Korea: het begin van landbouw

LANDBOUW IN kOREA, IN HET BEGIN VOORNAMELIJK GIERSTTEELT? KWAM VAN NOORDOOST-CHINA;

Korea, begin landbouw tijdens het 4de millennium

De oppervlakte van Korea (Noord en Zuid) bedraagt 221.487 km². Dat is ongeveer drie keer de oppervlakte van de Benelux.

Na het holoceen was er ook in Korea een opwarming van het klimaat waardoor flora en fauna toenamen. De temperaturen zullen in bepaalde periodes hoger geweest zijn dan vandaag, in andere periodes koeler.

Recent (periode 1901-2015) waren er droge winters en vochtige zomers. Tijdens de maand juli is de regenval een veelvoud van die in de maanden december en januari. De winters zijn koud, de zomers relatief warm.

De Transeuraziatische taal van Koreanen en Japanners en het begin van de landbouw

Modern Koreaans is vandaag de officiële taal van zowel Noord- als Zuid-Korea maar ook de Autonome Koreaanse Prefectuur Yanbian in Noordoost-China. Er zijn in Korea geen minderheden die een andere taal spreken. Modern Koreaans wordt nu bijna uitsluitend geschreven in hangul, een schrift dat in de 15de eeuw werd ontwikkeld door koning Sejong de Grote. Het schrift kent 24 letters, jamo genoemd, waarvan 10 klinkers en 14 medeklinkers. Het hangul is alfabetisch en fonetisch. De daarnaast gebruikte Sino-Koreaanse karakters (hanja) en meer dan 50% van de Koreaanse woordenschat is, al dan niet rechtstreeks, ontleend aan het Chinees. (Zie blog over Japonic)

Landbouw

Landbouw in Korea werd vrij laat, rond 3500 VOT, uit China ingevoerd.

Chulmun Cultuur, 3500 – 1780 VOT

De oudste Koreaanse landbouw was die van de Chulmun Cultuur, in de valleien van de rivieren Han en Taedong, rond 3500 VOT. “De Chulmunperiode, die duurde tot ongeveer 2000 VOT, is een periode van overgang van jagen, vissen en verzamelen, naar landbouw als de basis van bestaan.”[1] Jagen, verzamelen en vissen bleven in deze fase belangrijk. Men woonde in half ondergrondse hutten. Er waren contacten met Noordoost-China, Siberië en Japan. Men kon in Korea, net als in het grootste deel van Oost-Azië, duizenden jaren voor het begin van de landbouw potten bakken. In Korea ten laatste rond 8000 VOT.

Gierst, dat in het wild ook voorkwam in Korea, was waarschijnlijk het eerste uit China ingevoerde gedomesticeerde graangewas dat geteeld werd. Tegen het einde van de Chulmunperiode was de teelt van gierst wijd verspreid in Korea. Men maakte landbouwwerktuigen als sikkels en hakken van steen. Stenen werktuigen waren vaak gepolijst.

Rijstteelt

De twee soorten die in China gedomesticeerd waren, Oryza sativa japonica en Oryza sativa sinica, werden in Korea ingevoerd rond 3000 VOT. Pas tijdens het 1ste millennium VOT zou rijstteelt belangrijkst worden in de voedselvoorziening. Rijst kan droog geteeld worden maar het brengt meer op in natte velden. Er zijn sporen dat rijst vanaf de 8ste eeuw VOT geteeld werd in velden die onder water werden gezet. Het water werd uit rivieren, beken of kleine reservoirs naar de velden geleid. Jonge rijstplantjes werden geteeld in kweekbedden en dan verplant naar de velden. De zomermoesson voert het meeste water aan. Er was in het zuiden gemiddeld 1,8 m neerslag per jaar, 1,5 m in de noordelijker gelegen Hanvallei (die door Seoel stroomt). De neerslag nam verder af naar het noorden waar de rijstteelt minder belangrijk was. Rijst groeide snel in het warme en vochtige klimaat van Korea. Hij rijpte er in de klare droge herfst van het schiereiland. De vele riviervalleien hebben vruchtbare alluviale grond. Rijstteelt liet toe dat de bevolking snel groeide.
Men bleef planten verzamelen, teelde groenten, kweekte varkens en runderen, viste en verzamelde schelpdieren. Gerst en gierst werden na een tijd minder belangrijk dan rijst.

De Koreaanse landbouw haalde haar achterstand op de Chinese vrij snel in. Korea had het voordeel dat nieuwe technieken, zoals metaalbewerking, kant-en-klaar uit China konden ingevoerd worden.[2]

De Mumun Cultuur, 1780-300 cal VOT

De Chulmunperiode werd opgevolgd door de Mumun Cultuur die duurde van ca. 1780 tot 300 cal VOT.

De opbrengst van de landbouw was in de beginperiode nog niet overal verbeterd. In het begin van de Mumunperiode veranderde men in sommige gebieden nog regelmatig van woonplaats. De velden die men had geklaard en ontgonnen, werden, als de grond was uitgeput, verlaten. Er werd dan op een andere plaats nieuwe grond ontgonnen en in gebruik genomen. Dit wijst op landbouw met lage opbrengsten. Men bemestte het land nog niet.
Vissen, jagen en verzamelen hadden nog altijd een plaats in de voedselvoorziening. De maatschappij was egalitair. Sommige huizen waren half ondergronds andere waren lange huizen zoals in Baekseok-dong (Hangul: 백석동), in het gebied van Cheonan City, Chungcheong Nam-do.[3]

Na de beginperiode van de Mumun Cultuur, na 850 VOT, kwam er meer intensieve landbouw. Men kreeg overschotten en er ontstonden complexere samenlevingen met sociale diversificatie.[4]

De bronstijd, ca. 1000 VOT

Eerst werden bronzen werktuigen, wapens en spiegels ingevoerd. Het waren toen luxevoorwerpen die alleen in graven met rijkere giften werden nagelaten. Waarschijnlijk waren jade en producten in brons belangrijke symbolische en prestigeobjecten.[5]  

Dr. Marc Vermeersch – marc.vermeersch@gmail.com

Deze blog over het begin van landbouw in Korea is een deel van de voorbereiding van Boek 4. De tekst zal waarschijnlijk verder bewerkt worden.
Marc Vermeersch, geschiedenis van de mens, Boek 4,
Het ontstaan van landbouw in China en de verspreiding in Oost-Azië, Zuidoost-Azië, Melanesië, Polynesië en Madagaskar.  

Ik ben dankbaar voor foutmeldingen, vragen en bijdragen.

[1] Michael J. Seth, A History of Korea: From Antiquity to the Present p. 11-13 

[2] The Archaeology of Korea, ed. Miriam T. Stark, Blackwell Publishing, 1993, p.97.

[3] Martin T. Bale and Min-Jung Ko, Craft Production and Social Change in Mumun Pottery Period Korea, in Asian Perspectives, 2006, p. 159 e.v.
Mumun realy pottery, en.wikipedia.org/wiki/Mumun_pottery_period#Early_Mumun 

[4] Martin T. Bale, Storage Practices, Intensive Agriculture, and Social Change in Mumun Pottery Period Korea, 2903–2450 Calibrated Years B.P.,  Pg. D. thesis, University of Toronto, 2011.
Gary W. Crawford en Gyoung-Ah Lee, Agricultural Origins in the Korean Peninsula, Antiquity 77 (295), p. 87-95 , March 2003. 
Diane L. Lister et al., Barley heads east: Genetic analyses reveal routes of spread through diverse Eurasian landscapes, Plos One, July 2018.

[5] Michael J. Seth, A History of Korea: From Antiquity to the Present,janari 2016, p. 3-13.

Geplaatst in de eerste stappen, Korea, landbouw en veeteelt, Uncategorized | Een reactie plaatsen

Transeuraziatische talen (2) Toengoezisch en Japonic

Toengoezische taalfamilie

Toengoezisch heeft volgens sommige onderzoekers zijn thuisland aan de Amoer Rivier, die voor een groot deel in Rusland loopt en uitmondt in de Stille Oceaan maar ook voor veel kilometers de grens vormt tussen Rusland en Noordoost-China. In totaal zijn er vandaag maar 75.000 sprekers die tientallen verwante maar verschillende talen spreken. De meest bekende van deze bedreigde talen zijn Eveki, Evenk en Mantsjoe.

