De Dravidische taalfamilie

Dravidisch kaart 2018 groter

Het verspreidingsgebied van de Dravidische taalfamilie. Kurukh is een kleine taak die nog op vijf plaatsen voorkomt waaronder Nepal, Bangladesj en Bhoetan. (Op de kaart staan slechts drie pijlen voor zes gebieden maar er zijn meer gebieden dan deze zes) Kurukh is nauw verwant met Brahui en Malto. Het aantal sprekers van Kurukh neem sterk toe. De meeste sprekers zijn lid van tribale gemeenschappen.   

Dat in Anatolië en op veel andere plaatsen meerdere verschillende talen gesproken werden voor de landbouw er doorbrak moet niet verwonderen. Homo sapiens, jagers en verzamelaars hadden er tienduizenden jaren, minstens 45.000 jaar, meer dan 100.000 jaar als en archaïsche Homo sapiens meetelt, gewoond. Hun talen hadden tienduizenden jaren gehad om te apart te evolueren en apart te evolueren. Men moet ook niet verwachten dat die versplintering eindeloos was. Jagers en verzamelaars waren mobiel. Ze werkten samen in grotere gebieden. Door vele contacten en feesten zagen ze elkaar en konden nieuwe woorden, veranderingen zich over vrij grote gebieden verspreiden. Maar die werking kan niet vergeleken worden met een nieuwe productiewijze als de landbouw, die zich op korte tijd over zeer grote oppervlaktes zou verspreiden. Eénmaal die voltooid was zouden de talen van de eerste boeren zich ook opdelen in vaak een grot aantal talen.
De landbouw ontstond voor het eerst in Zuidwest-Azië en verspreidde zich van daar o.a. naar het Indische subcontinent. Van Zuidoost-Anatolië ging het door Iran naar Pakistan en verder naar Zuid-India, tot in Ceylon. De kans is groot die boeren in b.v. Iran proto-Dravidisch oppikten en dit verspreidden in het Indische subcontinent. Er is geen bewezen verband tussen de Dravidische talen en andere talen uit Zuidwest-Azië als Sumerisch (een islolaattaal, gesproken in Zuid-Mesopotamië, ook de eerste geschreven taal) noch van andere talen.

Verwantschap met Elamitisch?

Sommige onderzoekers zagen een verband met Elamitisch, een taal die gesproken werd aan het noorden van de Perzische Golf, tot voorbij de zeer oude stad Susa. Er is geen aanvaard verband met Dravidisch maar de hypothese is geformuleerd. Elamitisch zou ontstaan zijn in het Zagrosgebergte dat in het noorden aansluit bij Zuidoost-Anatolië, het belangrijkste gebied voor het ontstaan van landbouw en hét gebied waar veeteelt ontstond.[1]

Verwantschap met Urartisch en Hurritisch?

Er werden nog meer niet-Semitische en niet-Indo-Europese talen (de laatste hebben hun oorsprong ten noorden van de Zwarte Zee) zoals Urartisch in Oost-Anatolië, dat nauw verwant is met het Hurritisch. Er is geen bewezen verband tussen Urartisch, Hurritisch en de Dravidische talen.

Begin van de landbouw in het oosten van het Indische subcontinent

In Mehrgarh, Pakistan, werd de landbouw aan het einde van het 8ste millennium, ten laatste in het 7de millennium VOT (Voor onze tijd) ingevoerd. “De landbouw, vrij snel gevolgd door veeteelt, kwam hieraan met het pakket gewassen dat in Zuidwest-Azië gedomesticeerd was vanaf het PPNB, aan het einde van het 8ste millennium, ten laatste in het 7de millennium VOT. Tussen Zuidwest-Azië naar Indië was er geen scherpe ecologische grens. De landschappen bestonden er ook uit bergen, vruchtbare valleien, plateaus. Half-woestijnen en woestijnen werden vermeden. De eerste Indische boeren teelden tarwe en gerst.” (…) Het neolithicum in Zuidwest-Azië was ontstaan lang voor men er potten bakte. De oudste verspreiding van de landbouw was dan ook zonder de kennis noodzakelijk om potten te kunnen bakken.  en “In de onderste lagen van de oudste sites vindt men geen resten van potten. Landbouw op PPNB-niveau kende nog geen potten, die zouden ook in Indië later gebruikt worden.” (714 Peter Bellwood, 2005, op. cit., p .86 e.v. ) (Beide citaten uit : Marc Vermeersch. De geschiedenis van de mens. Deel II. Landbouwers en veetelers. Boek 3, Het ontstaan van landbouw en veeteelt in Zuidwest-Azië en de verspreiding er van naar Europa, West-Azië en Afrika, p. 329.)

Talen vóór het Dravidisch

Southworth trof woorden aan die geen Dravidisch noch oud Indo-Arisch waren[2]. Ze zouden kunnen van een uitgestorven substraat afkomstig zijn, van een taal of talen die in Zuid-India gesproken werden voor Dravidisch.

Was de taal van de Indusbeschaving een Dravidische taal?

De Harappataal was de taal van de Indusbeschaving, tussen 2800 en 1800 VOT. Het was een geschreven taal die nog niet of niet helemaal ontcijferd is. In 1964 hadden een Fins en een Sovjetteam onafhankelijk van elkaar een analyse van het Indusschrift gemaakt en ze waren beiden tot het besluit gekomen dat het een Dravidische taal was. Asko Parpola de leider van het Finse team claimt sedert 1994 dat hij het schrift minstens gedeeltelijk ontcijferd heeft.[3]

Dravidisch

“Dravidisch is één van de grote taalgroepen in de wereld die zou kunnen verspreid geweest zijn in het Indische subcontinent samen met de verspreiding van landbouw en veeteelt. Er zijn ongeveer 85 Dravidische talen en 217 miljoen sprekers. Dravidisch wordt voornamelijk gesproken in het zuiden van de republiek India. In het noordoosten van India hebben de gebieden waar Dravidisch gesproken wordt een eilandkarakter. Er is in het grensgebied van Pakistan, Iran en Afghanistan ook een Dravidische taal, Brahui, die in een gebied met een doorsnede van honderden kilometers gesproken wordt. Vandaag zijn er 2,2 miljoen Brahuisprekers. Het is een isolaat, 1500 km verwijderd van de dichtstbijzijnde Dravidische taal. Slechts 15% van de woordenschat van het Brahui is Dravidisch wat wijst op een langdurig contact en invloed van omringende volkeren en hun talen. (…)

Er is een tweede these die het bestaan van een Dravidische taal in Pakistan enzovoort kan verklaren. Brahuisprekers wonen in berggebieden, ideaal voor taalisolaten. Zij zouden hun taal kunnen behouden hebben in hun bergachtig gebied, ook toen ze millennia later, omringd waren door Indo-Iraanse volkeren. De verwantschap van Brahui met andere Noord-Dravidisch talen wijst eveneens in de richting van een isolaat. Talen die geconfronteerd worden met nieuwere talen, talen van machthebbers, dragers van nieuwere en betere technieken overleven meestal niet tenzij in geïsoleerde gebieden: het regenwoud, berggebieden en eilanden.(715) Op Ceylon wordt Tamil, een Dravidische taal, gesproken maar die werd vrij recent door Tamilezen die uit Zuid-India kwamen en zich op Ceylon vestigden, ingevoerd.”

(Citaat uit Marc Vermeersch. De geschiedenis van de mens. Deel II. Landbouwers en veetelers. Boek 3, Het ontstaan van landbouw en veeteelt in Zuidwest-Azië en de verspreiding er van naar Europa, West-Azië en Afrika, p. 345-346.)

Nieuw onderzoek

In een nieuwe studie naar de beginfase van Dravidisch onderzochten verschillende onderzoekers waaronder Vishnupriya Kolipakam, Fiona M. Jordan en Michael Dunn van het Evolutionary Processes in Language and Culture, Max Planck Institute for Psycholinguistics in Nijmegen en anderen.  Onderzoekers maakten ter plaatse om opnamen te maken bij sprekers van een Dravidische taal. Hun resultaat geeft aan dat Dravidisch ongeveer 4500 jaar oud is. (MV) Deze ouderdom kan enkel als benaderend beschouwd worden. Taalkundig onderzoek kan nooit zo precies zijn als archeologisch onderzoek waar sommige methodes als de dendrochronologie (gebaseerd op de aarringen van bomen) absolute datums opleveren. De kans is groot dat proto-Dravidisch samen metde verspreiding van landbouw uit ZW-Azië kwam. Maar het kan ook de taal geweest zijn van een tweede of derde golf die met nieuwe technieken (b.v. potten, nieuwe planten enz.) naar het oosten uitbreidden.

De studie toonde ook aan dat alle Dravidische talen beïnvloed werden door andere taalfamilies, zoals Indo-Arisch en Munda (een uit het oosten komende Austronesisiche taalfamilie) én deze op hun beurt beïnvloedden.

Dravidisch wordt tot vandaag gesproken in Iran, Pakistan, Noord-Indië, Nepal en op Ceylon. Een aantal Dravidische talen heeft veel sprekers: Malayalam, 33 miljoen sprekers, Kannada, 38 miljoen sprekers, Tamil, 61 miljoen sprekers, and Telugu, 74 miljoen sprekers. Dravidisch beïnvloedde het Sanskriet, de oude taal van de Indo-Arische veroveraars vanaf 1750-250 VOT. 2.

Dravidisch stamboom ouderdom

Eén van de mogelijke stambomen van Dravidisch. Voor andere mogelijke stambomen: zie artikel.

 

Bron:   Vishnupriya Kolipakam, Fiona M. Jordan, Michael Dunn, Simon J. Greenhill, Remco Bouckaert, Russell D. Gray, Annemarie Verkerk,  A Bayesian phylogenetic study of the Dravidian language family, ROYAL SOCIETY OPEN SCIENCE, Published 21 March 2018.

