitvoer van Engelse wol naar Vlaanderen te verbieden. Dat leidde hier tot een economische crisis. “Het conflict leverde enkele jaren van crisis en dus ellende in de Vlaamse steden op en dat maakte ook de sociale en politieke verhoudingen heel wat scherper. Al in het voorjaar van 1274, enkele maanden voor het afsluiten van het verdrag met de Engelse koning, moet het in Gent tot een samenzwering of revolte gekomen zijn van het gewone volk, het gemeen, tegen het oligarchisch stadsbestuur.” (Verbruggen en Falter, p. 38)

In de Vlaamse steden hadden de poorters de macht in het stadsbestuur maar de graaf had vaak ook nog een deel van de macht. “Gent had sedert 1228, toen het fors had bijgedragen in de koopsom voor de vrijlating van graaf Ferrand, een zeer aristocratisch stadsbestuur, de XXXIX. Het bestond uit 13 zetelende schepenen, 13 raadslieden die hen het jaar nadien zouden opvolgen, en 13 zogenaamde vacui, de schepenen van vorig jaar die 12 maanden aan de kant bleven alvorens het volgend jaar weer raadslid te worden. Stierf of stopte iemand van de XXXIX, dan verkozen zijn 12 collega’s binnen elk van de drie geledingen een opvolger. Elk jaar op Maria Hemelvaart vond rotatie plaats. Een dergelijk gesloten systeem vormde onvermijdelijk een vrijbrief voor een oligarchisch bewind van een kleine kern poorters.

Het bleef in Gent ook gisten in 1275. Vermoedelijk in de zomer ging de gravin zelf een kijkje nemen in de stad, waar zij, volgens een verslag van afgevaardigden van het gemeen aan de Franse koning enkele maanden later, het volk ‘in ontelbare aantallen zag toestromen’. Margareta (…) ‘aanhoorde hun verschrikkelijke kreten en begreep hun trieste smeekbeden’ want ‘allen riepen met één stem dat ze de stad zouden verlaten, om er nooit meer weer te keren als de gravin de organisatie van de schepenbank van stad niet zou wijzigen.’ De gewone burgers konden ‘noch rustig, noch veilig meer leven, maar werden dagelijks vernederd en onderdrukt, zoals slaven. De schepenen gaven dagelijks meer uiting aan hun hebzucht en hun arrogantie omdat ze, ondanks alle wandaden, er zeker van waren dat ze niet konden worden afgezet.’” (Verbruggen en Falter, p. 39)

“De gravin was in dit conflict de bondgenote van de ambachtslui. In oktober 1275 wilde ze het stadsbestuur, de XXXIX raaadsleden, ontbinden. De poorters gingen echter in beroep bij het hoogste juridische gezag van het koninkrijk, het Parlement van Parijs aan het hof van de koning. Dat vellde zijn besluit, na een onderzoek ter plaatse, in juli 1277. Het systeem van de XXXIX, zoals vastgelegd in 1228, bleef gehandhaafd. Maar acht schepenen die zich schuldig hadden gemaakt aan te grove misbruiken moesten opstappen. Koning Filips III hield zich ten slotte het recht voor om op een later tijdstip een besluit te nemen over de meeste betwiste punt. Het nazicht van de stadsrekeningen.” (Verbruggen en Falter, p. 39)

De koning was nu eens de bondgenoot van de ene partij, dan van de andere in Vlaanderen maar hij volgde altijd zijn eigen belang. Hij was bijna permanent in oorlog en had daar veel geld voor nodig. Hij was een valsmunter die zijn eigen munt tot een derde van de waarde had vervalst. In de periode die hier besproken wordt concentreerde hij zijn aandacht op Vlaanderen dat in vergelijking met andere gebieden in Frankrijk zeer rijk was en dus veel belastingen kon opbrengen. Filips gedroeg zich als een buitenlandse machtshebber. Hij hield weinig rekening met de kwestbare Vlaamse economie die afhankelijk was van de wolimport uit Engeland.

Zoals dit conflict waren er talrijke  in deze periode van de middeleeuwen. Er werden door de Franse koning, maar door de Vlaamse graaf aan stadsbesturen gigantische boetes opgelegd al waren deze van Filips de grootste. Inwoners die bij een verliezende partij hoorden konden een deel van hun bezittingen of al hun bezittingen verliezen. Niet zelden werden mensen terechtgesteld of verbannen.