Toengoezische volkeren zouden later in de geschiedenis een belangrijke rol spelen in China. De Jin dynasty (1115–1234) was Toengoezisch. In 1644 veroverde de Mantsjoestam, waarschijnlijk in coalitie met andere Toengoezische groepen, de macht in China. Deze Qingdynastie zou 1911 de laatste Chinese keizer leveren. Hij werd toen afgezet tijdens de eerste Chinese revolutie.

de stamboom van Transeuraziatisch

De Toegoezische talen worden in drie groepen opgedeeld. Japonic en Koreaans hebben zich ontwikkled uir de Zuidwest-Toengoezisch ook bekend als de Mandsjoegroep

Japonic

In Korea en Japan woonden voor de verspreiding van de uit China afkomstige landbouw en veeteelt jagers en verzamelaars. De boeren die Korea binnen kwamen, zeker via Noord-Korea, mogelijk ook over zee uit Liaoning, China, brachten een Transeuraziatische taal mee. De oudste vorm kreeg de naam ‘Japonic’ mee. Japonic werd lang voor de jaartelling gesproken in Korea en werd van daaruit verspreid naar Japan. Misschien al vanaf ca. 900 VOT.

De stamboom van Transeuraziatisch zoals Prof. Dr. Martine Robbeets die opstelde.

De term ‘Japonic’ werd voorgesteld door Leon Serafim. De term werd door onderzoekster Juha Janhunen gebruikt om de historische varianten van de Japanse taal die op het Koreaanse schiereiland en op de Japanse eilanden, waaronder de Riukiu-eilanden, werden gesproken, te beschrijven.[1] De Japonicdialecten in midden- en Zuid-Korea zouden later vervangen worden door het Koreaans dat in Noord-Korea gesproken werd.[2]

De achtergrond: zeevaart en handel in de Bohai Zee

Waarschijnlijk was er al een vrij ontwikkelde zeevaart in de Bohai Zee, tussen Shandong en Liaoning, meer dan 5000 jaar geleden. Er zijn geen archeologische vondsten die over de toenmalige ontwikkeling en de eigenschappen van de boten die men toen bouwde. We mogen echter redelijkerwijs aannemen dat men in Shandong en gebieden aan de Bohai Zee zeewaardige boten had ontwikkeld.

Waarschijnlijk was er al tussen 4000 en 3500 VOT een drukke zeevaart tussen Shandong en Liaoning en werd o.a. de gierstteelt zo verspreid.

Ter vergelijking. Wij weten met zekerheid dat de zeevaart in de vaak woeste Atlantische Oceaan tot in de 16de eeuw voornamelijk kustvaart was. Schepen vaarden bijna altijd langs de kusten want dat was eiliger. Dit kan 4500 à 5500 jaar vroeger gelijkaardig geweest zijn in Noordoost-China waar men al boten kan hebben ontwikkeld die in open zee konden varen. Een indirect aanduiding is dat weinig later de Austronesische zeevaart in een zeer korte periode, tussen ca. 3500 en 2500 VOT, over zee de Chinese landbouw zou uitdragen tot in Madagaskar en Paaseiland. Later zouden Polynesiërs met heel wat vernieuwingen fantastische boten bouwen maar ook in China had men in de 15de eeuw boten die veel beter waren dan de Europese van de 15de en de16de eeuw. Tussen 1405 tot 1433 zouden de Chinezen langs de kusten van Zuid-Azië varen en tot in Oost-Afrika doorvaren o.l.v. admiraal Zheng He. Zijn schepen hadden tot 4 dekken en waren meer dan twee keer zo lang, tot 125 meter, dan de grootste Europese houten schepen in de 15de eeuw.

Japonic heeft zijn oorsprong in Liaoning

Liaoning is een provincie in het noordoosten van China die o.a. het schiereiland Liaodong omvat. Het grenst aan hedendaags Noord-Korea. De rivier Liao loopt door Liaoning.

Men sprak er tussen het 3de en 2de millennium de taal Japonic, een Toengoezische taal. In de interactiesfeer tussen Liaoning en Shandong kwamen Austronesische termen uit de rijstlandbouw (die dan al bestond in Shandong) in Japonic terecht.

De Japanse talen op het schiereiland zijn nu uitgestorven talen maar werden volgens veel linguïsten vroeger gesproken in de centrale en zuidelijke delen van het Koreaanse schiereiland. Het bewijs bestaat uit plaatsnamen die in oude teksten zijn opgenomen, voornamelijk de Samguk Sagi (samengesteld in 1145 op basis van eerdere verslagen). Japonic zou tot tijdens de middeleeuwen gesproken worden in midden- en Zuid-Korea maar dan vervangen door Koreaans uit het noorden van het schiereiland.[3]

Een tweede as, de verspreiding van gierstteelt

Volgens Martine Robbeets was een tweede as langs dewelke Japonic zich verspreidde de verspreiding van gierstteelt naar het Koreaanse schiereiland. “Ik stel verder voor dat een prehistorische laag van ontlenen met betrekking tot de rijstlandbouw het Japans binnenkwam uit een zustertaal van proto-Austronesisch, in een tijd dat beide taalfamilies nog in de Shandong-Liaodong-interactiessfeer lagen.”[4]

Dr. Marc Vermeersch – marc.vermeersch@gmail.com

Deze blog over Toengoezisch en Japonic is een deel van de voorbereiding van Boek 4. De tekst zal waarschijnlijk verder bewerkt worden.
Marc Vermeersch, geschiedenis van de mens, Boek 4,
Het ontstaan van landbouw in China en de verspreiding in Oost-Azië, Zuidoost-Azië, Melanesië, Polynesië en Madagaskar.  

Ik ben dankbaar voor foutmeldingen, vragen en bijdragen.

[1] Serafim, Leon. 1999. Reflexes of Proto-Korea-Japonic mid vowels in Japonic and Korean. Paper presented at the Workshop on Korean-Japanese Comparative Linguistics, xivth International Conference on Historical Linguistics, Vancouver, BC, 1999
Janhunen, Juha. 1996. Manchuria: An Ethnic History. Mémoires de la Société Finno-Ougrienne 222. Helsinki: Suomalais-Ugrilainen Seura, 1996, p. 77-78 en p. 80-81.
De term ‘Japonic’ wordt soms ook gebruikt om enkel het Japans met zijn verschillende dialecten aan te duiden.

[2] Robbeets, Martine, Shared verb morphology in the Transeurasian languages: copy or cognate? In: Johanson, Lars & Robbeets, Martine (eds.) (2012). Copies vs. cognates in bound morphology. (Brill’s Studies in Language, Cognition and Culture.) Leiden: Brill, 427-446.

[3]Peninsular Japonic, https://en.wikipedia.org/wiki/Peninsular_Japonic

[4] Martine Robbeets, Austronesian influence and Transeurasian ancestry in Japanese, A case of farming/language dispersal, Language Dynamics and Change, 2017, N° 7, p. 210–251.


Geplaatst in China, Japonic, Korea, Toengoezisch, Transeuraziatisch, Uncategorized | Tags: , , , , | Een reactie plaatsen

De olifant van Schöningen 300.000 jaar geleden

Het skelet van een olifant, Palaeoloxodon antiquus, gevonden in Schöningen.

Wie in mijn eerste boek las kon er kennis maken met de verbazingwekkende vondsten in Schöningen (‘Schöningen (D), de oudste speer en veel meer, 400.000 BP’ op p. 215-217 in Marc Vermeersch, De geschiedenis van de mens. Deel I, Jagers en verzamelaars. Boek 1, van Pan tot Homo sapiens, 405 pagina’s.)
Deze speren waren zo goed dat “Dit is het eerste onweerlegbare bewijs dat de mens toen al systematisch, met planning, op grote zoogdieren jaagde en daartoe toen al over een grote technische kennis beschikte. Aan het Institut für Sport und Sportwissenschaft van de Universiteit van Heidelberg deed men testen met trouw nagebootste replica en men stelde vast dat deze speren fenomenale werpeigenschappen hadden die kunnen vergeleken worden met die van hedendaagse speren. Het zwaartepunt lag bijvoorbeeld op 1/3de van de lengte van de speren. De vindplaats in Schöningen bewijst dat de mens op dat tijdstip een zeer effectieve jager moet geweest zijn.” (p. 216)

Recent werd een nieuw vondst in Schöningen, Nedersaksen, bekend gemaakt: dat van het skelet van een olifant, Palaeoloxodon antiquus. In Schöningen werden vroeger ook resten van drie sabeltandkatten gevonden.
De onderzoekers denken dat de vrouwelijke olifant stierf van ouderdom, hij had veel sleet op de tanden, maar sluiten niet uit dat hij het slachtoffer werd van menselijke jagers. Olifanten gingen vaak naar de oevers van het meer om er te sterven. Voor mensen was jagen op olifanten gevaarlijk. Zeker is dat ook roofdieren zich te goed deden aan het vlees. Zij lieten sporen na op het skelet.
Het klimaat in Schöningen was toen gelijkaardig aan dat van vandaag. Er kwamen zeer veel dieren voor. Er kwamen minstens 20 grote zoogdiersoorten voor waaronder leeuwen, beren, sabeltandkatten, neushoorns, wilde paarden, herten en grote koeien.