Samenvatting artikel 

The Dravidian language family consists of about 80 varieties (Hammarström H. 2016 Glottolog 2.7) spoken by 220 million people across southern and central India and surrounding countries (Steever SB. 1998 In The Dravidian languages (ed. SB Steever), pp. 1–39: 1). Neither the geographical origin of the Dravidian language homeland nor its exact dispersal through time are known. The history of these languages is crucial for understanding prehistory in Eurasia, because despite their current restricted range, these languages played a significant role in influencing other language groups including Indo-Aryan (Indo-European) and Munda (Austroasiatic) speakers. Here, we report the results of a Bayesian phylogenetic analysis of cognate-coded lexical data, elicited first hand from native speakers, to investigate the subgrouping of the Dravidian language family, and provide dates for the major points of diversification. Our results indicate that the Dravidian language family is approximately 4500 years old, a finding that corresponds well with earlier linguistic and archaeological studies. The main branches of the Dravidian language family (North, Central, South I, South II) are recovered, although the placement of languages within these main branches diverges from previous classifications.We find considerable uncertainty with regard to the relationships between the main branches.

[1] In den 1970er Jahren griff der amerikanische Forscher David W. McAlpin diese Theorie wieder auf und veröffentlichte 1981 eine Monografie, in der er für sich beanspruchte, die elamisch-dravidische Verwandtschaft nachgewiesen zu haben.[19] Die elamisch-dravidische Hypothese beruht zum einen auf strukturellen Ähnlichkeiten (beide Sprachen sind agglutinativ und weisen Parallelen in der Syntax auf), zum anderen wies McAlpin auf eine Reihe ähnlich lautender Suffixe hin und stellte 81 elamisch-dravidische Wortgleichungen auf. Nach McAlpins Hypothese gehörten Elamisch und Dravidisch zu einer gemeinsamen Sprachfamilie, die man nach ihrer angenommenen Urheimat im Zagros-Gebirge auch „zagrosisch“ nennt, und hätten sich zwischen 5500 und 3000 v. Chr. voneinander getrennt.
Aus Sicht der meisten anderen Forscher sind aber McAlpins Belege nicht ausreichend genug, um eine genetische Verwandtschaft nachzuweisen. Zvelebil 1991 spricht von einer „attraktiven Hypothese“, für die es viele Anhaltspunkte aber keinen Beweis gebe.[20] Steever 1998 hält McAlpins These für zweifelhaft.[21] “ uit: https://de.wikipedia.org/wiki/Dravidische_Sprachen

[2] Southworth FC, . 2005, Linguistic archaeology of South Asia. London, UK: Routledge, p. 89-90.

[3] Zie https://de.wikipedia.org/wiki/Dravidische_Sprachen

Advertenties
Geplaatst in Dravidisch, Indië, taal, Uncategorized | Tags: , , , , | Een reactie plaatsen

Neanderthal kunst in Spanje, 64.800 BP

Spanje La Pasiega groot

La Pasiega, de muurschildering (groot)

Spanje kaart met 4 vindplaatsen van neanderthalkunst

Kaart met drie van de vier in deze blog vermelde vindplaatsen. De Cueva de los Aviones kwam in een eerder blog aan bod en komt nog aan bod in een volgende.

 

 

Spanje La Pasiega 'verbeterde' tekening

Een interpretatie van de tekening op de foto hierboven. Punten, dieren en een complexe tekening waar alle verklaringen mogelijk zijn.

 

Science[1] publiceerde een artikel over muurschilderingen van Neanderthalers in het zuiden van Spanje. Ze waren gevonden in niet minder dan drie (bekende) grotten. De oudste waren minstens ca. 64.800 jaar ouder. Nadat een week tevoren een artikel was verschenen dat de ondergang van de neanderthalers weet aan hun onvermogen om kunst voort te brengen was dit de best denkbare weerlegging.

handsjablonen Sulawesi 33000 BP

  Handsjabloon van Sulawesi (Indonesië) 33.000 jaar oud

handsjabloon Egypte ouderdom onbekend

Handsjabloon uit Egypte, ouderdom onbekend.

De ouderdom van de schilderingen werden bepaald met de Uranium-thorium (U-Th) methode. Deze test wordt uitgevoerd op de koolstofafzetting die boven op de schildering is ontstaan. Er is zeer weinig koolstof, b.v. 10 mg, voor nodig. De ouderdom die men zo krijgt is een minimumleeftijd voor de schildering.

 

Ardales

Men vond rood geschilderde speleothemen (stalagmieten) in de grot Doña Trinidad, Ardales (Andalucía). In Ardales werd geleefd in het midden- en laat-paleolithicum (door neanderthalers en later door Sapiens). Hier werd een groot aantal, meer dan 1000, rode schilderingen en gravures gevonden: handsjablonen en schilderingen met punten, lijnen, schijven en andere geometrische vormen. Daarnaast figuratieve voorstellingen van dieren waaronder paarden, herten en vogels. De schilderingen zijn tussen 45.900 en 65.500 jaar geleden gemaakt.

Maltravieso

Maltravieso (Estremadura, ZW Spanje) was periodiek bewoond de afgelopen180.000 jaar. Het telt ongeveer 60 handsjablonen maar ook geometrische vormen, b.v. punten en driehoeken maar ook geschilderde en gegraveerde figuren.

Het wereldwijd gebruik van handsjablonen

Dat er opnieuw handsjablonen gevonden werden die door neanderthalers gemaakt werden is buitengewoon belangrijk want het is een voorbeeld van een thema dat zowel neanderthalers als Sapiensen gebruikten maar waarvan de oudst bekende voorbeelden nu van neanderthalers zijn.

De kans is groot dat deze praktijk in één gebied is ontstaan is. Kandidaat voor het ontstaan van handsjablonen is ook hier Afrika omdat handsjablonen wereldwijd verspreid werden en enkel Homo sapiens zich wereldwijd verspreidde. Toch valt niet absoluut uit te sluiten dat neanderthalers deze schilderingen eerst maakten en dit gebruik zich van hier naar Azië en Afrika verspreidde. “Taçon (…) geeft aan dat hoewel handsajblonen gewoon zijn in Europa, Azië en Australië, ze zelden voorkomen in Afrika in gelijk welke periode.” Uit: A Journey to the Oldest Cave Paintings in the World. https://www.smithsonianmag.com/history/journey-oldest-cave-paintings-world-180957685/

Zie in Marc Vermeersch, Boek 1, van Pan tot Homo sapiens, op p. 282 over handsjablonen in de grot van El Castillo, zie ook hierna), 40.800 jaar oud.

Zie ook in Marc Vermeersch, Boek 2, De maatschappij van jagers en verzamelaars, p. 82-83, voor Australië, p. 93, 99 voor Tasmanië, Homo sapiens in Europa, p. 149, 155, 160, 162, 164-165; in Brazilië p. 212.

Spanje Maltravieso handsjablonen.png
Foto van handsjablonen in Maltravieso?

Motief met rode lijnen in La Pasiega (Cantabria).  

La Pasiega

De grot van La Pasiega, maakt deel uit van het Monte Castillo grottencomplex. Dit omvat de grotten van El Castillo, Las Chimeneas en Las Monedas. Ze werden continu door mensen bewoond gedurende de afgelopen 100.000 jaar. De grottenkunst omvat hier voornamelijk rode en zwarte schilderingen, waaronder groepen dieren, lineaire tekens, claviforme tekens (die een dunner en een dikker uiteinde hebben, b.v. bij een knuppel), punten, en mogelijke antropomorfe tekens.

Video over de ontdekkingen in de Spaanse grotten. Deze is interessant omdat belangrijkste tekening er ook Neanderthal Origin of Iberian Cave Art (Science) / https://www.youtube.com/watch?v=0H_wFNfrMmU

In La Pasiega werden ook veel jongere schilderingen en tekeningen, gemaakt door Homo sapiens, gevonden. Een zeer interessant en uitgebreid overzicht staat op https://en.wikipedia.org/wiki/Cave_of_La_Pasiega Het is alleen spijtig dat er nauwelijks dateringen vermeld worden.

 

Voornaamste bronnen:
Dirk L.Hoffmann, Alistair W.G., Piked Marcos García-Diez, Paul B. Pettitt, João Zilhão, Methods for U-series dating of CaCO3 crusts associated with Palaeolithic cave art and application to Iberian sites, Quaternary Geochronology, Volume 36, September 2016, Pages 104-119.

L. Hoffmann, C. D. Standish, M. García-Diez, P. B. Pettitt, J. A. Milton, J. Zilhão, J. J. Alcolea-González, U-Th dating of carbonate crusts reveals Neandertal origin of Iberian cave art, Science, 23 Feb 2018, Vol. 359, Issue 6378, pp. 912-915.

Neandertal cave art

It has been suggested that Neandertals, as well as modern humans, may have painted caves. Hoffmann et al. used uranium-thorium dating of carbonate crusts to show that cave paintings from three different sites in Spain must be older than 64,000 years. These paintings are the oldest dated cave paintings in the world. Importantly, they predate the arrival of modern humans in Europe by at least 20,000 years, which suggests that they must be of Neandertal origin. The cave art comprises mainly red and black paintings and includes representations of various animals, linear signs, geometric shapes, hand stencils, and handprints. Thus, Neandertals possessed a much richer symbolic behavior than previously assumed.

Abstract
The extent and nature of symbolic behavior among Neandertals are obscure. Although evidence for Neandertal body ornamentation has been proposed, all cave painting has been attributed to modern humans. Here we present dating results for three sites in Spain that show that cave art emerged in Iberia substantially earlier than previously thought. Uranium-thorium (U-Th) dates on carbonate crusts overlying paintings provide minimum ages for a red linear motif in La Pasiega (Cantabria), a hand stencil in Maltravieso (Extremadura), and red-painted speleothems in Ardales (Andalucía). Collectively, these results show that cave art in Iberia is older than 64.8 thousand years (ka). This cave art is the earliest dated so far and predates, by at least 20 ka, the arrival of modern humans in Europe, which implies Neandertal authorship.


Perforated shells from Cueva de Los Aviones, possibly made by the Neanderthals as jewelry 115,000 years ago. Photo courtesy of J. Zilhao/University of Barcelona
.