De strategie van de Franse koning was Vlaanderen veroveren. Alle middelen waren goed om dat doel te bereiken: het brandschatten van het zuiden van Vlaanderen, het opleggen van belastingen, het betrekken van de paus(en) in bondgenootschappen. De paus verbood op een bepaald moment b.v. om in het graafschap Vlaanderen nog de mis te lezen wat veel gelovige christenen als een zware straf beschouwden. Het is opvallend dat de troepen van Filips de Schone bij het plunderen vaak brand stichtten, mensen vermoordden en er ook niet voor terug schrokken kerken en kloosters in brand te steken. Op een bepaald moment plunderden ze een vrouwenklooster en verkrachtten de zusters. “Toen al te drieste manschappen het cisterciënzerklooster van Flines ten zuiden van Orchies overvielen, waar de moeder van de graaf van Vlaanderen begraven lag, daar de nonnen verkrachtten en ze naakt meenamen tot in het legerkamp, werd het koning Filips iets te bar en liet hij de ontvoerders straffen.”

Een ander voorbeeld uit tientallen mogelijke voorbeelden uit het jaar 1300, het jaar waarin Filips de Schone Vlaanderen onderwierp. “Dergelijke schermutselingen en plundertochten vormden de essentie van de oorlog in de daaropvolgende weken. Op een dag organiseerde Charles van Valois en zijn leger een expeditie naar Gent, waar ze misschien proberen in contact te treden met de graaf en zijn medestanders. Die waren er op dat ogenblik niet en dus keerden de Fransen terug naar Brugge, niet zonder eerst Nevele en 12 andere dorpen in de buurt geplunderd en in brand gestoken te hebben. Strooptochten, van beide partijen, vonden ook plaats in de streek van Deinze en van Veurne, en rond Ieper en Damme. Mogelijk vanaf maart begonnen de Fransen de twee laatstgenoemde steden te belegeren. Gwij van Namen leidde de Vlaamse troepen in de Lakenstad, Willem van Dendermonde die in de haven, terwijl Robrecht van Bethune de rol van zijn vader had overgenomen in de vesting Gent.“ (Verbruggen en Falter, p. 113)

Na de Franse overwinning waren sommige steden in handen van fransgezinden, de leliaards, maar andere toch nog in handen van aanhangers van de graaf, de liebaards (men sprak toen niet van klauwaards). Steden die voor de graaf hadden gekozen werden gestraft. Ieper kreeg bijvoorbeeld een astronomisch hoge boete: 120.000 £ en een jaarlijkse rente van 3000 £, uitsluitend te betalen door de aanhangers van de graaf. Het gevolg was dat die laatsten de stad verlieten, wat de schepenen enkele maanden later deed klagen bij de vorst dat de boete niet betaald moest worden door zijn aanhangers. Maar ook toen veranderde Filips niet. Vlaanderen was door de koning quasi geannexeerd en toegevoegd aan zijn kroondomein.

In 1301 was Brugge de enige grote Vlaamse stad die de koning steunde hoewel het al drie jaar door hem van de zee was afgesneden want hij had Damme bevoordeligd. Hij slaagde er echter in om ook de Bruggelingen tegen zich in het harnas te jagen. Uit een toenmalige kroniek: “Hij kwam naar Brugge en werd daar goed gezien en ontvangen door de goede mensen van de stad. Zo ook zijn mannen. Ze bleven er met zovelen. Zolang dat sommigen de goede vrouwen ontvoerden en verkrachtten, van de burgerij van de stad, en andere, en jonge meisjes. Zozeer dat het die van Brugge begon tegen te steken. En om die feiten, en om andere, begon ze in het geheim samen te komen.” (Verbruggen en Falter, p. 126)

Ook in Gent kon de koning het verkerven. “Toen koning Filips op 22 mei zijn intrede deed in de straten van Gent, juichte het volk hem toe maar uit de massa stegen meteen ook stemmen op om de koning te vragen een einde te maken aan het ongeld, een speciale belasting op voedingswaren, en vooral op bier en mede (een soort honingdrank). De koning was goedgehumeurd, meldt de minderbroeder, en stemde toe. De toezegging kostte hem ook niets, wel veel geld aan het stadsbestuur dat alles behalve enthousiast reageerde, niet alleen omdat Gent nog met hoge schulden opgezadeld zat, maar ook omdat de schepenen hun percentage op de inning van de belasting zagen verdwijnen.”  (Verbruggen en Falter, p.127) Het Brugse stadsbestuur had schrik dat de koning het zelfde zou doen als in Gent. Het besloot om de kosten van het voorbije bezoek van de koning af te wentelen op de ambachten. Dat was voldoende voor een explosieve situatie Toen verscheen een wever, Pieter de Coninck, voor het eerst op de voorgrond. “’Maar hij was welbespraakt en kon zo mooi spreken dat men van een werkelijk wonder kan spreken. En de wevers, de volders en de scheerders[1] geloofden hem zozeer en zagen hem zo graag dat hij niets zeggen of bevelen kon of ze voerden het uit.’ Schreef de burger van Atrecht.” (Verbruggen en Falter, p. 127-128)