Beeld van een olifant met rechte slagtanden en haar kalf.

De rechte slagtanden van de olifant waren 2,4 m lang. De olifant stierf aan de oever van een meer. Roofdieren aten van het karkas. De mens was daar ook bij. Er werden 30 kleine vuursteentjes gevonden inde omgeving van het karkas. Dertig is veel. Elk vuursteentje vertegenwoordigde een bepaalde hoeveelheid arbeid die er in was gegaan om het te bekomen, stukjes af te slaan tot het geschikt was om in en samengesteld werktuig geplaatst te worden. In de directe omgeving werden twee steentjes, microlieten, gevonden die perfect pasten in een bot, een samengesteld werktuig.

Homo heidelbergensis was het mensentype dat toen in Europa leefde.

stamboom van de olilfant. De kleine Afrikaanse bosolifant is het nauwtse verwant met de uit Afrika afkomstige Palaeoxodon die migreerde naar Eurazië. De mammoet was ook uit Afrika afkomstig maar zeer goed aangepast aan Eurazië door zijn sterke beharing.

De Euraziatische olifant, Palaeoloxodon antiquus, heeft 800.000 jaar geleden Afrika verlaten en is daarna Azië en Europa gaan koloniseren. Hij groeide uit tot een enorme omvang, groter dan de Afrikaanse olifant van vandaag, tot meer dan 4 meter hoog en met een gewicht van meer dan 10 ton. Hij gaf er de voorkeur aan om te leven in bossen, voedde zich met boombladeren en gras. Hij kon tot zes sets tanden in zijn leven krijgen. Recent genetisch onderzoek wees uit dat de Afrikaanse bosolifant (één van de twee Afrikaanse soorten, het nauwste verwant is met de Euraziatische, Palaeoloxodon antiquus.

Dr. Marc Vermeersch – marc.vermeersch@gmail.com

Zie ook:
Roeide de mens 400.000 jaar geleden olifanten uit in Zuidwest-Azië?

Geplaatst in olifanten, Palaeoloxodon antiquus, Schöningen (D) | Tags: | Een reactie plaatsen

Japonic, de taal voor Koreaans en Japans

Aan de Bohai Zee was er meer dan 3000 VOT (Voor onze tijd) handel. Van daaruit zou de landbouw zich nar Korea verspreiden en door Korea rond 900 VOT Japan bereiken. Die boeren spraken een Toengoezische taal, Japonic, die de basis zou worden van hedendaags Koreaans en Japans. Pas in de middeleeuwen zou Japonic in centraal- en Zuid-Korea verdrongen worden door Koreaans.

In Korea en Japan woonden voor de verspreiding van de uit China afkomstige landbouw en veeteelt jagers en verzamelaars. De boeren die Korea binnen kwamen, zeker via Noord-Korea, mogelijk ook over zee uit China, brachten een Transeuraziatische taal mee. De oudste vorm kreeg de naam ‘Japonic’ mee. Uiteindelijk zou dit ook in Japan verspreid worden.

De term ‘Japonic’ werd bedacht door Leon Serafim. De term werd door onderzoeker Juha Janhunen gebruikt om de historische varianten van de Japanse taal die op het Koreaanse schiereiland en op de Japanse eilanden, waaronder de Ryukyu-eilanden, werden gesproken, te beschrijven.[1] De Japonicdialecten in midden- en Zuid-Korea zouden later vervangen worden door het Koreaans dat in Noord-Korea gesproken werd.[2]

De achtergrond: zeevaart en handel in de Bohai Zee

Waarschijnlijk was er al een vrij ontwikkelde zeevaart in de Bohai Zee, tussen Shandong en Liaoning, meer dan 5000 jaar geleden. Er zijn geen archeologische vondsten die ons kunnen inlichten over de ontwikkeling en de eigenschappen van de boten waarover men toen beschikte. We mogen echter redelijkerwijs aannemen dat men in Shandong en gebieden aan de Bohai Zee zeewaardige boten had ontwikkeld.

Ter vergelijking. Wij weten met zekerheid dat de zeevaart in de vaak woeste Atlantische Oceaan tot in de 16de eeuw voornamelijk kustvaart was. Schepen vaarden bijna altijd langs de kusten want dat was veiliger. Dit kan 4500 à 5500 jaar vroeger gelijkaardig geweest zijn in Noordoost-China waar men zeewaardige boten kan hebben ontwikkeld die in open zee konden varen. Een indirect bewijs is dat weinig later de Austronesische zeevaart in een zeer korte periode, tussen ca. 3500 en 2500 VOT) over zee de Chinese landbouw zou uitdragen tot in Madagaskar en Paaseiland. Later zouden Polynesiërs met heel wat vernieuwingen fantastische boten bouwen maar ook in China had men in de 15de eeuw boten die veel beter waren dan de Europese van de 15de en de16de eeuw. Tussen 1405 tot 1433 zouden de Chinezen langs de kusten van Zuid-Azië varen en tot in Oost-Afrika doorvaren o.l.v. admiraal Zheng He. Zijn schepen hadden tot 4 dekken en waren meer dan twee keer zo lang, tot 125 meter, dan de grootste Europese houten schepen in de 15de eeuw.

Japonic in Liaoning

Liaoning is een provincie in het noordoosten van China die o.a. het schiereiland Liaodong omvat. Het grenst aan hedendaags Noord-Korea. De rivier Liao loopt door Liaoning.

Men sprak er tussen het 3de en 2de millennium de taal Japonic, een toengoezische taal. In de interactiesfeer tussen Liaoning en Shandong kwamen Austronesische termen uit de rijstlandbouw (die dan al bestond in Shandong) in Japonic terecht.

De Japanse talen op het schiereiland zijn nu uitgestorven talen maar werden volgens veel linguïsten vroeger gesproken in de centrale en zuidelijke delen van het Koreaanse schiereiland. Het bewijs bestaat uit plaatsnamen die in oude teksten zijn opgenomen, voornamelijk de Samguk sagi (samengesteld in 1145 op basis van eerdere verslagen). Japonic zou tot tijdens de middeleeuwen gesproken worden in midden- en Zuid-Korea gesproken worden maar dan vervangen door Koreaans uit het noorden van het schiereiland.[3]

Dr. Marc Vermeersch – marc.vermeersch@gmail.com

Deze blog over Transeuraziatisch is een deel van de voorbereiding van Boek 4. De tekst zal waarschijnlijk verder bewerkt worden.
Marc Vermeersch, geschiedenis van de mens, Boek 4,
Het ontstaan van landbouw in China en de verspreiding in Oost-Azië, Zuidoost-Azië, Melanesië, Polynesië en Madagaskar.  

Ik ben dankbaar voor foutmeldingen, vragen en bijdragen.

[1] Serafim, Leon. 1999. Reflexes of Proto-Korea-Japonic mid vowels in Japonic and Korean. Paper presented at the Workshop on Korean-Japanese Comparative Linguistics, xivth International Conference on Historical Linguistics, Vancouver, BC, 1999
Janhunen, Juha. 1996. Manchuria: An Ethnic History. Mémoires de la Société Finno-Ougrienne 222. Helsinki: Suomalais-Ugrilainen Seura, 1996, p. 77-78 en p. 80-81.
De term ‘Japonic’ wordt soms ook gebruikt om enkel het Japans met zijn verschillende dialecten aan te duiden.

[2] Robbeets, Martine, Shared verb morphology in the Transeurasian languages: copy or cognate? In: Johanson, Lars & Robbeets, Martine (eds.) (2012). Copies vs. cognates in bound morphology. (Brill’s Studies in Language, Cognition and Culture.) Leiden: Brill, 427-446.