[1] D. L. Hoffmann, U-Th dating of carbonate crusts reveals Neandertal origin of Iberian cave art, Science,  23 Feb 2018, Vol. 359, Issue 6378, p. 912-915
Andere blogs over kunst
De spectaculaire constructies in de grot van Bruniquel (F), 176.500 BP
Kunst Olduvai 1,74 M BP, de bavianenkop
De oorsprong van esthetisch gevoel en kunst.
Schelpen en pluimen, nieuwe kunstobjecten van neanderthalers  
(waar Cueva de los Aviones aan bod komt)
De oudste door de mens bewerkte beeldjes

Het oudste liefdesbeeldje ter wereld.
Een virtueel bezoek aan de grot van Lascaux

Chauvet, grottenkunst in Europa tot 32.410 jaar oud

Der Löwenmensch, het oudst bekende beeldje met een combinatie mens-dier
Het oudste Europees Venusbeeldje uit de Hohle Felsgrot (D)
Schelpen en pluimen, nieuwe kunstobjecten van neanderthalers
De oudste juwelen ter wereld

Nerja, oudste grottenkunst in Europa, meer dan 40.000 jaar oud
Vela Spila (Kroatië), keramiek 17.500 jaar geleden

Kunst. De denker en de zittende vrouw.
De Kalahari 70.000 jaar geleden: religie, totem, kunst en een python (a
) de neushoorngrot
De Kalahari 70.000 jaar geleden (b) de neushoorngrot de interpretatie

Geplaatst in esthetisch gevoel, kunst, neanderthalers, Spanje neanderthalers, Uncategorized | Tags: , , , , , | Een reactie plaatsen

De spectaculaire constructies in de grot van Bruniquel (F), 176.500 BP

Bruniquel grot 1 met archeoloog

Bruniquel, zicht op de cirkelvormige constructie met stalagmieten

3D-model van de cirkels en halfcirkels in de grot van Bruniquel.

3D-model van de cirkels en halfcirkels in de grot van Bruniquel.

Bruniquel Tekening Fédération Française de Spéléologie

Bruniquel. 3D-model van de cirkels en halfcirkels in de grot van Bruniquel.

De grot van Bruniquel (Tarn et Garonne, Occitanië, ZW-Frankrijk) is één van de bijzonderste grotten die ooit gevonden werd. Ze is vrij recent, in 1990, ontdekt door speleologen die de ingang vrij maakten. Men vond er op 336 m van de ingang een unieke opstelling van stalagmieten maar men kon pas in 2016 de ouderdom vrij precies bepalen en die is naar schatting 176.500, ± 2100, jaar oud. Dateringen werden gedaan met uranium van de stalagmieten, van de minerale afzettingen op de stalagmieten en van stukjes bot.

In die periode was er een ijstijd in Europa.

Dit is niet alleen één van de alleroudste ruimtelijke constructies van de mens maar ook, tot recent, uniek. Homo neanderthalensis voerde hier een complex werk uit lang voor Homo sapiens iets gelijkaardig ondernam, b.v. in Göbekli Tepe vanaf 11.700 jaar geleden[1]. Deze mensen verplaatsten 400 stukken stalamieten en zetten ze uit ze op een oppervlakte van 29 m². Men stapelde tot 4 lagen stalagmieten boven elkaar en stutte de opbouw eventueel aan de buitenkant. Er werden verschillende grote, gelaagde, ringachtige structuren, opgezet met in totaal bijna 400 stalagmieten die samen meer dan twee ton wogen. De doorsnede van de grote cirkel is 6,7 meter. Andere stalagmieten waren opgesteld in een kleinere halve cirkel en de rest was opgestapeld in hopen. Er waren 18 plaatsen waar men vuur had gemaakt. Rode en zwarte verkleuring wijst erop dat soms vuur was gemaakt op de stalagmieten. Er werd roet, verbrande botten en calciet (het mineraal in druipsteen dat rood of zwart uitslaat) gevonden. “Zelfs voor een getraind oog lijkt de scene op iets dat het werk van vroege moderne mensen[2] zou kunnen zijn.”

“Ze scheurden, kalibreerden en rangschikten de materialen met onderhouden verlichting”, merkte Jacques Jaubert op. “Deze handeling toont aan dat het al een complexe samenleving was”. Paleoanthropolooog Chris Stringer van het Natural History Museum in London: “Deze ontdekking levert een duidelijk bewijs dat Neanderthalers volledig menselijke kapaciteiten hadden voor het plannen en het bouwen van ‘stenen’ structuren en dat sommigen diep in grotten doordrongen waar kunstmatige verlichting essentieel zou geweest zijn.”

Om deze enormen stenen ringen te maken moest men een betrouware lichtbron hebben, sociale organisatie en de kapaciteit om plannen te ontwerpen. Het vergde de mobilisatie van mensen die kiezen, leiden, adviseren, bewerken, maken, met voortdurend licht. Het werk van een gestructureerde maatschappij. Het is denkbaar dat deze mensen gelijkaardige constructies buiten de grot hadden opgetrokken, det de constructies in de grot niet uit het niets waren ontstaan.

We kunnen enkel raden wat het doel was van deze constructie maar het moet aangelegd zijn met een doel voor ogen. Kan dit religieus geweest zijn? Stelden de opgestelde stalagmieten b.v. voorouders voor?

Neanderthal of Heidelbergensis?

In het artikel van Nature worden de mensen die de cirkels in de grot van Bruniquel aanlegden neanderthalers genoemd. Ik heb in mijn boeken pas voor de periode na 130.000 jaar geleden de term neanderthalers overgenomen. Voor de periode tot 130.000 jaar geleden is de term Homo heidelbergensis gebruikt. Ik maakte volgende opmerking de overgang van Heidelbergenis naar Neanderthalensis. “Men zou kunnen argumenteren dat Homo heidelbergensis en Neanderthalensis één soort vormt want over een periode van een paar honderdduizend jaar evolueerde de eerste en ging over in de tweede. Er was fysieke evolutie maar men kan niet spreken van revolutie, dit wil zeggen grote wijzigingen op korte tijd.”[3]

Bron:  Jacques Jaubert, Sophie Verheyden (van het Koninklijk Instituut voor Natuurwetenschappen (KBIN)) et al., Early Neanderthal constructions deep in Bruniquel Cave in southwestern France, 534, Nature pages 111–114, 02 June 2016.

Einde van een discussie. Konden andere mensen dan Sapiens kunst enz. maken?

De vondst in Bruniquel en deze van schilderingen in een viertal Spaanse grotten die tot 68.000 jaar oud zijn (zie een binnenkort te verschijnen blog en Nerja, Spanje, grottenkunst, meer dan 40.000 jaar oud. Neanderthaler of Sapiens?) en veel andere activiteiten neemt alle twijfel weg: neanderthalers konden wel degelijk kunst en complexe constructies maken. Ze moeten daarvoor lang intens samengewerkt hebben. Eigenschappen die ze net als Homo sapiens hadden.

Dr. Marc Vermeersch   – marc.vermeersch@gmail.com

Bruniquel plan ligging.png Bruniquel, ligging

Bruniquel grot 2

Bruniquel de kring met stalagmieten

 

Brinuel grot met ruimer zicht op de kring met stalagmieten

Bruniquel, ruimer zicht op de grot en de opgestelde stalagmieten

Bruniquel Tekening Nature

Bruniquel Tekening Nature

Foto’s van Etienne Fabre, SSAC

Abstract

Very little is known about Neanderthal cultures, particularly early ones. Other than lithic implements and exceptional bone tools, very few artefacts have been preserved. While those that do remain include red and black pigments and burial sites, these indications of modernity are extremely sparse and few have been precisely dated, thus greatly limiting our knowledge of these predecessors of modern humans. Here we report the dating of annular constructions made of broken stalagmites found deep in Bruniquel Cave in southwest France. The regular geometry of the stalagmite circles, the arrangement of broken stalagmites and several traces of fire demonstrate the anthropogenic origin of these constructions. Uranium-series dating of stalagmite regrowths on the structures and on burnt bone, combined with the dating of stalagmite tips in the structures, give a reliable and replicated age of 176.5 thousand years (±2.1 thousand years), making these edifices among the oldest known well-dated constructions made by humans. Their presence at 336 metres from the entrance of the cave indicates that humans from this period had already mastered the underground environment, which can be considered a major step in human modernity. https://www.nature.com/articles/nature18291

Een foto genomen vanuit het dorpje Bruniquel. De grot van Bruniquel bevindt zich op deze hoogte, in de vallei van de Aveyron (Tarn-et-Garonne). (Foto: Michel Soulier – SSAC)

Hieronder:
Schaal met aanduiding van de ouderdom van sommige grotten waar Homo sapiens grotschilderingen achter liet, Lascaux, Cussac en Chauvet. Het kunstwerk in Bruniquel is tussen 5 en 10 maal ouder. Homo ergaster = Homo erectus. Homo antecessor en rhodesiensis worden vandaag nog zelden gebruikt, wel Homo heidelbergenisis die in Afrika en Europa leefde. .

Schaal met aanduiding van de ouderdom van sommige grotten waar Homo sapiens

Andere blogs over kunst
Kunst Olduvai 1,74 M BP, de bavianenkop
De oorsprong van esthetisch gevoel en kunst.
Schelpen en pluimen, nieuwe kunstobjecten van neanderthalers 
De oudste door de mens bewerkte beeldjes

Het oudste liefdesbeeldje ter wereld.
Een virtueel bezoek aan de grot van Lascaux

Chauvet, grottenkunst in Europa tot 32.410 jaar oud

Der Löwenmensch, het oudst bekende beeldje met een combinatie mens-dier
Het oudste Europees Venusbeeldje uit de Hohle Felsgrot (D)
Schelpen en pluimen, nieuwe kunstobjecten van neanderthalers
De oudste juwelen ter wereld

Nerja, oudste grottenkunst in Europa, meer dan 40.000 jaar oud
Vela Spila (Kroatië), keramiek 17.500 jaar geleden

Kunst. De denker en de zittende vrouw.
De Kalahari 70.000 jaar geleden: religie, totem, kunst en een python (a
) de neushoorngrot
De Kalahari 70.000 jaar geleden (b) de neushoorngrot de interpretatie

[1] De stenen tempels van Göbekli Tepe zijn in vergelijking veel verder gevorderde constructies, bijna 160.000 jaar na Bruniquel.

[2] ‘Moderne mens’ is een synoniem voor Homo sapiens.