De wevers waren het grootste ambacht in Brugge. In 1321-22 nam men aan dat er in de stad evenveel wevers waren als poorters: 1280 man, daarnaast waren er 853 volders, 426 scheerders en 320 vleeshouwers. Wie ook op de voorgrond kwam was Jan Breydel, een vleesschouwer (slager) en Jan Heem, een volder. Het stadsbestuur sloot Pieter De Coninck in juni 1301 op, wat tot oproer leidde. De Coninck werd vrijgelaten maar de vertegenwoordiger van de koning in Vlaanderen, Jacques de Châtillon, vormde een leger van 500 ruiters. Poorters zouden de stadspoorten voor hem openen maar de ambachten verzamelden snel en hielden de poorters buiten. De massa doodde daarna enkele poorters, verwondde anderen en nam er ook enkele gevangen. De Fransen verzamelden een groter leger en trokken opnieuw op tegen Brugge. Het stadsbestuur wilde onderhandelen en verbande Pieter de Coninck en zijn felste aanhangers uit de stad en het graafschap. De Châtillon legde d stad een zware boete op en verplichtte een deel van de wallen af te breken en schafte de vrijheid en voorrechten van de stad opnieuw af. De Fransen namen ook 466 gijzelaars die ze lieten afvoeren naar Doornik. Zelfs de poorters en het koningsgezinde stadsbestuur vonden dit van het goede teveel. Ze dienden klacht in bij het Parlement van Parijs, de hoogste rechtbank in Frankrijk.

Jan van Namen, zoon uit het tweede huwelijk van Gwij van Dampierre met Isabella van Luxemburg, kreeg van hen het graafschap Namen. Hij was in 1301 vooraan in de twintig, een bekwaam militair leider die het lange verzet in 1300 tegen de Fransen in Ieper had geleid. Een koener Vlaming werd nooit geboren’ schreef de kroniekschrijver van zijn Hollandse tegenstanders, Melis Stoke.

Dr. Marc Vermeersch    marc.vermeersch@gmail.com

Zie ook andere delen van deze reeks:
1302, Klassenstrijd in Vlaanderen (1, economie)
1302, Klassenstrijd in Vlaanderen (2, wol en landwinning)
1302, Klassenstrijd in Vlaanderen (3, sociale klassen)
1302, Klassenstrijd in Vlaanderen
(4, invloed, kunst enz.)
1302, Klassenstrijd in Vlaanderen (5, handel)

Advertenties

[1] Scheerders moeste het gevolde laken egaal afwerken.

Geplaatst in 1302, guldensporenslag, middeleeuwen, Uncategorized | Tags: | Een reactie plaatsen

1302, klassenstrijd in Vlaanderen (5, handel)

Handel

Vanaf ongeveer het jaar 1000 begon West-Europa zich te herstellen van de chaotische ‘donkere middeleeuwen’. De bevolking groeide weer, talloze nieuwe steden ontstonden en de handel breidde zich sterk uit. Ook de Lage Landen profiteerden hiervan. Vlaanderen was buiten Italië het dichtst bevolkte gebied van Europa, uiteraard van Frankrijk. “Van dat dichtbevolkte Frankrijk was Vlaanderen het dichtstbevolkte deel, op Parijs na, waarvan het aantal inwoners geschat wordt op 90 000. In het graafschap trof je om de 5 uur wandelen een stad aan, een voor die tijd fenomenaal gemiddelde. Gent, met zijn naar schatting 50 000 inwoners, was de tweede grootste stad van Frankrijk, in inwonersaantal de evenknie van Londen. Ook Brugge en Ieper, met respectievelijk 40 000 en 20 000 inwoners, konden als grootsteden, in het koninkrijk de evenknie van Bordeaux, Rouen en Toulouse. Met Douai en Rijsel boven de 10 000 zijn de grote steden van het graafschap opgesomd..” (…) 

Tussenin lag nog een dicht netwerk van kleinere, snel opschietende stadjes, met enkele duizenden inwoners en een omwalling.” (Verbruggen en Falter, p. 32) De cijfers voor de steden komen het beste overeen met de situatie zond 1100 wat er  op wijst dat de 11de eeuw een eeuw van grote groei moet geweest zijn. Handel ging over zee maar ook over land. De jaarmarkten van de champagne waren de ontmoetingsplaats van handelaars die uit Italië, Frankrijk en Vlaanderen kwamen. In de Champagnestreek gingen verschillende jaarmarkten door waar producten uit Zuid- en West-Europa verhandeld werden. Ze waren belangrijk voor de lakenhandel.