[3]Peninsular Japonic, https://en.wikipedia.org/wiki/Peninsular_Japonic

Geplaatst in Japans, Japonic, Koreaans, taal, Toengoezische talen | Tags: , , | Een reactie plaatsen

De Transeuraziatische taalfamilie

undefined

Blauw = Turkse talen; Groen = Mongools, Rood = Toengoezische talen. Oranje = Koreaans; Purper = Japans; Donkerrood = Aino

Het begin van de Chinese landbouw en taalverspreiding

De Chinese landbouw breidde zich van zijn oorspronkelijk gebied aan de Gele Rivier uit naar het westen, het zuiden en het noordoosten. In het noordoosten ontstonden nieuwe culturen die in het begin gierst als voornaamste gewas teelden maar die nog in belangrijke mate afhingen van jagen en verzamelen.

De taal van deze eerste Chinese boeren, de voorloper van het hedendaagse Chinees (of Han) verspreidde zich met de migranten. Dit Oud Chinees versplinterde in vele dialecten waarvan sommige vandaag beschouwd kunnen worden als verschillende talen, zelfs taalfamilies zoals Tibetaans-Birmaans en Austronesisch, Tai-Kadai en Austroaziatisch. Eén van de tien grote taalfamilies in de wereld is Transeuraziatisch.[1]

Transeuraziatisch

In het gebied van de Rivier Liao, Liaoning, werd waarschijnlijk een taal gesproken die geen aanwijsbaar verband had met het oude Chinees, Transeuraziatisch.
Wat is Transeuraziatisch? Een “(…) grote groep geografisch aangrenzende talen, traditioneel bekend als ‘Altaïsch’, die een aanzienlijk aantal taalkundige eigenschappen gemeen hebben en tot vijf verschillende taalfamilies omvatten: Japans, Koreaans, Toengoezisch, Mongools en Turks.”(2)

Martine Robbeets stelde voor dat het thuisland van de Transeuraziatische taalfamilie, vanaf ca. 6000 VOT, het westen van de Liao River Vallei was, de Xinglongwa Cultuur in Noordoost-China. (Zie p. ??) Die was gebaseerd op gierstteelt maar ook het verzamelen van o.a. wortels en noten.

De rivier Liao in Noordoost-China, in de provincie Liaoning, wordt verondersteld het gebied te zijn waar Transeuraziatisch zijn ontwikkelde. Mongools, Turks, Toengoesisch, Koreaans en Japans en misschien Aino horen bij deze talfamilie.

Indo-Europees en Transeuraziatisch zijn twee taalfamilies die landbouw en veeteelt overnamen van een cultuur met een andere taal maar hun eigen taal behielden. Waarschijnlijk was de neolithische Xinglongwa Cultuur de eerste met een Transeuraziatische taaldie de landbouw die zich in China aan de Gele Rivier had ontwikkeld overnam. Dat moet gebeurd zijn in het zesde millennium VOT in het westen van het Liao Rivierbekken. Martine Robbeets: “Ik stel dat de scheiding van de Japanse tak van de andere Transeuraziatische talen en de verspreiding ervan naar de Japanse eilanden kan begrepen worden als een gevolg van de verspreiding van de gierstlandbouw en de daaropvolgende integratie met de rijstlandbouw. Verder suggereer ik dat een prehistorische laag van leenwoorden met betrekking tot de rijstlandbouw het Japans binnenkwam uit een moedertaal van het proto-Austronesisch, in een tijd dat beide taalfamilies nog in de Shandong-Liaoning-interactie sfeer lagen.”[1] In de Xinglongwa Cultuur teelde men varkens.


Indo-Europees en Transeuraziatisch zijn twee taalfamilies die landbouw en veeteelt overnamen van een cultuur met een andere taal maar hun eigen taal behielden. Waarschijnlijk was de neolithische Xinglongwa Cultuur de eerste met een Transeuraziatische taaldie de landbouw die zich in China aan de Gele Rivier had ontwikkeld overnam. Dat moet gebeurd zijn in het zesde millennium VOT in het westen van het Liao Rivierbekken. Martine Robbeets: “Ik stel dat de scheiding van de Japanse tak van de andere Transeuraziatische talen en de verspreiding ervan naar de Japanse eilanden kan begrepen worden als een gevolg van de verspreiding van de gierstlandbouw en de daaropvolgende integratie met de rijstlandbouw. Verder suggereer ik dat een prehistorische laag van leenwoorden met betrekking tot de rijstlandbouw het Japans binnenkwam uit een moedertaal van het proto-Austronesisch, in een tijd dat beide taalfamilies nog in de Shandong-Liaoning-interactie sfeer lagen.”(3) In de Xinglongwa Cultuur teelde men varkens.

Dr. Marc Vermeersch – marc.vermeersch@gmail.com

Deze blog over Transeuraziatisch is een deel van de voorbereiding van Boek 4. De tekst zal waarschijnlijk verder bewerkt worden.
Marc Vermeersch, geschiedenis van de mens, Boek 4,
Het ontstaan van landbouw in China en de verspreiding in Oost-Azië, Zuidoost-Azië, Melanesië, Polynesië en Madagaskar.  

Ik ben dankbaar voor foutmeldingen, vragen en bijdragen.

(1) Ze werd tot voor kort de Altaïsche genoemd. Transaziatisch

(2) Robbeets, Martine 2017. Japanese, Korean and the Transeurasian languages. In: Hickey, Raymond (ed.) The Cambridge handbook of areal linguistics (Cambridge Handbooks in Language and Linguistics.), 2017, Cambridge University Press.
Tot voor kort warden bij de Altaische talen Koreaans en Japans niet meegerekend terwijl ze er duidelijk bijhoren. De nieuwe term ‘Transeuraziatisch’ zet dat recht.

(3) Robbeets, Martine, Shared verb morphology in the Transeurasian languages: copy or cognate? In: Johanson, Lars & Robbeets, Martine (eds.) (2012). Copies vs. cognates in bound morphology. (Brill’s Studies in Language, Cognition and Culture.) Leiden: Brill, 427-446.

Geplaatst in Koreaans, Mongools, Toengoezische talen, Transeuraziatsich, Turkse talen, Uncategorized | Een reactie plaatsen

De grote Euraziatische vlakte en haar taalfamilies

De grote Euraziatische vlakte loopt van de Noordzee tot de Stille Oceaan. Ze was al van in de prehistorie een autostrade voor de uitwisselinga van mensen en technieken.

Deze blog over een belangrijk maar vrij onbekend begrip in de geschiedenis is een deel van de voorbereiding van boek 4. De tekst zal waarschijnlijk verder bewerkt worden.
Marc Vermeersch, geschiedenis van de mens, Boek 4,
Het ontstaan van landbouw in China en de verspreiding in Oost-Azië, Zuidoost-Azië, Melanesië, Polynesië en Madagaskar.  
Verschijnt in 2020.

Tussen West-Europa en de Stille Oceaan zijn geen grote bergketens. Die Euraziatische vlakte wordt slechts onderbroken door het Oeralgebergte dat niet hoog is. De hoogste top is er slechts 1894 m hoog. Het is ook niet breed, tussen 40 en 150 km. Het Oeral Gebergte heeft nooit een stam of een leger verhinderd om van west naar oost, of omgekeerd, te trekken.
De grote Euraziatische vlakte is altijd een zone geweest waar mensen, technieken en producten gemakkelijk uitwisselden. Homo sapiens vermengde er zich met de neanderthaler en met de mens van Denisova. Die laatste twee vermengden zich ook onderling.[1]
Zie bv.:90.000 BP: een 13-jarig meisje dochter van een neanderthalvrouw en een Denisovavader

De drie grote taalfamilies van de Euraziatische vlakte, Indo-Europees, Fins-Oegrisch en Transeuraziatisch, hebben onderling een verband. Proto-Indo-Europees werd ca. 5000 jaar geleden gesproken in de Pontisch-Kaspische steppe ten noorden van de Zwarte Zee. Men vermoedt dat het thuisland van de voorloper van de Fins-Oegrische talen ten zuiden van de Oeral was.

De Fins-Oegrische talen ontleenden veel woorden van het Indo-Europees. Onderzoekers zijn verdeeld over de stelling dat ze een gemeenschappelijke oorsprong hebben. Er zijn zeker ook verbanden tussen Fins, de meest westelijke Fins-Oegrische taal en de de Altaïsche talen Turks, Mongools en Toengoezisch. Er is minstens sterke wederzijdse beïnvloeding maar er zou kunnen een gemeenschappelijke oorsprong zijn. Het Transeuraziatische verband is misschien niet beperkt tot de talen die er vandaag bij gerekend worden. Het wordt niet door alle onderzoekers bewezen geacht, maar verschillende paleosiberische talen kunnen een gemeenschappelijke oorsprong hebben in het Traneuraziatisch. De taal van de Jomon, die verder leeft bij de Japanse Aino, wordt niet bij de paleosiberische talen gerekend maar de Aino zijn genetisch verwant met de Siberische Nivkhs die een paelosiberische taal spreken. Ze kwamen uit Oost-Siberië naar Japan. Er zijn overeenkomsten tussen Aino en Japans v.w.b. woordenschat, grammaticale woord orde en fonologie. Dus toch geen verband?