[3] Marc Vermeersch, van Pan tot Homo sapiens, Boek 1, p. 225

Lees verder

Geplaatst in Bruniquel grot 176.500 BP, Homo heidelbergensis, Uncategorized | Tags: | Een reactie plaatsen

De onderdrukking van de vrouw in historisch perspectief (6) geweld van mannen tegen vrouwen

Geweld van mannen tegen vrouwen

Over heel de wereld is het duidelijk dat de mannen in de vroege geschiedenis de macht hadden en dat de vrouwen in een ondergeschikte positie stonden. Geweld is de basis die de overheersing mogelijk maakte en in stand hield. Zevenenzestig procent van de getrouwde vrouwen in Papoea-Nieuw-Guinea waren ooit geslagen door hun mannen. Eén of vijf vrouwen moest ooit gehospitaliseerd worden als gevolg van huishoudelijk geweld. In Australië kwam geweld bij aboriginals 45 maal meer voor dan bij blanke Australiërs. In Pakistan is de mortaliteitsratio voor meisjes 50% hoger dan die van jongens die daarenboven beter gevoed worden. In vele delen van Afrika en het Midden-Oosten kunnen vrouwen niet naar klinieken zonder toestemming van hun man.

Bachofen’s stelling dat de maatschappij ooit matriarchaal georganiseerd was heeft voor geen enkele maatschappij bevestiging gevonden. Bij de eskimo’s van Noord-Alaska worden vrouwen bekeken als economische partners, potentiële echtgenotes maar ook als een waar die men wil geven, ontvangen en uitwisselen met een andere man. Een tienermeisje is als wild, een seksueel object dat iedere man kan proberen te veroveren. Hij neemt haar bijvoorbeeld bij haar riem. Als ze weerbarstig is mag hij haar broek los snijden en proberen haar te dwingen tot gemeenschap, met andere woorden haar verkrachten.

Het zijn mannen die wereldwijd oorlogen uitvechten, die geweld tegen vrouwen gebruiken. Vrouwen nemen soms deel aan het geweld maar maken dan meestal een kleine minderheid uit. In Dahomey (het hedendaagse Benin) was er in de 19de eeuw een legereenheid van 5.000 – uitsluitend – vrouwen. De totale legermacht telde 12.000 soldaten. Europeanen beschreven deze Amazones die een deel van een ander land innamen, gevangenen maakten en scalpen droegen. In 1851 leden ze zelf een nederlaag tegen de naburige Abeokutanen waarbij 2.000 vrouwelijke soldaten zouden omgekomen zijn. Een ontdekkingsreiziger, Richard Burton, schreef dat ze even moedig, zo niet moediger, waren dan hun mannelijke wapenbroeders. In de US is het aantal moorden gepleegd door mannen een factor 9 voor mannen tegenover 1 voor vrouwen. Verkrachting is een bijna exclusieve mannenaangelegenheid. Verkrachting door vrouwen komt bijna niet voor en dan zijn het meestal andere vrouwen die het slachtoffer zijn.

Bondgenootschappen tussen mannen

Bij de aboriginals van de West-Australische woestijn, die door antropologen als egalitair beschreven worden, kunnen enkel mannen een echtscheiding inleiden. Vrouwen die geslagen worden zullen niet geholpen worden door andere leden van de stam. Bij de Mboeti-pygmeeën ziet de man zich als een jager hoewel hij goed weet dat een groot deel van het eten van het verzamelen door de vrouwen komt. Toch zijn het de mannen die de politieke leiding van de maatschappij hebben. Kinderen associëren hun vaders met autoriteit en hun moeders met liefde. Mboetimannen zeggen dat het regelmatig slaan van hun vrouw een goede zaak is. Verkrachting lijkt nochtans weinig voor te komen bij de Mboeti. Mannen moeten permissie hebben voor ze gemeenschap hebben met een vrouw maar als ze met een meisje aan het strelen zijn kan het gebeuren dat ze plots tot de daad overgaan, tegen haar wil.

Bij de !Kung hebben de mannen ook de politieke leiding. Mannelijke initiatierites zijn geheim, die van de vrouwen niet. Mannelijke voorwerpen worden bij het aanraken door een menstruerende vrouw onrein, als mannen iets aanraken wordt het daardoor nooit onrein. Bij de !Kung zijn het ook de mannen die het meeste geweld gebruiken. Van 34 gevechten waren er ongeveer 3/4de ingeleid door mannen en 1/4de  door vrouwen. Mannen vielen even veel mannen als vrouwen aan, vrouwen vielen uitsluitend andere vrouwen aan met één uitzondering: een vrouw die haar man had aangevallen. Van 22 bekende moorden waren alle moordenaars mannen en de slachtoffers waren voornamelijk mannen en slechts twee vrouwen. Er is een geval bekend van een !Kungman die een meisje dat nog haar eerste menstruatie moest hebben als vrouw had. Hij kon niet wachten om gemeenschap met haar te hebben, ze verzette zich, kreeg slaag en in de val die er op volgde brak ze haar nek. Voor de dorpsraad gedaagd door de moeder van het meisje stelde de moordenaar als schadevergoeding vijf geiten voor.

Het patriarchaat is volgens de auteurs geen cultureel maar een natuurlijk fenomeen, afkomstig uit een geschiedenis van meerdere miljoenen jaren, ook detecteerbaar bij chimpansees. Het patriarchaat komt voort uit het temperament van de mannen, uit hun evolutionair afgeleide inspanningen om vrouwen te controleren en terzelfdertijd solidair te zijn met hun medemannen in de competitie tegen buitenstaanders. Dit is een tweede reden waarom mannen heersen over de vrouwen. Zij hebben altijd sterkere bondgenootschappen gesmeed dan de vrouwen. Daar waar bij de bonobo’s de vrouwen de macht hebben omdat zij er de bondgenootschappen smeden. P. 357-358.

Geweld door vrouwen

Vrouwen gebruiken veel minder geweld dan mannen. Als ze geweld gebruiken is dat in de eerste plaats tegen hun mannen en kinderen. In vergelijking met mannen gebruiken ze veel minder geweld tegen andere individuen. Zo zijn er in de geschiedenis wel enkele voorbeelden van massamoordenaressen, (tijdens Wereldoorlog II in Duitse concentratiekampen, vandaag vaak in hospitalen) maar het aantal vrouwelijke massamoordenaars is in geen enkel opzicht vergelijkbaar met het aantal mannelijke massamoordenaars. P.348

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

De onderdrukking van de vrouw in historisch perspectief (5) het ontstaan vd liefde / sociaal vaderschap

Het ontstaan van de liefde tussen man en vrouw

De moederliefde was de basis, het vertrekpunt van alle liefde tussen mensen. Alle andere vormen van liefde tussen mensen hadden de moederliefde als uitgangspunt, ook de liefde tussen man en vrouw. De vrouw en haar kinderen hadden daar voordeel bij. Bij chimpansees kan soms een bepaalde voorkeur van een vrouw voor een man vastgesteld worden. Dit is wat bij onze neven het dichtst in de buurt van verliefdheid komt maar het houdt geen seksuele exclusiviteit in.  De mens en – misschien – ook zijn voorlopers hadden waarschijnlijk een veel grotere capaciteit om verliefd te worden dan chimpansees. Bij de mens is met het ontstaan van het koppel waarschijnlijk ook de liefde tussen man en vrouw ontstaan. Sterke gevoelens tussen man en vrouw lieten toe dat ze zich langer en intenser samen met hun kinderen konden bezig houden. Liefde en seks waren een smeermiddel met een praktisch resultaat. Dat het vaderschap een sociaal en niet noodzakelijk een genetisch vaderschap was is hier bijkomstig, net als het feit dat liefde bij een koppel slechts tijdelijk of ook niet bestaand kon zijn.

Het vaderschap, een sociaal vaderschap

Jagers en verzamelaars wisten niet dat seks tot de geboorte van een kind leidde. ”Deze stammen, zoals de Arunta en de Kaitish, geloven dat conceptie veroorzaakt wordt door het binnengaan in een vrouw van een geest die geleefd heeft in zijn lichaamloze staat, samen met andere geesten van dezelfde totem, in één van een aantal totemcentra verspreid over het land; (…)” Dit kan ons onbegrijpelijk lijken maar het verband tussen seks en zwangerschap was niet zo evident als het ons lijkt. Seks kwam bijvoorbeeld veel vaker voor dan een zwangerschap en er verliepen negen maanden tussen de gemeenschap en de geboorte, een periode waarin men veel meer seks had, vaak ook met meerdere mannen. Niet alle koppels kregen kinderen, een evident verband was er niet.

Kennis over het biologisch vaderschap werd waarschijnlijk slechts bekend nadat het houden van de hond of – duizenden jaren later – andere dieren was ontstaan en de mens door het isoleren of samenbrengen van mannelijke en vrouwelijke dieren vroeg of laat het verband moest leggen tussen seks en vaderschap. De hond als oudste huisdier van de mens kan hier de klok hebben doen luiden. Daartegenover staat dat de Australiërs wel de hond kenden maar toch niet wisten hoe de vork aan de steel zat. Misschien kwam het inzicht pas toen de mens met kweekprogramma’s voor dieren begon.

Tot de mens wist dat er een verband was tussen seks en zwangerschap, met overwegend matrilineaire afstamming in het ruime kader van het groepshuwelijk was vaderschap per definitie sociaal vaderschap. Een man was de vader van de kinderen van zijn vrouw, het besef van biologisch vaderschap was onbestaande. We mogen aannemen dat het bekend worden van de band tussen seks en vaderschap een belangrijke stimulans was voor mannen in de richting van patrilineariteit. Heel wat researchers zijn er van overtuigd dat het ontstaan van het private bezit, na het ontstaan van de landbouw, een belangrijke bijkomende stimulans was in de richting van een verdere omschakeling naar afstamming in vaderlijke lijn. Mannen wilden dat hun biologische kinderen van hen erfden. Ze wilden vanaf toen hun bezit aan hun eigen kinderen doorgeven en niet aan die van hun zusters wat het gebruik was in matrilineaire verwantschapssystemen.