De Duitse Hanze
1302 Kaart_Hanzesteden_en_handelsroutes
Met Diederik van de Elzas en Filips van de Elzas (rond 1160-1170) werd Vlaanderen steeds belangrijker. Onder hun bewind konden de steden zich ontwikkelen en werden de instellingen organisatorisch hervormd. De havens Grevelingen/Gravelines (F), Nieuwpoort, Damme en Biervliet werden gesticht. Er werd handel gedreven met Engeland, de Baltische landen en Frankrijk en over land met het Rijnland en Italië. Vooral de import van wol uit Engeland was van belang voor de opkomende lakennijverheid. Daarnaast was er een belangrijke graanvaart op Engeland en via Holland op Hamburg. Sint-Omaars/Saint Omer werd in de 12e eeuw de belangrijkste noordelijke doorvoerhaven voor Franse wijn. In Nederland waren het de IJsselsteden (Doesburg, Zutphen, Deventer, Kampen, Elburg, Harderwijk).die zeer grote welvaart bereikten door de handel binnen het Hanzeverbond, met voornamelijk wol, graan en hout.

Het economische zwaartepunt lag tussen 1100 en 1500 duidelijk in Vlaanderen waar Brugge door handel en Gent door de lakenproductiezeer welvarend werden. Belangrijk was de handel tussen het Rijnland (glas, aardewerk, metalen) en Engeland (wol) die hier samenkwam. Brugge, een belangrijk hanzekantoor, had zeewaarts een verbinding met Londen waar een hanzekantoor was, maar ook de handel met het zuiden van Frankrijk (zout, wijn) en het Iberische Schiereiland was belangrijk. Over land was er de verbinding met de handel van de Westfaalse en de Rijnlandse Hanzesteden (rijnwijn) en de Italiaanse steden (kruiden, zuidvruchten zoals gedroogd fruit).

De Italiaanse handelaars slaagden er in om West-Europa te bereiken met hun schepen. Dit had als gevolg dat veel meer vracht, veel goedkoper West-Europa bereikte. Over de Alpenpassen was het tot dan toe vervoer met paard en kar geweest. Brugge zou daar eerst en meest van profiteren. Italiaanse handelaars en financiers vestigden in de stad. Brugge was lid van de Duitse Hanze  (zie kaart), waarvan het handelsnetwerk ook Dinant, Londen, vele Duitse steden maar ook meerdere steden aan de Oostzee tot in de Baltische landen omvatte. Vlaams laken werd verkocht tot in Rusland.

Dr. Marc Vermeersch    marc.vermeersch@gmail.com
Zie ook andere delen van deze reeks:
1302, Klassenstrijd in Vlaanderen (1, economie)
1302, Klassenstrijd in Vlaanderen (2, wol en landwinning)
1302, Klassenstrijd in Vlaanderen (3, sociale klassen)

1302, Klassenstrijd in Vlaanderen (4, invloed, kunst enz.)

Geplaatst in handel Europa, hanze, middeleeuwen, Uncategorized | Tags: | Een reactie plaatsen

1302, klassenstrijd in Vlaanderen (4, invloed, kunst enz.)

Spieghel Historiael cover

Het belang van Vlaanderen en de Nederlanden in Europa in de hoge middeleeuwen, aan de hand van enkele voorbeelden

1066, de verovering van Engeland
1066 Boudewijn V steunde kort voor zijn dood de verovering van Engeland in 1066 (Hastings) van zijn schoonzoon Willem de Veroveraar, die gehuwd was met zijn dochter Mathilde van Vlaanderen.

1099, eerste kruistocht, de verovering van Jeruzalem
Godfried van Bouillon, die net als zijn voorouders ook Middelnederlands sprak, had de leiding bij de verovering van Jeruzalem.

Boudewijn IX, werd als Boudewijn I, keizer van Constantinopel, 1204-1205
Boudewijn (Valencijn, juli 1171-Bulgarije, 1205) was als Boudewijn IX graaf van Vlaanderen van 1194 tot 1205 en als Boudewijn I in de jaren 1204 en 1205 de eerste keizer van het Latijns Keizerrijk van Constantinopel.

De Vlaamse Marco Polo, Willem van Rubroek, en zijn reis naar China, 1253-1255
Hij was gezant van de Franse koning én vanwege zijn hoop op bekering van de Mongolen trok hij naar de Groot-Khan tot in Karakoroum, waar hij aan het hof notabene een Franse edelsmid aantrof. Hij schreef een verslag in het Latijn.[1] “Willem van Rubroeck was een Vlaamse missionaris van de orde van de franciscanen. Hij was afkomstig uit Rubroek (Rubroeck) nabij Kassel in Frans-Vlaanderen. Hij maakte van 1253 tot 1255 een reis naar het Mongoolse rijk. Het in het Latijn geschreven verslag van die reis wordt door hedendaagse historici in termen van kwaliteit en betrouwbaarheid superieur geacht aan alle andere Europese verslagen over het rijk van die periode.”
Hij ontmoette een van de grootste geleerden van de middeleeuwen, Roger Bacon. “Roger Bacon heeft enkele jaren later ergens in Frankrijk Van Rubroeck nog een keer ontmoet. Bacon had een gesprek met hem, kopieerde delen van het reisverslag en nam die op in de geografische sectie van zijn Opus Majus. De best mogelijke aanname voor het tijdstip van die ontmoeting is 1257 of 1258. Daarna verdwijnt Van Rubroeck geheel uit beeld.” (Wiki,  nl.wikipedia.org/wiki/Willem_van_Rubroeck) Marco Polo reisde later, tussen 1271 en 1298 naar China. Tijdens de lezing in Koksijde vertelde iemand dat Rubroek (Noord-Frankrijk) elk jaar Willem van Rubroeck herdenkt en dat daar telekdn een delegatie uit Mongolië op bezoek komt.