Dr. Marc Vermeersch – marc.vermeersch@gmail.com

Deze blog over de oudste religie van Tibet is een deel van de voorbereiding van het boek. De tekst zal waarschijn verder bewerkt worden.
Marc Vermeersch, geschiedenis van de mens, Boek 4,
Het ontstaan van landbouw in China en de verspreiding in Oost-Azië, Zuidoost-Azië, Melanesië, Polynesië en Madagaskar.  

Ik ben dankbaar voor foutmeldingen vragen en bijdragen.


[1] Er werden vrij recent overblijfselen van een 13-jarig meisje gevonden, dochter van een neanderthalvrouw en een Denisovavader. De botten waren 90.000 jaar oud. Bron

Geplaatst in Euraziatische vlakte | Een reactie plaatsen

Ziektes en gezondheid in het verleden (1) met o.a. de kannibalenziekte

In tijden van een besmettelijke ziekte als het coronavirus, covid-19, is het interessant om te zien wat ziektes betekenden voor mensen in een recent en een ver verleden. Ik nam uit het eerste boek over jagers en verzamelaars ook paragrafen over gezondheid over.
Citaten hieronder komen uit: Marc Vermeersch, De geschiedenis van de mens. Deel I, Jagers en verzamelaars. Boek 1, van Pan tot Homo sapiens, 405 pagina’s.

Ziekte en dood
Ziektes hebben een belangrijke rol gespeeld in de verdwijning van mensengroepen.
Kan het zijn dat ziektes de neanderthalers in opeenvolgende golven decimeerden? Dat
Homo sapiens uit de tropen afkomstige ziektes verspreidde en er zelf immuun voor
was? We zullen in volgend hoofdstuk (p.295) zien dat Homo sapiens voor zijn vertrek
uit Afrika waarschijnlijk door een genetische flessenhals ging en dat die misschien
ziekte(s) als oorzaak had. De tropen zijn in het algemeen een betere omgeving voor
het verspreiden van besmettelijke ziektes dan gematigde klimaatzones en zeker noordelijk gelegen streken. Er is geen enkele concrete aanwijzing dat dit een rol speelde bij het verdwijnen van de neanderthalers maar het is een proces dat in de geschiedenis
meerdere keren voorkwam. De Amerikaanse indianen werden na 1492 massaal geveld
door een voor Europeanen onschuldige ziekte als mazelen en de minder onschuldige
pokken. In de Amerikaanse binnenlanden waar nog nooit een Europeaan was geweest
overleden tientallen procenten van inheemse groepen aan dergelijke ziektes lang na 1492. Diegenen die overleefden waren weliswaar grotendeels immuun voor die ziektes
en het bevolkingscijfer herstelde zich daarna maar de verhouding tussen indianen
en Europeanen was intussen vaak gekanteld in het voordeel van de Europeanen. De
voortdurende aanvoer van nieuwe Europeanen en Afrikanen werkte ook in op de bevolkingsverhoudingen.(586) De neanderthaler kan bij contact met Homo sapiens hetzelfde overkomen zijn. De neanderthalers werden in deze hypothese niet door ziektes uitgeroeid maar in een eerste fase misschien sterk uitgedund. We mogen aannemen dat hun aantal zich daarna in bepaalde mate herstelde. De verhouding tussen beide takken van de mensheid zou echter van bij de eerste contacten in het nadeel van de neanderthaler veranderd kunnen zijn. Met andere woorden Homo sapiens kon vrij snel een substantiële aanwezigheid of een overwicht gekregen hebben in de gebieden waar hij aankwam. (p. 289)

Uit De Standaard

Levensduur
Een onderzoek toonde aan dat neanderthalers niet lang leefden. Op ongeveer
250 skeletten waren slechts 4 op 10 overleden voor ze volwassen waren. Van diegenen
die volwassen werden waren minder dan 10% 40 jaar of ouder bij hun dood.
Dat waren daarenboven nog mannen. Neanderthalvrouwen stierven gemiddeld veel
jonger, op een leeftijd dat ze nog kinderen hadden kunnen baren. Onderzoek van
de botten wees er op dat er Harrislijnen zichtbaar waren op het einde van lange
beenderen. Harrislijnen verschijnen daar waar de groei tijdelijk stopt, meestal het
gevolg van voedingstekorten en ziekte. Email-hypoplasia is een andere ziekte die
dun tandemail veroorzaakt als gevolg van slechte voeding in de kindertijd. Sommige
onderzoekers argumenteren dat het groter lichaamsvolume van de neanderthaler
grotere calorische noden meebracht. Statistische analyse toont dat de mortaliteit
onder neanderthalers 2% groter was dan die van moderne mensen in dezelfde omgeving.
Een algemeen verschil van 2% zou de neanderthalers uitgerangeerd hebben
binnen een korte periode.(589) (p. 292)

Betere voeding voor Homo sapiens
Men onderzocht aan de hand van het al dan niet voorkomen van Harrislijnen
(kleine, dwars op de lengterichting liggende, verdichtingen in een pijpbeen) en hypoplasie
(meestal lijnvormige oneffenheden) in het tandglazuur van kinderen in Afrika
goed gevoed waren. Harrislijnen en hypoplasie zijn het gevolg van voedseltekorten
en/of ziektes
. Kinderen van Afrikaanse moderne mensen hadden blijkbaar een betere
voeding en/of waren minder ziek dan neanderthalkinderen want beide verschijnselen
werden minder vastgesteld.(634) (p. 312)
(634) Sally McBrearty en Alison S. Brooks, The revolution that wasn’t: a new interpretation of the origin of modern human behavior. Journal of Human Evolution, 2000. Vol 39, p. 482-483.

Kleinere mensen en ziektes
In Nieuw-Guinea leefden buitengewoon kleine mensen. In hun dieet ontbrak iodine
en andere essentiële nutriënten. Toen ze mineraal- en vitaminesupplementen
kregen werden hun kinderen groter. Gebrek aan zuiver water, gebrek aan voeding
en gezondheidszorg brengen mee dat veel kinderen in de derde wereld een zwakkere
gezondheid hebben waardoor ze gevoeliger zijn voor ziektes maar ook kleiner blijven
dan ze zouden moeten of kunnen zijn.(667) Pygmeeën bevolkten niet als eersten de wereld. In de tropische regenwouden van Afrika, Oceanië en Azië was een kleinere
gestalte een aanpassing aan de ecologische omgeving. Kleinere mensen hadden er betere overlevingskansen. Ze waren beter aangepast aan de omstandigheden. Omdat
het tropisch regenwoud veel moeilijker bruikbaar was voor de landbouw bleven juist
daar groepen mensen leven met de oudste genetische lijnen.