Polygynie bij jagers-verzamelaars en boeren

Bij jagers en verzamelaars kwam het slechts uiterst zelden voor dat de omstandigheden om voedsel te verzamelen zo gunstig waren dat een langdurig voedseloverschot bestond. Jagers en verzamelaars hadden ook niet de mentaliteit om voedsel op te slaan als dat mogelijk was. Was er veel vlees beschikbaar dan werd veel vlees gegeten. In de zeldzame maatschappijen van jagers en verzamelaars waar voedseloverschotten mogelijk waren zoals bij de vissers op zalm in Noordwest-Amerika hadden chefs vaak wel meerdere vrouwen en daarnaast slaven en slavinnen.

In landbouwmaatschappijen met een voedseloverschot hadden grote en kleine machthebbers meestal meerdere vrouwen. Zij konden zich die weliswaar in veel gevallen enkel veroorloven door gebruik van geweld, door inkomsten uit belastingen en/of omdat hun vrouwen werkten en in hun eigen onderhoud – en eventueel ook in dat van de man – voorzagen. Op die manier stond een rem op de polygynie bij gewone boeren. Een boer met vier vrouwen en 12 kinderen had het moeilijker dan een boer met één vrouw en drie kinderen op een stuk grond met dezelfde oppervlakte.

Bij jagers en verzamelaars was polygynie de uitzondering maar was een relatief vrij seksueel verkeer in het kader van het groepshuwelijk ook aan strenge regels gebonden. Enkel in maatschappijen waar de omstandigheden voor het verkrijgen van voedsel zeer gunstig waren hadden enkele mannen meerdere vrouwen.

Morele restricties en infanticide

Frans de Waal argumenteert dat één van de redenen waarom een sterke band tussen man en vrouw nuttig was dat deze hielp om infanticide te voorkomen. “Veel van de morele restricties waaraan wij gewend zijn – waaronder ook die waardoor bonobo’s in de gevangenis zouden belanden als zij in ons midden zouden leven – zijn bedoeld om deze specifieke sociale orde te handhaven. Onze voorouders hadden behoefte aan coöperatieve mannetjes die geen bedreiging vormden voor vrouwtjes en hun jongen en bereid waren om hun partners een handje te helpen. Dat betekende een scheiding tussen het publieke en het privé domein en exclusieve partnerschappen. Wij moesten oeroude promiscue neigingen beteugelen die nog een tijdje moeten hebben doorgewerkt, en nog steeds doorwerken. Het resultaat was niet alleen ons voortbestaan, maar ook een grotere bevolkingsgroei vergeleken met mensapen.” Bonobovrouwen baren gemiddeld om de vijf jaar en staan alleen in voor de kinderen. Ze moeten er soms voor twee zorg dragen. Het gebeurt dat ze in het bos rondtrekken met een kind aan hun buik en een ander op de rug. Bonobo’s hebben het eenoudergezin tot het uiterste doorgevoerd.

Besluit

Het feit dat mensen veel seks hadden, dat koppels de overheersende samenlevingsvorm waren in de maatschappijen van jagers en verzamelaars wijst er op dat koppelvorming een voordeel bood. Het voordeel kon zijn dat mannen meer seks bekwamen, vrouwen vlees kregen en hulp bij de opvoeding van kinderen. Het sociaal vaderschap impliceerde dat mannen hun kinderen beter beschermden. Kinderen kregen langdurig en uitgebreid hulp bij hun opvoeding van hun moeder én hun vader.

Dr. Marc Vermeersch –  marc.vermeersch@gmail.com

Blogs in de reeks De onderdrukking van de vrouw in historisch perspectief  

De onderdrukking van de vrouw in historisch perspectief (1a) bonobo’s en chimpansees

De onderdrukking van de vrouw in historisch perspectief (1b) chimpansees en bonobo’s

De onderdrukking van de vrouw in historisch perspectief (2) De verhouding man–vrouw bij de mens

De onderdrukking van de vrouw in historisch perspectief (3) Verschillen tussen man en vrouw

Eerste blog in de reeks 1302, klassenstrijd in Vlaanderen

1302, klassenstrijd in Vlaanderen (1, economie)

 

 

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

De onderdrukking van de vrouw in historisch perspectief (4) Dominantie van de mannen

Sociaal waren mannen en vrouwen niet gelijk, de mannen waren baas. Net als bij chimpansees werden vrouwen regelmatig geslagen. Het is – in het licht van de geschiedenis – pas zeer recent dat geweld tegen vrouwen is afgenomen. Chimpanseevaders hebben met de kroost van de groep geen nauwe maar een eerder afstandelijke relatie. Bij beide groepen hebben moeders met hun kinderen een hechte relatie, zeker met hun zonen met wie ze in dezelfde groep blijven. P. 296-

Wat is er veranderd sedert de splitsing met de chimpansees?

  • De overheersing van de mannen wordt in stand gehouden door hun bondgenootschappen, door geweld en daarnaast ideologisch verantwoord en versterkt door mythes, rites enzovoort.
  • Arbeidsverdeling. Een arbeidsverdeling is in principe voor beide partijen voordelig. De productiviteit stijgt, de opbrengsten zijn groter. Bij de bonobo’s is er nauwelijks sprake van arbeidsverdeling. Ieder zorgt voor zijn eigen voedsel maar de bonobovrouwen zorgen quasi alleen voor de kinderen. Bij de chimpansees zorgen de vrouwen ook alleen voor de kinderen. Mannen zorgen voor orde en stabiliteit in de groep, ze beschermen de groep en zijn territorium, ze jagen en staan een deel van het vlees af.
  • Groepshuwelijk. De evolutie was van regelloze seks naar groepshuwelijk, naar koppelvorming in het kader van het groepshuwelijk,

Dat de meeste mensen in een koppel leven wil niet zeggen dat dit de enige manier van samenleven is. In het groepshuwelijk was een groep mannen en vrouwen van dezelfde leeftijd met elkaar gehuwd. Binnen die groep kan elke man met elke vrouw seksuele betrekkingen hebben. Toch leefde de grote meerderheid van de mannen met één vrouw samen en werden de kinderen van de vrouw ook als kinderen van de man beschouwd. Meestal zal die man ook de biologische vader geweest zijn maar gezien het groepshuwelijk kan dat niet altijd het geval geweest zijn. Er waren ook regelmatig bijeenkomsten van groepen waarbij het gebeurde dat groepen vrouwen tijdelijk geruild werden of dat seks min of meer vrij kon gebeuren.

Mannelijk bondgenootschappen, de basis van de mannelijke dominantie

Bij mensen was de macht van de mannen gebaseerd op hun grotere fysieke kracht, een grotere agressiviteit en vooral op mannelijke bondgenootschappen waarmee ze die macht stevig in handen hielden.

Bij de chimpansees zijn de mannen baas. Ze zijn dat in de eerste plaats door hun bondgenootschappen waarbij ze weliswaar de vrouwen als steun nodig hebben. Dat fysieke kracht niet de doorslag geeft wordt duidelijk bij de bonobo’s. Vrouwen zijn er  ook minder sterk dan de mannen maar door hun vrouwelijke lesbische bondgenootschappen en de inzet van hun zonen zijn zij er dominant.

Bij mensen domineren mannen. De overheersing van de mannen moest in een maatschappij met gesproken taal ook een ideologische verantwoording hebben. Mannelijke bondgenootschappen kwamen duidelijk tot uiting bij totemistische of andere religieuze rituelen waar vrouwen een ondergeschikte rol speelden en vaak zelfs niet toegelaten werden. Deze bondgenootschappen waren geheime genootschappen waarin mannen totemistische, religieuze geheimen deelden. Als vrouwen heilige plaatsen en heilige voorwerpen zagen konden deze daardoor ontheiligd worden. Religie werd door deze mannelijke genootschappen ook gebruikt om de macht te behouden. Dat er hier en daar gespookt werd voor vrouwen en kinderen is minder belangrijk dan dat de heersende vooroudercultus – naast de reproductie van de clan – óók de bestaande macht van de mannen bevestigde en reproduceerde.

Jongens werden aan het begin van de initiatie bij hun moeders weggehaald, afgezonderd en door de mannelijke genootschappen geïnstrueerd. Hun kindertijd, hun tijd bij hun moeder was gedaan. De initiatie stoorde de mogelijkheid dat de relatie moeder – zoon uitgroeide tot een ander bondgenootschap. Jongens werden man verklaard na de initiatie door de mannen. Deze praktijken waren niet bij alle jagers en verzamelaars even rigide. Soms hadden vrouwen een rol bij de initiatie van jongens en ze hadden zeker een grote rol bij de initiatie van meisjes maar in de maatschappij waren mannen dominant. De initiatie was een grote ideologische conditionering van de jongeren van een clan.

Gesproken taal leidde tot bewust denken. De vele mythes die wereldwijd bestonden waarin vrouwen de macht hadden in deze maatschappijen waren waarschijnlijk een uiting van het bewustzijn van mannen dat zij hun macht in de maatschappij in hun voordeel gebruikten en de schrik dat dit niet zou blijven duren. Het is mogelijk dat ze een weerspiegeling zijn van vroegere situaties waarin de vrouw een betere positie had. Bewust denken leidde ook tot ideeën over de minderwaardigheid van vrouwen. Ideeën die een onderdeel van die ideologie vormden.

De bewustwording, de ideologie van de mannen, moest voor wat betreft de relatie man-vrouw bijna zeker tot een tendens leiden die de macht van de mannen versterkte, net zoals de bewustwording van de exogamie leidde tot wetten die de praktijk van de exogamie uitwerkten en versterkten. Dat stammen overschakelden van matrilineaire afstamming naar patrilineaire –lang voor men het verband zag tussen seks en voortplanting– is waarschijnlijk een gevolg en een uiting van die bewustwording. Zeer belangrijk is dat in de verschillende culturen van jagers en verzamelaars wereldwijd de positie van de vrouw sterk kon uiteenlopen. Dit is op zijn beurt een bewijs dat er op dit terrein geen voorbeschiktheid bestond, dat elke specifieke cultuur bepalend was voor de verschillen.

Vorming van het koppel, de opvoeding van kinderen en het ontstaan van het vaderschap

Men kende een sociaal vaderschap maar men wist niet dat seks tot de geboorte van kinderen leidt. Bij de Australische Arunta (maar ook bij alle andere Australische stammen) kende men het verband niet tussen seksuele betrekkingen en geboortes. Men dacht dat elke zwangerschap het gevolg was van een intrede van de ziel van een voorouder in de vrouw. Die was in het lichaam van de vrouw binnengegaan en had er nieuw leven ingebracht. Onderzoekers denken dat bij de mens koppels ontstonden omdat dit voordelig en/of noodzakelijk was voor de opvoeding van de kinderen en dit op zijn beurt voor het succes van de soort.