Van Rubroek Rode Ridder

WIllem van Rubroek komt voor in een stripverhaal van de Rode Ridder. Hieronder: een waardering van de strip.

van Rubroek Rode Ridder commentaar

 

Jacob van Maerlant, en de Spieghel Historiael, een middeleeuwse encyclopedist
Jacob van Maerlant (Brugse Vrije, ca. 1235 – ca. 1300) was een Vlaams dichter uit de dertiende eeuw en een van de belangrijkste Middelnederlandse auteurs. Met zijn meer dan 230.000 verzen was hij ook een van de productiefste middeleeuwse auteurs. Zijn belangrijkste werken zijn omzettingen uit het Frans en het Latijn.
Op de grafplaat stond Jacob van Maerlant, bril op de neus, een boek op een lezenaar te bestuderen. Op deze lezenaar stond een uil afgebeeld, met de woorden Uyl en spieghel. Hierdoor ontstond het geloof dat dit om de grafsteen van Tijl Uilenspiegel ging, met een ware cultus als gevolg. ‘Der naturen bloeme’ (naar ‘De natura rerum’ van Thomas van Cantimpré) was de eerste natuurencyclopedie in de volkstaal. In 1271 bewerkte hij de ‘Historia scholastica’ van Petrus Comestor tot Rijmbijbel, een vertelling van de Bijbelse geschiedenis in de Nederlandse volkstaal. Hiertegen bestond in de leiding van de Rooms-Katholieke Kerk weerstand, omdat zo de Bijbel voor grote groepen gelovigen leesbaar werd.
Van 1285 tot 1288 werkte Jacob van Maerlant aan zijn grootste werk, de ‘Spieghel historiael’, een bewerking van de Latijnse kroniek ‘Speculum historiale’ van Vincent van Beauvais, waarin hij de wereldlijke geschiedenis op een didactische wijze beschreef.
In de loop der jaren zou Jacob van Maerlant zich steeds meer distantiëren van de Franse literatuur die hij historisch en tekstueel onbetrouwbaar achtte. In zijn ogen zouden de Franstalige poëzie en romans te veel de schoonheid en rijmelarij nastreven in plaats van de (feitelijke) waarheid weer te geven.[2]

Kunst
De middeleeuwse gebouwen, kerken, belforten en lakenhallen, de miniaturen en schilderijen maar ook de literatuur getuigen ook van de welvaart van Vlaanderen tijdens de hoge middeleeuwen. “Op kunstgebied zijn werken uit deze perioden als de legende van Sint Servaes van Hendrik van Veldeken, Reinaert de Vos, Beatrijs, Halewyn, mijlpalen in de literaire geschiedenis van de Lage Landen.” [3]
Dr. Marc Vermeersch   marc.vermeersch.gmail.com  

Zie ook andere delen van deze reeks:
1302, Klassenstrijd in Vlaanderen (1, economie)
1302, Klassenstrijd in Vlaanderen (2, wol en landwinning)
1302, Klassenstrijd in Vlaanderen (3, sociale klassen)

[1] Ubertinus Devolder, o.f.m., Ronny Ostyn, Paul Vandepitte, het reisverhaal van Willem van Rubroek, de Vlaamse Marco Polo: 1253-1255, de roede van Tielt, 1984. 160 bladzijden.

[2] https://nl.wikipedia.org/wiki/Jacob_van_Maerlant

[3]https://nl.wikipedia.org/wiki/Geschiedenis_van_de_opkomst_van_vorstendommen_en_steden_in_de_Lage_Landen#Graafschap_Vlaanderen_als_territoriale_leider

Geplaatst in belang van Vlaanderen in de ME, middeleeuwen, Uncategorized | Tags: | Een reactie plaatsen

1302, Klassenstrijd in Vlaanderen (3, de klassen)

weefstoel middeleeuwen

middeleeuwse weefstoel

Wat sociale klassen zijn wordt bepaald op basis van hun al dan niet bezit van de productiemiddelen en de arbeidskracht. In deze periode waren de productiemiddelen in de eerste plaats grond(bezit), bezit van grondstoffen en productiemiddelen als de weefstoel, wol, laken maar ook schepen, een graanstapel, wijn, hout, metalen enz.[1]

Er waren boeren die voor het grootste deel gronden van de adel, maar ook al van de burgerij, bewerkten. Zij hadden vaak geen grond in eigendom en maar een beperkte persoonlijke vrijheid. Zij konden b.v. zonder toestemming van hun adellijke heer het huis en de grond waar ze woonden en werkten niet verlaten, dus niet vrij verhuizen. Dat is de eerste klasse, de lijfeigenen of horigen. Ze betaalden hun heren met arbeid/karweien, graan en andere landbouwproducten maar in toenemende mate met geld. Ze hadden maar een beperkte vrijheid. Rond 1250 was deze klassieke horigheid in Vlaanderen bijna volledig verdwenen.