De kannibalenziekte, het kannibalengen of: kannibalisme kwam overal voor
Op meerdere plaatsen in de wereld werden stapels menselijke beenderen gevonden
met duidelijke sporen van verwijdering van het vlees door werktuigen. Volgens
een onderzoek van het Medical Research Center van het University College in London,
is er een gen dat immuun maakt tegen de hersenziekte die veroorzaakt wordt door het
eten van besmet mensenvlees of menselijke hersenen. Dit gen wordt bij mensen over
heel de wereld teruggevonden wat inhoudt dat het aanwezig was vóór de mens uitzwermde
over de wereld. Het gen zou zich verspreid hebben door natuurlijke selectie
en is dus een indirect bewijs voor het algemeen voorkomen van kannibalisme bij de
voorouders van de mens.(357)
Hersenziektes, ook prionziektes genoemd, worden gekenmerkt door een verlies
van coördinatie, dementie, verlamming en de dood. Moderne voorbeelden zijn de
ziekte van Creutzfeld-Jacob of Kuru (lachziekte) bij mensen en de gekke-koeienziekte
bij dieren. De ziektes worden veroorzaakt door moleculen die samen klitten in
hersenweefsel. Deze moleculen, prions, zitten normaal op de oppervlakte van hersencellen.
Men denkt dat prionziektes veroorzaakt worden door het eten van vlees van
besmette dieren. Mensen met een normale kopie én een gemuteerde kopie van het
M129V-polymorfisme zijn min of meer beschermd tegen prionziektes. Een gelijkaardige
mutatie, E219K, kwam voor bij bepaalde groepen op het Indische subcontinent
en in Oost-Azië.
Dr. S. Mead onderzocht kannibalisme bij de Fore, een geïsoleerd levende groep in
Papoea-Nieuw-Guinea (PNG). Zij aten hun eigen doden op. De mannen namen het
beste van de organen en de spieren. De vrouwen en kinderen kregen o.a. de hersenen.
Van in het begin van de jaren twintig tot in de jaren zestig van vorige eeuw werd de
groep regelmatig getroffen door de prionziekte kuru. Er stierven soms meer dan 200
mensen aan per jaar. Eén kenmerk van de infectie was dat de slachtoffers oncontroleerbaar
moesten lachen wat de ziekte de naam lachziekte gaf. Vrouwen en kinderen
waren het meest kwetsbaar omdat zij de hersenen aten. De ziekte verdween toen westerlingen
de Fore verboden om hun kannibalistische praktijken verder uit te voeren.
Dr. S. Mead testte Forevrouwen die deelgenomen hadden aan de feesten en stelde
vast dat 23 van de 30 geteste vrouwen een normale kopie van het prion-gen hadden
en één het M129V-polymorfisme. Daaruit kon men afleiden dat diegenen die de
kuru-epidemie hadden overleefd een genetische weerstand hadden tegen de ziekte.
De onderzoekers onderzochten het voorkomen van het M129K of E219V-polymorfisme
in meer dan 2.000 chromosoomstalen en vonden dat ze wereldwijd voorkwamen
bij iedere bevolking. Ze schatten dat deze polymorfismen ongeveer 500.000
jaar geleden opkwamen. Door natuurlijke selectie zijn deze polymorfismen met Homo sapiens over de wereld verspreid. Het suggereert dat we allemaal afstammen
van kannibalen en in bepaalde mate immuun geworden zijn voor prionziektes. (p. 182-183)

Uit: Marc Vermeersch, De geschiedenis van de mens. Deel I, Jagers en verzamelaars. Boek 1, van Pan tot Homo sapiens, 405 pagina’s. ISBN 978 908 134 7709

Geplaatst in gezondheid, gezondheid, ziekte | Een reactie plaatsen

Bön, de oorspronkelijke religie van Tibet (2) de bön religie en het boeddhisme

Tibetaanse staten

Tibet tijdens de periode van Triseng Detsen, (742-ca. 800)

Reeds voor de jaartelling ontstonden verschillende Tibetaanse staten. Tibetanen waren in staat om in het jaar 108 OT Chinese verdedigingdposten in de provincie Gansu aan te vallen. In de jaren 168-169 OT vielen ze op nieuw China aan.[1] Dat wijst op een vrij vergevorderde ontwikkeling.

Indische invloed

Tibet onderging na de jaartelling in de eerste plaats de invloed van Indië waar de religie niet alleen op de mondelinge traditie maar ook op geschriften gebaseerd was. Het hindoeïsme had leermeesters die hun interpretaties van de heilige schriften verkondigden. Boeddha (ca. 480-400 VOT) stichtte zijn eigen school die snel, maar niet blijvend, de belangrijkste richting werd in Indië. De bön-religie gebruilte ook eigenschriften.

Tonpa Shenrab Miwoche wordt erkend als de stichter van de bön-religie. Volgens de bönpo leefde hij 18.000 jaar geleden. Dat is een ouderdom die mythisch is maar als voordeel had dat hij veel ouder was dan die van boeddha en zo bön meer geloofwaardigheid gaf. Hij was net ald boeddha van koninklijke afkomst. Hij was bekend als de ‘Leraar van Kennis’. Hij verzaakte, hij 31 jaar was, aan de wereld en werd een monnik. Hij verdeelde zijn wereldse goederen. De parallel met het leven van Boeddha ligt voor de hand. Tonpa Shenrab Miwoche werd ondersteund door zijn vele vrouwen, dochters en zonen. Hij had al vanaf zijn geboorte de volledige verlichting bereikt. Hij was de eerste die onderrichtingen gaf in de bön-leer. Hij begon een tocht naar Tibet. Een demon stal zijn paarden en leidde ze naar de Kongpo Vallei in Tibet. Hij pacifieerde de demonen en slechte geesten in de vallei. Hij zegende er een berg die nog bekend staat als de Bön Berg. Bönpos en boeddhisten gaan er nog altijd op bedevaart. Daar trekken ze in tegenwijzerzin rond de berg. De pelgrims krijgen er zegeningen. Tönpa Shenrab stopte de dierenoffers, iets wat boeddhisten van in het begin niet meer deden. Veel praktijken zoals religieuze dansen werden overgenomen door het Tibetaans boeddhisme. Uit de overlevering over Tonpa Shenrab Miwoche kan men afleiden dat ze ontstaan is in een periode dat het boeddhisme in Tibet al zo diep doorgedrongen was dat de bôn-gelovigen er veel elementen hadden uit overgenomen.

Wanneer Tonpa Shenrab Miwoche leefde is niet te achterhalen maar het moet bijna zeker geweest zijn nadat het boeddhisme in Tibet was doorgedrongen, vanaf het begin van de 8ste eeuw. De oudste tekst waarin hij vermeld wordt werd geschreven aan het einde van de 10de eeuw.

Dat de bön-religie ook kloosters bouwde en monniken had was waarschijnlijk ook o.i.v. het Indische boeddhisme. Er bleven ook bön-sjamanen, de traditionele priesters van de vooroudercultus, bestaan.

Het boeddhisme in Tibet

Boeddhisten reisden van India naar Tibet aan het einde van 7de of het begin van de 8ste eeuw. Het boeddhisme kende er een snelle verspreiding en een Tibetaanse vorst stapte over naar het boeddhisme. Hij vervolgde daarna de Bönpos. Er waren gedwongen bekeringen. Dat was niet voldoende om bön uit te schakelen. Het bleef bestaan en bouwde verder kloosters.

Bön werd ook beïnvloed door het boeddhisme. Boeddhistische noties, zoals karma en een pad van bodhisattva (een wezen dat naar verlichting streeft) werden overgenomen.

Volgens de geleerde en boeddhistische meester Chogyal Namkhai Norbu Rinpoche is er duidelijk bewijs van het bestaan van een volledig gearticuleerde bön-doctrine en -praktijk voorafgaand aan de gedwongen annexatie van het Bön-koninkrijk Zhangzhung  in de 8ste  eeuw OT door de Tibetaanse koning Trisong Deutsung. In de oude manuscripten van de stamboom van bön, bekend als Srid-rGyud, tijdens het bewind van de boeddhistische koning Trisong Deutsen, staat heel duidelijk vermeld dat de traditie van bön en zijn stichter beiden in Zhangzhung zijn begonnen.

Verspreiding naar India en Tibet

In 1959 werd Tibet door China ingelijfd. Dit leidde tbt de vlucht van vele Tibetanen, zowel boeddhisten als bönpo, naar India en Nepal. De leider van de Bönpo, de 32ste Menri Trizin Sherab Lodöe, de geestelijke leider van de religie, stierf in India in 1963.

De Dalai Lama aanvaardde bön als één van de vijf scholen van het Tibetaans boeddhisme. Dat was ongetwijfeld een tactische zet die er op gericht was de oudste religie van Tibet in het Tibetaans boeddhisme in te passen. Indirect was het de bevestiging dat bön de oudste religie van Tibet was.

[1] History of Tibet https://en.wikipedia.org/wiki/History_of_Tibet#Early_history_(c._500_BC-_AD_618)

Zie ook het eerste deel:
Bön, de oorspronkelijke religie van Tibet (1) een vooroudercultus

Dr. Marc Vermeersch – marc.vermeersch@gmail.com

Deze blog over de oudste religie van Tibet is een deel van de voorbereiding van het boek. De tekst zal waarschijn verder bewerkt worden.
Marc Vermeersch, geschiedenis van de mens, Boek 4,
Het ontstaan van landbouw in China en de verspreiding in Oost-Azië, Zuidoost-Azië, Melanesië, Polynesië en Madagaskar.  

Een lijk werd opgebaard. De gieren staan klaar voor het opeten van het lijk tot enkel het skelet overblijft.

het lijk van een manwerd vastgebonden. Een ander lijkt wacht op de gieren. De tibetaen blijven bij het lijk als de gieren het vlees opeten.
Geplaatst in godsdienst, religie, Tibet | Een reactie plaatsen

Bön, de oorspronkelijke religie van Tibet (1) een vooroudercultus

undefined

Tonpa Shenrab Miwoche, prins van Zhang-zhung in West-Tibet.