Mensenkinderen krijgen na hun tijd als zuigeling nog lange tijd voedsel van hun ouders. Chimpanseekinderen verzamelen na hun zoogtijd snel zelf hun eten.

Leren spreken is een langdurig proces dat meer is dan het voortbrengen van gecontroleerde klanken. Het is ook het aanleren van een hele reeks technische en sociale vaardigheden. Tot aan het schrift werd de verzamelde menselijke kennis enkel mondeling doorgegeven. Tot voor kort was de meerderheid van de menselijke bevolking analfabeet en bleef mondelinge overlevering de belangrijkste manier van kennisoverdracht.

Bij de mens zijn de meeste vaders en moeders betrokken bij de verzorging van hun nakomelingen. Bij de chimpansees is dat enkel de moeder. Menselijke vaders voorzien hun partner(s) niet alleen van sperma maar ook van hulp bij de opvoeding en vlees voor de partner en de kinderen. Ze hielden zich weliswaar niet intens bezig met baby’s, peuters en kleuters maar naarmate kinderen – zeker de jongens – ouder werden waren de vaders meer bij de opvoeding betrokken.

Het is best mogelijk dat dit afgeven van vlees ooit – bij de mens of zijn voorlopers – begonnen is als een ruil van vlees voor seks, zoals bij chimpansees.

Mensen verzamelen hun voedsel met werktuigen. Kleine kinderen zijn niet in staat dat zelf te doen. Het gebruik en het maken van werktuigen moet aangeleerd worden. Het maken van stenen werktuigen was voornamelijk een mannenzaak die door mannen moest doorgegeven worden. Aan mensenkinderen moet uitgelegd worden hoe voedsel verzameld en beschermd wordt. Langzaam leren ze dat zelf te doen. Dit is een investering die veel groter is dan die van een chimpanseemoeder.

Zelfs leren gaan, leren lopen op twee benen moet mensenkinderen aangeleerd worden.

Jared Diamond over de complexiteit van de kennis die mensenkinderen moeten leren: “(…) wij zijn voor onze voedselvergaring sterk afhankelijk van ons denkvermogen, in veel grotere mate dan andere dieren, omdat wij een veel gevarieerder dieet hebben en veel meer verschillende en complexere technieken gebruiken om ons voedsel te vergaren. De mensen uit Nieuw-Guinea met wie ik samenwerk, gebruiken verschillende namen voor ongeveer duizend verschillende dieren- en plantensoorten in hun directe omgeving. Van elke soort weten zij iets over de verspreiding en levensgeschiedenis, de uiterlijke kenmerken, de eetbaarheid of andere mogelijke toepassingen en hoe de soort het best kan worden gevangen of geoogst. Het duurt jaren voordat iemand al deze kennis verworven heeft.” en ”Menselijke zuigelingen kunnen niet in hun eigen voedsel voorzien omdat ze de nodige mechanische en geestelijke vaardigheden ontberen. Deze vaardigheden moeten ze leren van volwassenen, die ook moeten zorgen voor het voedsel dat ze tijdens het leerproces, dat ongeveer twintig jaar duurt, nodig hebben.” Andere diersoorten als chimpansees en leeuwen hebben ook leerprocessen maar de vaardigheden die mensen moeten aanleren zijn veel groter dan die van chimpansees en leeuwen. De grote hersenen van de mens zijn nodig om al die kennis te beheersen en op te slaan. Jared Diamond besluit: “De ouderlijke last die daaruit voortvloeit, maakt dat de overleving van een kind afhankelijk is van de zorg van zowel de vader als de moeder. Orang-oetanvaders verschaffen hun nakomelingen alleen de noodzakelijke genen; bij gorilla’s, chimpansees en gibbons bieden de vaders bovendien bescherming; maar de menselijke vaders, die jagers-verzamelaars zijn, bieden hun kinderen ook nog wat voedsel en veel kennis. De menselijke gewoonten met betrekking tot het vergaren van voedsel vereisen een sociaal stelsel waarin een man ook na de bevruchting van de vrouw een relatie met haar onderhoudt, zodat hij haar kan helpen bij het grootbrengen van hun kind.” Een zeer belangrijk deel van het leerproces bij jagers en verzamelaars was het aanleren van de gebruiken van de stam. De initiatierites waren niet toevallig het hoogtepunt van de scholing van jongeren en wereldwijd de enige periode waar men van formele scholing zou kunnen spreken.

Jared Diamond stelt vast dat het vandaag nog altijd waar is dat: “De paradox is dat een man en een vrouw die willen dat hun kind (en hun genen) overleeft, lange tijd moeten samenwerken om hun kind groot te brengen, maar ook economisch moeten samenwerken met andere stellen die in hun directe omgeving leven. Het is duidelijk dat regelmatige seksuele contacten tussen man en vrouw hun onderlinge band versterkt, vergeleken met hun banden met andere vrouwen en mannen die zij dagelijks zien, maar met wie zij geen seksueel contact hebben. De verhulde ovulatie en een constante ontvankelijkheid bevorderen de totstandkoming van deze nieuwe functie van seks (nieuw naar de maatstaven van de meeste zoogdieren) als sociale bouwsteen, waardoor seks niet langer alleen maar een middel tot bevruchting is. Deze functie is niet, zoals in de traditionele, mannelijk-seksistische versie van de theorieën 1 en 2, een zoethoudertje dat een kille, berekenende vrouw aan een van seks verstoken man geeft, maar een prikkel voor beide geslachten. Niet alleen zijn alle tekenen van de vrouwelijke ovulatie verdwenen, maar de geslachtsdaad vindt bovendien in de privé-sfeer plaats, ter benadrukking van het onderscheid tussen seksuele en niet-seksuele partners binnen dezelfde besloten groep. Daar kan natuurlijk bij aangetekend worden dat de gibbons wél monogaam blijven, ondanks het feit dat ze niet constant beloond worden met seks, maar dat is gemakkelijk te verklaren: elk gibbonkoppel heeft vrijwel geen sociale contacten met andere gibbonkoppels en is in economisch opzicht volledig zelfstandig.” (Jared Diamond, De derde chimpansee)

Het ontstaan van het koppel bij de mens is een gevolg van de arbeidsverdeling tussen mannen en vrouwen. Mannen jaagden, maakten stenen werktuigen, zorgden voor vlees, en beschermden de groep. Vrouwen kookten en zorgden voor kinderen maar mannen speelden nu ook een rol in de opvoeding, zeker als de kinderen ouder werden en in het bijzonder bij de jongens. Voedsel verzamelen deden ze allebei maar voornamelijk de vrouwen. Het is opmerkelijk dat bij veel jagers & verzamelaars seksueel rijpe jongeren een periode van seksuele vrijheid en experimenteren kennen tot aan het huwelijk. Zelfs bij de streng religieuze Amish in de VSA is dit aanvaard. Ook dit wijst er op dat het (latere) leven in koppels bij de mens een praktische reden had: de opvoeding van de kinderen. Leven in koppels hield in het kader van het groepshuwelijk  geen seksuele exclusiviteit in maar de evolutie ging waarschijnlijk in die richting.

Dr. Marc Vermeersch   –   marc.vermeersch@gmail.com

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

De onderdrukking van de vrouw in historisch perspectief (3) Verschillen tussen man en vrouw

De verschillen tussen man en vrouw worden in de hierna volgende tekst goed weergegeven. “Het begint bij de geboorte. De mannelijke baby is gemiddeld zwaarder en langer dan de vrouwelijke baby en hij heeft ook een snellere stofwisseling, wat tijdens de rest van zijn leven zo blijft. Dit kenmerk maakt hem geschikt voor een inspannende, actieve leefwijze. Pasgeboren jongetjes zijn beweeglijker, alsof ze liggen te trappelen om te beginnen met hun zware lichamelijke arbeid. Ook zien ze scherper, een herinnering aan de tijd dat ze, als volwassen jagers, de omgeving moesten inspecteren op sporen van prooidieren.

Mannelijke peuters zijn ook meer geïnteresseerd in het hanteren van gebruiksvoorwerpen en hebben eerder de neiging om op hun speelgoed te slaan, terwijl vrouwelijke peuters wat minder uitbundig zijn in hun spel. Mannelijke peuters zijn ook meer geïnteresseerd in rennen, springen, duwen en trekken; vrouwelijke peuters zitten meestal op de grond en spelen met de voorwerpen die voor hen liggen. Jongetjes zijn nieuwsgieriger naar nieuw speelgoed dat hun wordt aangeboden.

Deze verschillen doen zich voor, lang voordat er sprake kan zijn van invloed van de ouders op het ‘rolpatroon’ van de seksen. Ze zijn duidelijk aangeboren en sturen de jongetjes en meisjes ieder een iets andere richting op. Die richting zullen ze de rest van hun leven blijven volgen. De machtsspelletjes van mannelijke peuters zijn een duidelijke voorbode van hun latere fysieke machtsvertoon. En hun grotere belangstelling voor nieuwe voorwerpen – een belangstelling die gevaarlijk kan zijn – is een voorbode van de grotere risico’s die ze nemen als volwassen man. Al deze kenmerken ondersteunen het idee dat er bij onze soort een sterke verdeling van taken bestaat tussen de seksen.

Het volwassen lichaam van de man is gemiddeld zo’n 30 procent sterker dan dat van de vrouw, met spierweefsel dat bijna twee keer zo zwaar is. (De gemiddelde man heeft 26 kg spieren, de vrouw 15 kg). Een doorsneevrouw kan maar de helft van haar gewicht dragen, terwijl een doorsneeman twee keer zijn gewicht aankan. Ter ondersteuning van deze spierkracht heeft de man ook grotere botten, een groter hart en grotere longen, en heeft hij meer hemoglobine in het bloed. De hand van de vrouw heeft maar tweederde van de kracht van de mannelijke hand. Het volwassen mannelijke lichaam is ook iets langer dan dat van de vrouw. Het grotere skelet geeft de versterkte spierkracht een krachtiger basis. Gemiddeld is de man 10 procent zwaarder en 7 procent langer dan de vrouw.