Aan de kust, in de polders, waren de meeste boeren zelfstandig. Zij bezaten (een deel van de door) hen bewerkte gronden. Ze huurden vaak gronden van de adel en de grote kloosters zoals Ter Duinen (Koksijde, er is vandaag een museum) en Ter Doest (Lissewege waar nog een middeleeuwse schuur staat). Hun sociale positie was vergelijkbaar met die van zelfstandigen. Ze bezaten soms grond maar zeker hun werktuigen, hun vee, kleinvee en b.v. een paard. Deze boeren waren verenigd in het Brugse Vrije, één van de vier leden van de Staten van Vlaanderen.[2] Deze boeren zouden krijgers leveren die meevochten in Kortrijk. Tussen 1323 en 1328 zouden de boeren van het Brugse Vrije in opstand komen. De boeren als groep hoorden bij verschillende sociale klassen: lijfeigenen en zelfstandige boeren.

In de steden leefden ambachtslui waaronder wevers, volders, scheerders, ververs van de lakenindustrie waarvan het grootste deel zelfstandig was maar een aantal afhankelijk was van kooplui die hen in de eerste plaats wol ter beschikking stelden die eigendom bleef van de koopman. Na verder door het productieproces gepasseerd te zijn werd het afgewerkte laken door kooplui verkocht. Daar werd de meeste winst gemaakt. Er waren naast textielbewerkers ook beenhouwers, leerbewerkers, smeden, wagen- ton- en wielmakers, bakkers, visverkopers, meubelmakers, schrijnwerkers, metsers enz. Zij kunnen in het algemeen beschouwd worden als echte zelfstandigen. Hun economische positie was vaak goed. Tenminste als de economie goed draaide. De zelfstandigen waren een sociale klasse die in de eerste plaats bestond uit ambachtslui en onafhankelijke boeren.

De sociale positie van sommige ambachtslui in de textiel was voor een deel van hen vergelijkbaar met die van latere arbeiders. Een definitie geven van een arbeider in de industrie is gemakkelijk: hij verkoopt zijn arbeidskracht en heeft geen kapitaal. Hij werkt zo goed als altijd in een werkplaats van zijn baas, een kapitalist. Als de wever geen weefgetouw had, geen wol kon aankopen en voor een koopman werkte was zijn positie vergelijkbaar met die van latere industriearbeiders. De ambachten zelf waren een sterk beschermende factor voor hun leden. Het is niet toevallig dat de burgerij na de Franse Revolutie (1789) zou eisen dat de ambachten ontbonden werden en dat ook gedaan kreeg. Ambachtslui, en toen ook arbeiders, mochten zich niet verenigen. Dat verbod zou in Nederland stand houden tot in 1837 (drukkersknechten in Breda) en in België tot 1842 (Brusselse typografen). Zij zorgden voor de opleiding en waakten over de kwaliteit van b.v. het laken. Zij zorgden ook voor onderlinge steun in geval van ziekte en overlijden. Het is daarom redelijk om voor die periode niet van arbeiders te spreken maar toch te zien dat de situatie van wevers, volders enz. er soms niet ver van afweek. Binnen een ambacht bestonden ook tegenstellingen tussen de meesters en de gezellen. De meesters betaalden de gezellen en die waren niet altijd tevreden met wat ze kregen. De ambachten waren vaak tegen technische vernieuwing wat op korte termijn een voordeel was maar op lange termijn een nadeel.

De poorters waren kooplui of ondernemers in b.v. de lakenindustrie, graanhandel, import van wijn enz. Zij werkten met kapitaal. Hun sociale positie was die van de burgerij (burger betekende oorspronkelijk inwoner van een burg, een stad). Dit is de derde sociale klasse tijdens de hoge middeleeuwen.