Bön, ook gespeld als bon, wordt soms bönpo genoemd. Het is de oorspronkelijke Tibetaanse religie, een vooroudercultus.[1] Dat is niet verwonderlijk. De vooroudercultus is de eerste, de oorspronkelijke religie van de mensheid. Het is tot vandaag de voornaamste religie in China en Oost-Azië. Het kende aanbidding van de overleden voorouders, had mystieke rituelen, en offers voor voorouders, goden en geesten.[2] Bön was de belangrijkste religie in Tibet tot de 7de eeuw. Men had toen reeds verschillende heilige geschriften.

Volgens de eigen overlevering begon de Bön religie 18.000 jaar geleden. Bön werd uit de Zhang Zhung Cultuur, één van de eerste Tibetaanse culturen, in het noorden van Tibet, de het gebied Amdo, naar de rest van Tibet verspreid.[3]

zielsverhuizingen

Eén van de kenmerken van de vooroudercultus wereldwijd was het geloof in zielsverhuizingen. Als iemand stierf verhuisde zijn ziel naar een pasgeboren kind. Dat geloof bestaat tot vandaag in Tibet en werd overgenomen door het Tibetaans boeddhisme. Als de vorige Dalai Lama overleed moest zijn ziel ingang vinden in een pasgeboren kind. Tibetaanse monniken waren ervan overtuigd dat ze wisten welk kind dit was. De huidige Dalai Lama werd zo gevonden. Een andere religieuze leidern, de pänchen lama, werd  oms verkozen door monniken soms gedacht als een reïncarnatie van de vorige.

luchtbegrafenissen

Een praktijk van de vooroudercultus die honderdduizenden jaren oud is en een wereldwijde praktijk, was de ontvlezing van lijken. De Tibetanen legden of bonden een lijk op een helling en lieten gieren het vlees van het lijk pikken tot enkel de botten van het skelet overblijven. Gieren worden als heilige vogels beschouwd. Dat was ook een gebruik in de Chinese provincies Qinghai, Sichuan en Binnen Mongolië, maar ook in Mongolië, Bhutan en andere delen vanf India zoals Sikkim en Zanskar in Noord-India dat een tijd deel uitmaakte van Tibet. Dit zijn allemaal gebieden met Tibetaanse cultuur maar ook invloed van de Tibetaanse cultuur en in Mongolië. Deze luchtbegrafenissen (Sky burials in het Engels) worden tot vandaag uitgevoerd.[4] Het gebruik werd overgenomen door de Tibetaanse boeddhisten.

Het laten ontvlezen van lijken door gieren komt ook voor bij de Zoroastranen in Iran en India. Het gebeurde daar vaak in een ‘toren van stilte’. Er is geen bewezen verband voor het voorkomen van dit gebruik in Iran en Tibet maar gieren zijn uiteraard bijzonder geschikt omdat ze leven van aas. “Volgens de meeste verslagen krijgen gieren het hele lichaam. Wanneer alleen de botten overblijven, worden deze gebroken met hamers, gemalen met tsampa (gerstebloem met thee en yakboter, of melk), gegeven aan de kraaien en haviken die hebben gewacht op het vertrek van de gieren.

In één verslag sneed de leidende rogyapa (michaambrekers) de ledematen af en hakte het lichaam in stukken, waarbij hij elk deel aan zijn assistenten overhandigde, die stenen gebruikten om het vlees en de botten samen te stampen tot pulp, dat ze vermengden met tsampa voordat de gieren werden opgeroepen om te eten. In sommige gevallen zal een Todken (meester van de luchtbegrafenis) gebruik maken van slagersgereedschap om het lichaam te versnijden.

Soms werden de inwendige organen verwijderd en apart verwerkt, maar ook die werden door de vogels opgegeten. Het haar wordt van het hoofd verwijderd en kan gewoon weggegooid worden. Bij Drigung wordt tenminste wat haar in een kamer van het klooster bewaard.”[5]

De verering van voorouders is belangrijk. De bön-gelovigen zijn ervan overtuigd dat ‘alles een ziel’ heeft. Er zijn goede en slechte geesten. Geesten zijn zielen voor wie men een bepaalde functie heeft bedacht. Geesten hadden controle op gezondheid, dood, geluk en ongeluk. Men geloofde dat bergen, rivieren, meren, de zon, de maan, sterren, de wind, de regen, de donder, bliksems, vogels en andere dieren en plaatsen een ziel hadden.

Men gelooft dat de bon-sjamanen zorgen voor zieken, vruchtbaarheid en goed weer.

De moderne bön wordt ook Yungdrung genoemd.Het symboolvan Yungdrungis de swastika.

Na de aankomst van het Boeddhisme was er een vrij grote versmelting van beide religies. Ze namen van elkaar geloofspunten en religieuze praktijken over. Het Tibetaans boeddhisme nam van bön gebedsvlaggen, gebedswielen, luchtbegrafenissen[6], festivals en duivelsdansen, vallen voor geesten en het wrijven over heilige stenen, over.

Dr. Marc Vermeersch – marc.vermeersch@gmail.com

Deze blog over de oudste religie van Tibet is een deel van de voorbereiding van het boek:
Marc Vermeersch, geschiedenis van de mens, Boek 4,
Het ontstaan van landbouw in China en de verspreiding in Oost-Azië, Zuidoost-Azië, Melanesië, Polynesië en Madagaskar.  

[1] Wie wil lezen over het ontstaan en de kenmerken van de vooroudercultus: Marc Vermeersch, De geschiedenis van de mens. Deel I, Jagers en verzamelaars. Boek 2, de maatschappij van jagers en verzamelaars, 472 pagina’s.
p. 379-430.

[2] Voor een uitgebreide uitleg over het ontstaan van religie, zie …

[3] Bon Religion, http://factsanddetails.com/china/cat6/sub34/item216.html

[4] Chinese toeristen die Tibet bezoeken gaan er graag naar kijken wat door sommige Tibetanen veroordeeld wordt terwijl andere er aan verdienen.

[5] Sly Burial https://en.wikipedia.org/wiki/Sky_burial#cite_note-23

[6] Tibetan Religion, Facts and Details http://factsanddetails.com/china/cat6/sub34/item216.html

Geplaatst in bön, Tibetaanse religie, religie, Tibet | Een reactie plaatsen

Het begin van landbouw in Tibet


De landbouw in China ontstond eerst in het noorden in de vallei van de Gele Rivier of Huang He. Twee soorten gierst waren de eerste gewassen die er gecultiveerd werden. Een tweede zone waar landbouw ontstond was in de vallei van de Jangtsekiang of Blauwe Rivier waar men rijst zou telen.
Van beide zones zou de Chinese landbouw zich in alle richtingen verspreiden. Eén van de eerste gebieden waar dat gebeurde was aan het uiterste westen van de Gele Rivier. Landbouw en varkensteelt verspreiden zich aan de zuidelijke rand van het Tibetaans plateau.
Deze tekst is een onderdeel van het te verschijnen boek:
Marc Vermeersch, geschiedenis van de mens, Boek 4,
Het ontstaan van landbouw in China en de verspreiding in Oost-Azië, Zuidoost-Azië, Melanesië, Polynesië en Madagaskar.

Deze blog kan nog aangepast worden voor het te verschijnen boek.

De verspreiding van de landbouw uit China was een proces dat duizenden jaren zou doorgaan. Heel de zuidelijke rand van de Himalaya werd zo Tibetaans. Tibetaanse talen werden verspreid in hetzelfde gebied en tot in Birma/Myanmar

Tibet, autonoom gebied van China

De oppervlakte van het autonoom gebied Tibet bedraagt 1.228.400 km². De oppervlakte van de Europese Unie (zonder GB) is 4.272.769 km²

Er zijn ook aan Tibet aanpalende Chinese provincies, Qinghai, Sichuan, Gansu en Yunnan, waar Tibetaans gesproken wordt. Tibetaanse talen werden met de landbouw ook verspreid naar Jammu en Kashmir, Gilgit-Baltistan, Pradesh (in het deel dat in de Himalaya ligt), Bhutan, Sikkim, Nepal.
De Mount Everest is gedeeltelijk Tibetaans of. De scheidingslijn tussen Bhutan en Tibet, China, loopt door de top van de berg.