Meisjes zijn minder kwetsbaar voor ziekte dan jongetjes. Dit voordeel blijven ze de rest van hun leven houden. Al zijn vrouwen dus niet zo sterk als mannen in spierkracht, ze zijn sterker in medische zin. Niet alleen hebben ze minder kwalen en overkomen hun minder ongelukken, er is ook minder kans dat ze bij de geboorte dood of misvormd zijn. Ze hebben minder kans op kleurenblindheid het verschil is enorm groot: mannen hebben 75 keer meer kans dat ze kleurenblind zijn. Vrouwen hebben ook minder kans op zware depressies, en plegen daardoor minder vaak zelfmoord.

Wat de zintuigen betreft: vrouwelijke peuters hebben een beter gehoor, een beter tastvermogen en een betere reuk. Ook dat voordeel blijven ze in de loop van hun leven houden. Als kind is ze voorzichtiger en meer gericht op fijne handvaardigheid. Meisjes zijn vloeiender in hun taalgebruik, terwijl jongens origineler zijn. Al deze onderzoeksresultaten wijzen op een diepgeworteld verschil in persoonlijkheid bij onze soort, wat weer wijst op een diepgewortelde taakverdeling in ons evolutionaire verleden.

De mannelijke baardgroei heeft uitsluitend een signaalfunctie. Daardoor is het mogelijk de sekse van een individu ook van grote afstand te bepalen. Dat mannelijke kinderen geen baardgroei hebben, is een bevestiging van het idee dat dit aanhangsel vooral dient als seksueel signaal. Na de puberteit groeit een baard die niet wordt geschoren met een snelheid van ongeveer 15 cm per jaar. Dat betekent dat hij na drie, vier jaar tot aan de navel zou reiken. In de oertijd moet dit een indrukwekkend gezicht zijn geweest; de mannelijke mens kon zich wat betreft het dramatische visuele effect meten met de mannetjesleeuw met zijn lange manen. Er is geen enkel ander biologisch kenmerk dat het uiterlijk van de man zoveel anders maakt dan dat van de vrouw.

De borsten van de vrouw vormen ook een belangrijk seksueel signaal. Vroeger werd ten onrechte beweerd dat ze alleen dienen voor de productie van melk, en dat de belangstelling die de man ervoor heeft van infantiele aard is. Dat is niet juist, want niet meer dan een derde van het borstweefsel heeft iets van doen met de melkproductie. Tweederde bestaat uit vetweefsel, waaraan ze hun vorm danken, maar dat niets van doen heeft met de melkproductie. En het is de ronde vorm die belangrijk is als seksueel signaal. Dat is bij de volwassen vrouw van het menselijke ras niet het geval. Haar borst blijft rond zolang ze in de seksueel actieve periode zit, van de puberteit tot de middelbare leeftijd.

De man heeft een diepere stem, de vrouw een hogere stem (groter verschil dan bij mensapen maar wij kunnen ook spreken; in Japan is dit gecultiveerd, vrouwen spreken er met hogere stemmen en zelfs een andere taal.”

Voor wat betreft de intelligentie zijn de verschillen tussen mannen en vrouwen verbazingwekkend klein. “Hoe groot zijn nu eigenlijk die sekseverschillen met betrekking tot ruimtelijk inzicht? Voor de omvang van een sekseverschil hanteren de onderzoekers gewoonlijk een grootheid die ze de effectomvang, of d noemen. Voor degenen die met statistiek vertrouw zijn, vertel ik dat d wordt gedefinieerd als de gemiddelde mannelijke score min de gemiddelde vrouwelijke score, gedeeld door de standaardafwijking. Voor degenen die niet met statistiek vertrouwd zijn en die dàt ook niet willen worden, is het eenvoudiger d te beschouwen als een getal dat uitdrukt hoe groot een sekseverschil is. Als d gelijk is aan nul, bestaat er geen sekseverschil, als d circa 0,2 is wordt het verschil gewoonlijk als gering beschouwd, terwijl 0,5 een middelmatig en alles boven 0,8 een groot verschil vormt.

De grootste effectomvang zien we bij lichamelijke kenmerken zoals lengte of kracht, waarbij de mannen ver boven het vrouwelijke gemiddelde uitsteken. Bij de lengte is d gelijk aan 2,0 en de gemiddelde effectomvang van de afstand waarover zeventienjarige jongens en meisjes een bal kunnen werpen, is bij benadering 3,0. Als een effectomvang zo groot is, betekent dit dat de geslachten elkaar maar weinig overlappen. Als je bijvoorbeeld een groep van vijftig mannen en vijftig vrouwen neemt, en hen opsplitst in vijftig langen en vijftig korten, bestaat de lange helft gemiddeld uit vijfenveertig mannen en maar vijf vrouwen. Een kleine effectomvang brengt echter veel overlapping met zich mee. Zo bedraagt de effectomvang bij het schrijven van essays ongeveer 0,09. Als je dezelfde groep van honderd mannen en vrouwen op splitst in de vijftig beste en de vijftig slechtste schrijvers, mag je verwachten dat de vijftig besten uit zesentwintig vrouwen en vierentwintig mannen bestaan.

De defectomvang voor geestelijke en psychologische eigenschappen is in het algemeen veel kleiner dan die voor lichamelijke kenmerken. Het sekseverschil dat Hines aantrof bij het bedenken van synoniemen, was een van de grootste gepubliceerde cognitieve sekseverschillen, maar de effectomvang was slechts 1,2 – minder dan de helft van die voor lengte. Om die reden voeren sommige mensen aan dat de sekseverschillen op het gebied van geestelijke vermogens in werkelijkheid zeer onbeduidend zijn. Maar vanuit een ander gezichtspunt beschouwd lijken ze echter helemaal niet zo onbeduidend.

Bij het onderzoek van Hines komt de effectomvang van 1,2 erop neer dat 73 procent van de vrouwen, en slechts 27 procent van de mannen een resultaat bij de test behaalde dat boven het gemiddelde lag, en in een groep van vijftig mannen en vijftig vrouwen zouden de eerste tien uit negen vrouwen en maar één man bestaan. Als de resultaten van de test mee zouden tellen voor een examen, kun je er zeker van zijn dat de mannelijke studenten die eraan deelnamen, zouden vinden dat er sprake was van een groot en oneerlijk – sekseverschil.

Andere verbale vermogens met een sekseverschil, zoals vloeiend woordgebruik of anagrammen, hebben doorgaans een geringe effectomvang van (ongeveer 0,2 – groot genoeg om ze te kunnen meten, maar te klein om in de praktijk gevolgen te hebben).

Bij het ruimtelijk inzicht ligt de zaak echter anders. De omvang van het sekseverschil is hierbij zo groot dat men het niet kan negeren. Bij mentale rotatietests behalen mannen consequent een beter resultaat dan vrouwen, en een effectomvang van d = 0,8 is kenmerkend. Bij onze denkbeeldige groep van honderd mensen zullen de vijftig besten drieëndertig mannen en zeventien vrouwen omvatten. En de top-tien bestaat uit acht mannen en twee vrouwen. Anders gezegd, het sekseverschil op het gebied van mentaal roteren heeft ongeveer dezelfde omvang als het verschil in intelligentiequotiënt (IQ) tussen doorsnee-eerstejaarsstudenten en mensen die gepromoveerd zijn, of als het verschil in lengte tussen dertien- en achttienjarige meisjes. Bij andere tests met betrekking tot ruimtelijk inzicht, naast mentaal roteren, loopt de effectomvang uiteen van een zeer geringe 0,2 of 0,3 tot 1,0, alle in het voordeel van de mannen.

Als u zich weleens heeft afgevraagd waarom bijna alle tieners die zich in een speelhal over de automaten met videospelletjes buigen jongens zijn, kan het antwoord misschien liggen in een bijzonder soort ruimtelijk gen. Dynamisch ruimtelijk inzicht is de kunst om naar een bewegend voorwerp te kijken en zijn baan te voorspellen. Een snelle bal raken bij honkbal, kleiduiven schieten of een rugbybal overspelen naar een rennende ploeggenoot, vergen allemaal dynamisch ruimtelijk inzicht. Meer dan tien jaar geleden publiceerde een onderzoeker een grote mannelijke voorsprong bij een primitief soort videotennisspelletje. De mannelijke en vrouwelijke proefpersonen presteerden aan het begin van het experiment even slecht, maar in de loop van vijf dagen oefenen verbeterden de prestaties van de mannen snel, hoewel de vrouwen veel trouwer kwamen opdagen en er evenveel belang in stelden om een goed resultaat te behalen. Wat korter geleden ontwierp Douglas Jackson aan de Universiteit van West-Ontario een computerspel waarbij de speler op voorwerpen die over het beeldscherm bewegen, moet schieten door op bepaalde toetsen van het computertoetsenbord te drukken. Volgens Jackson is het sekseverschil in dit geval nog groter dan dat voor mentaal roteren, en lijkt het niet het gevolg te zijn van het feit dat mannen vaker videospelletjes spelen. Toen de proefpersonen met het spel kennis maakten, was er nog maar een klein verschil in score. Net als bij het vorige experiment werd het sekseverschil groter naarmate de mensen langer met het spel omgingen. Als de mannelijke voorsprong het gevolg was van vroegere ervaring, zou het sekseverschil kleiner moeten worden naarmate de vrouwen meer oefenden. Gezien deze resultaten, zegt Jackson, moet de verklaring voor het feit dat de meeste verslaafden aan videospelletjes jongens zijn, worden gezocht in de oude wijsheid dat mensen graag doen waar ze goed in zijn: mannen putten meer dan vrouwen plezier uit spelletjes die een-beroep doen op hun dynamisch ruimtelijk inzicht.