De adel was een vierde sociale klasse, de (groot)grondbezitters. De adel kan onderverdeeld worden in drie delen. Er was de Franse koning die veel gronden persoonlijk bezat in Frankrijk.  De Franse koningen hadden zich al lang als doel gesteld om de verschillende hertogdommen en graafschappen binnen de juridische grenzen van Frankrijk onder hun complete controle te brengen. Ze gebruikten twee tactieken: oorlogen en huwelijken. Zij hadden na eeuwen grote vooruitgang gemaakt Normandië was b.v. onder hun controle gekomen maar Aquitanië (door een huwelijk Engels geworden, belangrijk voor de wijn en de stad Bordeaux) was eigendom van de Engelse koning. Het meest aantrekkelijke gebied was Vlaanderen met zijn sterk ontwikkelde economie zijn groot potentieel aan belastingen. Een aantrekkelijke prooi voor een Franse koning die bijna permanent oorlog voerde. Het is niet overdreven te stellen dat Filips de Schone zich als een imperialist gedroeg tegenover Vlaanderen. Zijn straffen en boetes waren zelfs één van de belangrijkste redenen van het verzet. De Franse koning meestal in tegenstelling stond met zijn leenman, de Vlaamse graaf. Deze had veel gronden binnen maar ook buiten het graafschap.

De derde geleding was de kleine adel die in deze periode in Vlaanderen achteruit ging door het relatief afnemende belang van de landbouw en de opkomst van een geldeconomie in de steden waardoor hun horige boeren naar de stad konden vluchten of als kolonisten emigreren naar gebieden in het oosten van Duitsland of naar Polen.

Er waren, samengevat, vier klassen: de grondbezittende adel, de met kapitaal werkende burgerij, de zelfstandigen en de ambachtslui waarvan de sociaal economische positie grosso modo vergelijkbaar was met die van industriearbeiders later.

Die klassen waren intern dan nog vaak verdeeld. Zij kozen nu eens voor of tegen de Franse koning, voor of tegen de Vlaamse graaf enzovoort. De Gentse poorters zouden in 1302 voor de Franse koning kiezen maar 700 ambachtslui vertrokken onder leiding van Jan Borluut naar Kortrijk. De Brugse poorters zouden in 1302 voor het grootste deel voor de Vlaamse graaf en tegen de Franse koning kiezen. Er waren ook tegenstellingen tussen b.v. volders en wevers die vaak gevechten en doden als gevolg hadden. Dat was niet het geval kortvoor 1302. Enkele jaren vroeger waren die posities van de Gentse en Brugse poorters precies omgekeerd. Alle sociale klassen, alle sociale geledingen, probeerden hun belangen door bondgenootschappen zo goed mogelijk te verdedigen. In die periode leidde dat tot snel wisselende coalities.
Dr. Marc Vermeersch   marc.vermeersch@gmail.com
Zie ook andere delen van deze reeks:
1302, Klassenstrijd in Vlaanderen (1, economie)
1302, Klassenstrijd in Vlaanderen (2, wol en landwinning)

[1] Dit is één punt waar je de beperking ziet van Wikipedia. De definitie van wat een sociale klasse is, is niet waardenvrij. In de definitie van de Nederlandse Wikipedia https://nl.wikipedia.org/wiki/Sociale_klasse is dat duidelijk. Bezit van productiemiddeln wordt er niet vermeld, niets over uitbuiting maar b.v. wel status, de meest subjectieve factor die je bij ‘sociale klasse’ kan betrekken en zeker niet de belangrijkste factor. .

[2] Het Brugse Vrije was de grootste kasselrij in het graafschap Vlaanderen. Het omvatte de streek rond Brugge, begrensd door de Noordzee, de Westerschelde en de IJzer. In oorsprong was het de kasselrij van Brugge, maar later werden de stad en het Vrije als aparte gewoonterechtsgebieden beschouwd. Het Brugse Vrije was een rijk landbouwgebied. Het had een eigen burggraaf, die zetelde op de Burg in Brugge, en maakte vanaf het einde van de 14e eeuw deel uit van de Vier Leden van Vlaanderen, samen met de drie grote steden Gent, Brugge en Ieper. Het Brugse Vrije zetelde ook in de bijeenkomsten van de Staten van Vlaanderen. https://nl.wikipedia.org/wiki/Brugse_Vrije

Geplaatst in klassen, klassen, sociale -, middeleeuwen, Uncategorized, Vlaanderen 13de 14de eeuw | Een reactie plaatsen

1302, Klassenstrijd in Vlaanderen (2, wol en landwinning)

Grondontginning, wol en schapen

Polder Vlaanderen

De blauwe zones geven de polders in Vlaanderen weer. De kustpolders en de polders aan de Westerschelde werden ingepolderd tijdens de middeleeuwen. Rond 1300 was dat proces grotendeels achter de rug. Voor de inpoldering was de kustlijn zeer onregelmatig. Er lagen veel eilanden voor de kust die door de inpoldering bij het vasteland gingen horen.   

 

De wol voor de lakennijverheid kwam van schapen, die hier samen met de landbouw waren meegekomen uit Anatolië. In Vlaanderen waren veel laaggelegen gronden, meersen, die zeer geschikte gronden waren voor schapenteelt. Gent was bijvoorbeeld omringd door meersen die toen in het overstromingsgebied van Leie en Schelde. (Een van die gebieden, meerdere honderden hectaren groot, zijn de Bourgoyen-Ossemeersen in Drongen en Mariakerke. Vandaag een beschermd natuurgebied van de stad Gent.)