De Tibetaanse bevolking telt vandaag ca. 3 miljoen mensen in het Tibetaanse Autonoom Gebied. Er woonden in 2014 ongeveer 5.800.000 Tibetanen in China, een vervijfvoudiging ten opzichte van 1950. De Chinese éénkindpolitiek was niet van toepassing op etnische minderheden, waaronder de Tibetanen. Ongeveer 50% van de Tibetanen wonen in de Tibetaanse Autonome Regio. Iets meer dan 50 % woont in de gebieden ten oosten daarvan en die worden aangeduid met de historische namen Amdo en Kham.[1]

Tibet heeft een hooglandklimaat en veel zonneschijn. Er zijn tussen het noorden en het zuiden van Tibet grote temperatuurverschillen.

Klimaat vandaag

Maandelijkse gemiddelde temperaturen en neerslag in Lhasa

JanFebMaaAprMeiJunJulAugSepOktNovDeGemidd.
Max. Temperatuur (°C)6,89,212,015,719,722,521,720,719,616,411,67,7Ø15,3
Min. Temperatuur (°C)−10,2−6,9−3,20,95,19,29,99,47,61,4−5,0−9,1Ø0,8
Temperatuur (°C)−2,21,14,68,012,015,615,414,512,88,02,2−1,8Ø7,5
Neerslag (mm)01282571118131601021Σ429

In het noorden van Tibet stijgt het Tibetaanse plateau tot een hoogte van meer dan 4500 meter en in de noordelijke helft van Tibet ligt de gemiddelde jaartemperatuur onder 0 °C (permafrostgebied).

De meeste Tibetanen wonen in het gebied tussen Lhasa en Shigatse (in het zuidwesten van Tibet) en aan de oostelijke rand van de Tibetaanse hooglanden, terwijl het noorden, het centrale gebied en het westen van Tibet door de permanente vorst bijna onbewoonbaar zijn.

Landbouw in Tibet

Het Tibetaans Plateau is één van de meest onherbergzame gebieden voor landbouw op de planeet. Het ligt op grote hoogte, gemiddeld 4000 meter. Het is er aride en koud, het vriest er een groot deel van het jaar. Planten hebben er een kort groeiseizoen. De Tibetanen slaagden er desondanks in om er aan landbouw en veeteelt te doen. Het is iets warmer in het zuidoosten van het Plateau. In het noordoosten is het zeer koud, een koude woestijn die bijna onbewoond bleef. Het westen van Tibet krijgt slechts 5 mm regen per jaar. Er werd aan landbouw gedaan in de lager gelegen delen van Tibet met voldoende regen en mildere temperaturen dan in de ijswoestijn.

Er werden oude landbouwsites gevonden waarvan de oudste dateert uit de periode van3500 cal VOT.

De vroegste landbouw in Tibet was gebaseerd op de aan de Gele Rivier gedomesticeerde gierstsoorten, gewone gierst en trosgierst, en op varkensteelt. De gierstsoorten werden in het oosten van het Tibetaanse Plateau rond 3500 VOT geteeld. Dit is duizenden jaren na de ontwikkeling van de Chinese landbouw. Later zou broodtarwe, afkomstig uit Zuidwest-Azië, gierst aanvullen, net als het hoeden van schapen en geiten die ook uit Zuidwest-Azië kwamen. Jacht, visvangst en verzamelen vulden het dieet aan.[2]

De site Karuo, 2700 – 2300 cal VOT

Alhoewel ze duizenden jaren jonger is dan de introductie van landbouw in Tibet is de site Karuo in Changdu (Chamdo) één van de oudste landbouwsites in Tibet. Ze ligt aan de Mekong Rivier in Oost-Tibet. Er werden resten van trosgierst (66 granen en fragmenten) en gewone gierst (11 granen) gevonden waarvan de ouderdom zich situeerde tussen ca. 2700 en 2300 cal VOT. Er werden zowel ronde als rechthoekige huizen gevonden die voor een deel onder grondniveau waren aangelegd. Men vond er veel stenen en benen werktuigen en potten die op lage temperatuur waren gebakken. Er was een nauwe verwantschap met sites in het westen van Sichuan en Noordwest-China.

“Huisfundamenten, verharde straten, stenen muren, stenen altaren en greppels werden in de goed bewaard gebleven stad blootgelegd en er werd een groot aantal stenen gereedschappen, potten, botten en andere artikelen ontdekt die van ornamenten zijn voorzien.” En: “Sinds 1996 staat Karub (Kazuo) op de lijst van culturele erfgoederen in de Tibetaanse Autonome Regio.”[3]

Changguogou, ca. 1400 cal VOT

Changguogou, ligt 50 km ten westen van Lhasa, de hoofdstad van Tibet,langs de Yarlung Rivier (Tsangpo, Brahmapoetra) in Zuid-Tibet is een jongere site, opgericht rond ca. 1400 cal VOT. Vanaf toen begon de introductie van gewassen afkomstig uit Zuidwest-Azië. Ze zouden een belangrijke rol spelen in de aanpassing van de mens aan het Tibetaanse hoogland. Tarwe en gerst van Zuidwest-Azië werden gezaaid in de herfst, sliepen a.h.w. in de winter en groeiden verder in de lente. Zo kon al in juni geoogst worden. Zomertarwe is een variant die zich pas later ontwikkelde, als een aanpassing aan het koudere klimaat van bv. Noord-Europa. Zomertarwe wordt pas in augustus geoogst.

Het oudste bewijs voor tarwe komt van de Tibetaanse site Xishanping, waar tarwe, gerst en andere planten, in een context gedateerd tussen 2700 en 2350 VOT, gevonden werden.

Gedomesticeerde planten uit Zuidwest-Azië zouden in China niet aangekomen zijn voor het 2de millennium VOT, bv. in Gansu. Op de site Liangchenzhan, Shandong, werd tarwe gevonden samen met potten van de Longshan periode (2600–1800 VOT) al werden geen dateringen gemaakt van de tarwekorrels. Een gedateerd bewijs voor tarwe en gerst komt van de site Donghuishan, Gansu, ca. 1700 VOT.

Deze tekst maakt onderdeel uit van het dit jaar nog te verschijnen boek:
Marc Vermeersch, geschiedenis van de mens, Boek 4,
Het ontstaan van landbouw in China en de verspreiding in Oost-Azië, Zuidoost-Azië, Melanesië, Polynesië en Madagaskar.  


Dr. Marc Vermeersch Marc.Vermeersch@gmail.com

[1] Tibet, https://en.wikipedia.org/wiki/Tibet

[2] Jade d’Alpoim Guedes & Hongliang Lu & Yongxian Li & Robert N. Spengler & Xiaohong Wu & Mark S. Aldenderfer, Moving agriculture onto the Tibetan plateau: the archaeobotanical evidence, Archaeol Anthropol Sciences, Received: 3 December 2012.

[3] Karuo, https://nl.wikipedia.org/wiki/Karuo#cite_note-1  

English text

introduction

Agriculture in China first originated in the north in the valley of the Yellow River or Huang He. Two types of millet were the first crops to be cultivated there. A second area where agriculture originated was in the valley of the Jangtsekiang or Blue River where rice was to be grown.
From both zones Chinese agriculture would spread in all directions. One of the first areas where this happened was at the far west of the Yellow River. Agriculture and pig farming spread on the southern edge of the Tibetan plateau.

Tibet, autonomous region of China
The surface area of the autonomous region of Tibet is 1,228,400 km². The surface area of the European Union (excluding GB) is 4,272,769 km².
There are also neighbouring Chinese provinces, Qinghai, Sichuan, Gansu and Yunnan, where Tibetan is spoken. Tibetan languages were also spread with agriculture to Jammu and Kashmir, Gilgit-Baltistan, Pradesh (in the Himalayan part), Bhu-tan, Sikkim, Nepal.
Mount Everest is partly Tibetan. The dividing line between Bhutan and Tibet, China, runs through the top of the mountain.
The Tibetan population today counts about 3 million people in the Tibetan Autonomous Area. Approximately 5,800,000 Tibetans lived in China in 2014, a fivefold increase compared to 1950. The Chinese one-child policy did not apply to ethnic minorities, including Tibetans. Approximately 50% of Tibetans live in the Tibetan Autonomous Region. Slightly more than 50% live in the areas to the east and are referred to by the historical names Amdo and Kham.
Tibet has a highland climate and lots of sunshine. There are large temperature differences between the north and the south of Tibet.

Geplaatst in landbouw, verspreiding, Tibet | Tags: , | Een reactie plaatsen