Aan de kust zouden kloosterorden als de cisterciënzers en benedictijnen grote gebieden inpolderen. De kloosters Ter Duinen (Koksijde, vandaag nog ruïnes, en daarnaast een interessant museum) en Ter Doest (met vandaag nog een middeleeuwse schuur). Schapen waren het enige vee dat de eerste jaren het zouthoudende gras konden verteren. Er werden dijken aangelegd die steeds langer werden en met elkaar verbonden werden. Er waren ook vrije boeren die zelf zouden inpolderen of die gronden pachtten van de kloosters. Overal waar ingepolderd werd van Friesland, Holland, Zeeland, het noorden van Vlaanderen aan de Schelde, de Vlaamse kust tot het noorden van Frans Vlaanderen, leefden zo vrije boeren. Zij zouden een belangrijke rol spelen in de politieke gebeurtenissen van die tijd.

Rond 1050 werd Boudewijn V geprezen omdat hij er rijke weilanden had gemaakt van zijn schrale kust gronden. De nieuwe gronden bleven voornamelijk grasland maar een deel werd ook gebruikt voor granen. Rond 1150 was de zee teruggedreven tot achter de duinen en had men een min of meer doorlopende kustlijn. In die periode begon men in Vlaanderen met het droogmaken van de eerste polders, “(…) mogelijk als antwoord op het gevaar van een nieuwe overstroming. Tot de 12e en 13e eeuw toe dwong dit gevaar de bewoners vluchtheuvels op te werpen of op te hogen en het was ook in die tijd dat een enorme vloedgolf de Zuiderzee schiep.”

De ontginning van natte gronden was zeer belangrijk maar tegelijk werd nog meer heide en bos omgezet in landbouwgrond.

Overal elders was in de landbouw de lijfeigenschap de regel geweest. Want de opkomst van de steden na het jaar 1000 bood boeren de gelegenheid om naar de stad te vluchten waar men na een verblijf van een jaar en een dag volwaardige burger werd. Lijfeigenschap was achteruitgegaan. Veel boeren leverden geen karweien meer maar betaalden hun plichten in geld. In een maatschappij waar handel en industrie belangrijker waren geworden dan landbouw was het inkomen van de adel relatief achteruitgegaan. Relatief want de adel zou nog eeuwen een zeer belangrijke rol spelen in de maatschappij. Het zou echter niet lang duren dat de groei van de landbouwoppervlakte en de daarbij horende productie van wol niet voldoende was om de lakenindustrie van voldoende wol te voorzien. Men begon met de invoer van wol uit Engeland. Die zou sterk groeien en een belangrijke factor worden in de politiek.

Rond het jaar 1100 was Vlaanderen een van de belangrijkste economische gebieden in Europa. Het belangrijkste buiten Italië. Buiten Italië was Parijs de grootste stad met ongeveer 100 000 inwoners, Gent telde er tot 60.000, Brugge 40.000 en Ieper tot 35 000 inwoners. ** Gent en Ieper leefden in de eerste plaats van de lakenindustrie. Gent had zijn graanstapel, van graan dat van Noord-Frankrijk via de Schelde en de Leie aangevoerd werd en in Gent opgeslagen. Brugge had een beperktere lakennijverheid maar was een internationaal handelscentrum, lid van de Hanze, een financieel centrum waar b.v. ook Italiaanse financiers vestigingen hadden.

De bevolking steeg sterk tot ongeveer 1300. Uit de Nederlanden vertrokken velen naar nieuwe gebieden ten oosten van de Elbe, in Polen, Hongarije en Bohemen. Zij werden aangetrokken door adellijke ondernemers die hun technische kennis o.a. bij het droogleggen van moerassen konden gebruiken. Een streek ten zuiden van Berlijn heet nog altijd Fläming[1]. De kolonisten werden gelokt met grond en een zeer grote, ongekede, persoonlijke vrijheid voor boeren. “Dit, naast andere factoren zoals de opkomst van de steden, die bijna overal in de Lage Landen een zeer zelfstandige en praktische vrije boeren stand ontstaan, en scherpe tegenstelling met die welke werd overheerst door het oude hofstelsel.”

[1] Zie Fläming in de Nederlandse Wiki, als u er echt veel wil van weten klik dan door naar de Duitse Wiki. https://nl.wikipedia.org/wiki/Fl%C3%A4ming

Zie het eerste deel van deze reeks:
1302, Klassenstrijd in Vlaanderen (1, economie)

Geplaatst in 1302, guldensporenslag, economie, middeleeuwen, Uncategorized | Een reactie plaatsen