Niet alleen bij videospelletjes vertonen mannen een voorsprong bij het mikken op een bewegend doel. Ook bij het schieten op bewegende doelen zoals kleiduivenschieten, behalen mannen consequent meer punten dan vrouwen. Niet omdat mannen beter met een buks overweg kunnen, want beide geslachten presteren even goed bij het schieten met een buks van klein kaliber op een vaste schietschijf. Bij de wedstrijden buksschieten van zowel de National Collegia, als de Athletic Association, als die van de National Rifle Association (NRA) treden mannen en vrouwen op gelijke grondslag aan in een open competitie, en in 1993 werd het nationale kampioenschap buks schieten van de NRA door een vrouw gewonnen. Maar er treedt een sekseverschil op zodra het doel beweegt, en bij het kleiduivenschieten, waarbij het doel in een onvoorspelbare baan komt aangevlogen, bestaat de top hoofdzakelijk uit mannen.

De mannelijke voorsprong op het gebied van ruimtelijk inzicht heeft vermoedelijk grotere gevolgen dan de meeste andere sekseverschillen, omdat het een van de grootste verschillen is en omdat ruimtelijk inzicht bij veel beroepen van wezenlijk belang is – niet alleen voor rugbyspelers en kleiduivenschutters. Uit onderzoek is bijvoorbeeld gebleken dat middelbare scholieren met een groot ruimtelijk inzicht de besten waren in meetkunde,  technisch tekenen en handenarbeid, en bij de laatste twee vakken is ruimtelijk inzicht belangrijker dan IQ. De vaardigheden die bij het onderwijs in deze vakken worden verworven, zijn belangrijk voor natuurwetenschap, bouwkunde, technisch tekenen en ontwerpen, en uit onderzoek blijkt dat een groot ruimtelijk inzicht vaak gekoppeld is aan het slagen in uiteenlopende beroepen, van automonteur tot architect of horlogemaker.

Het sekseverschil op het gebied van ruimtelijk inzicht kan ook van invloed zijn op de wiskunde, waarbij mannen een middelmatige voorsprong hebben, groter dan het sekseverschil voor verbale vaardigheid, maar kleiner dan het verschil voor ruimtelijk inzicht. (De voorsprong neemt toe bij de slimste leerlingen, zoals Camilla Benbow heeft aangetoond.) Aangezien bij veel onderdelen van de wiskunde – in het bijzonder bij meetkunde, trigonometrie en differentiaalrekening – een goed begrip in hoge mate afhangt van ruimtelijk inzicht, veronderstellen enkele onderzoekers dat het sekseverschil bij wiskunde voor het grootste deel het gevolg kan zijn van het feit dat mannen over een beter ruimtelijk inzicht beschikken. Als dat zo is, moet ruimtelijk inzicht van belang zijn bij alle beroepen waarin wiskunde een grote rol speelt en dat is het geval bij de meeste takken van wetenschap.

Het kan toeval zijn, maar toen ik materiaal voor dit boek verzamelde, viel me op dat veel vrouwelijke psychologen die zich met sekseverschillen bezighouden, een wiskundige achtergrond hebben. Ze hebben ofwel aanvankelijk wiskunde gestudeerd, ofwel wiskunde als bijvak gekozen, en in ieder geval beweerden ze dat ze wiskunde leuk vonden en waren ze er goed in op school. Het hoeft verder niets te betekenen, maar het toont wel aan dat maar weinig mensen, mannen of vrouwen, in bèta- of gamma vakken kunnen slagen zonder in de wiskunde thuis te zijn.

Behalve verbale, ruimtelijke en wiskundige vaardigheid vertonen diverse andere denkfuncties sekseverschillen, die gewoonlijk in het voordeel van de vrouwen uitvallen. Vrouwen kunnen in het algemeen sneller details in tekeningen of letter- of cijferreeksen herkennen, een vaardigheid die we ‘perceptiesnelheid’ noemen. Een manier om de perceptiesnelheid te meten is de getallenvergelijkingstest. Daarbij moet de proefpersoon getallenparen met elkaar vergelijken – zoals bijvoorbeeld 20405545 en 20405455 – en zo snel mogelijk bepalen of de cijfers in beide getallen gelijk zijn. Bij een andere test wordt aan de proefpersoon een eenvoudige lijntekening getoond en moet hij snel uit vijf ongeveer gelijke plaatjes de identieke afbeelding zoeken.

Vrouwen hebben ook een beter geheugen dan mannen, althans voor bepaalde zaken. Diane McGuinness en haar collega’s Amy Olson en Julia Chapman hebben een kenmerkend onderzoek uitgevoerd. Ze toetsten en een kleiner percentage mannen dan vrouwen had een IQ tussen de 95 en 105, maar een groter percentage mannen in de twee uiterste gebieden onder de 70 en boven de 130, bijvoorbeeld. Anders gezegd, hoewel mannen en vrouwen gemiddeld dezelfde intelligentie hebben, moeten er meer zeer slimme, maar ook meer uiterst domme mannen dan vrouwen zijn. Het verschil in variabiliteit is niet groot. Statistisch gesproken is de standaardafwijking ongeveer één IQ-punt hoger bij mannen dan bij vrouwen. In een klas met normale kinderen zal het niet opvallen, maar zelfs een klein sekseverschil in variabiliteit moet, als het bestaat, merkbaar zijn in de uiterste gebieden. Een zo’n gering verschil als één IQ-punt in de standaard­afwijking zal ervoor zorgen dat bijna tweemaal zoveel mannen als vrouwen een IQ onder de 55 hebben – en bijna tweemaal zoveel een IQ boven de 145.

Om die reden is het een hachelijk onderwerp. Als het waar is dat mannen variabeler zijn, zullen er onvermijdelijk meer mannelijke dan vrouwelijke genieën zijn en die mogelijkheid is voor veel mensen nogal onthutsend. En het feit dat er ook meer mannen zullen zijn die geestelijk onvolwaardig zijn, lijkt het evenwicht niet te herstellen. Een aantal wetenschappers heeft de bewering dat er sprake is van een grotere mannelijke variabiliteit in twijfel getrokken, maar alle gegevens lijken toch in die richting te wijzen. Maar weinig mensen twijfelen er bijvoorbeeld aan dat er meer mannen dan vrouwen met een geestelijke achterstand zijn, en het grotere aantal jongens dat extra hulp nodig heeft om te leren lezen, kan gedeeltelijk het gevolg zijn van een grotere variabiliteit in het leesvermogen onder mannen. Camilla Benbow heeft ontdekt dat bij wiskundig vroegrijpe kinderen de jongens variabeler presteren dan meisjes bij het wiskundegedeelte van de SAT. Benbow merkt ook op dat jongens bij spellingtoetsen veel variabeler zijn dan meisjes. Dit heeft tot gevolg dat ofschoon meisjes gemiddeld veel beter spellen dan jongens (de gemiddelde jongen is slechter dan 70 procent van de meisjes), de beste groep bij het spellen uit een gelijk aantal jongens als meisjes bestaat. En in een grootschalig onderzoek bestudeerden David Lubinski van de lowa State-universiteit en René Dawis van de Universiteit van Minnesota de gestandaardiseerde testresultaten van 360.000 middelbare scholieren. Ze berekenden dat jongens variabeler op alle gebieden zijn: verbale, wiskundige, ruimtelijke en algemene intelligentie. (De mannelijke standaardafwijking was meer dan één IQ-punt groter.)

Samenvattend kunnen we zeggen dat er geen eenvoudige manier bestaat om mannen en vrouwen met elkaar te vergelijken. Ze variëren wat uiteenlopende lichamelijke, psychologische en geestelijke eigenschappen betreft, waarvan sommige overeenkomen met de bestaande vooroordelen, en andere ons verbazen.

Als we naar deze verschillen kijken, mogen we twee belangrijke dingen niet uit het oog verliezen. In de eerste plaats zijn mannen en vrouwen op de meeste gebieden veel meer gelijk dan dat ze verschillen. Zo is het mogelijk om bij het wiskundegedeelte statistische verschillen tussen de geslachten te vinden, maar als je een willekeurige stapel antwoorden neemt, de namen bedekt en vervolgens iemand vraagt een mannelijk en een vrouwelijk stapeltje te maken, is dat ronduit onmogelijk. Door al te veel naar de verschillen te kijken zouden we haast vergeten hoe groot de overeenkomsten zijn.

In de tweede plaats betekent het bestaan van verschillen niet dat een van beide geslachten beter zou zijn dan het andere. Carol Gilligan voert in haar boek In a Different Voice aan dat de morele codes van jongens en meisjes die respectievelijk gebaseerd zijn op egoïstische en op altruïstische overwegingen – elkaar aanvullen en dat de morele code van de volwassen mens wordt gevormd door een integratie en vereniging van de twee onvolwassen uitersten. Anders gezegd – je hebt ze alle twee nodig. In ‘Je begrijpt me gewoon niet’ komt Deborah Tannen tot de conclusie dat hoewel mannen en vrouwen zich op verschillende manieren uitdrukken, elk van beide ‘op zich geldig is’ en geen van beide beschouwd kan worden als de ‘correcte’ wijze van communicatie.

Diane McGuinness formuleert het bijzonder goed als ze cognitieve verschillen behandelt: ‘De geslachten verschillen niet qua intelligentie, maar alleen wat de ‘gereedschappen’ betreft die ze gebruiken om problemen op te lossen en wat het soort problemen betreft dat ze willen oplossen.’ Figuurlijk gesproken kunnen mannen en vrouwen verschillende voorwerpen in hun gereedschapskist meedragen, maar de gereedschapskisten zijn even groot.” [1]

Mannen zijn ongeveer 10% groter dan vrouwen, 10% sneller als ze lopen, ze wegen 20% meer en zijn 30% sterker.

[1] Robert Pool, Eva’s rib, een fascinerende kijk op sekseverschillen, De Boekerij, Amsterdam, 1995, p.75-81.

Verschillen tussen man en vrouw

De verschillen tussen man en vrouw worden in de hierna volgende tekst goed weergegeven. “Het begint bij de geboorte. De mannelijke baby is gemiddeld zwaarder en langer dan de vrouwelijke baby en hij heeft ook een snellere stofwisseling, wat tijdens de rest van zijn leven zo blijft. Dit kenmerk maakt hem geschikt voor een inspannende, actieve leefwijze. Pasgeboren jongetjes zijn beweeglijker, alsof ze liggen te trappelen om te beginnen met hun zware lichamelijke arbeid. Ook zien ze scherper, een herinnering aan de tijd dat ze, als volwassen jagers, de omgeving moesten inspecteren op sporen van prooidieren.

Mannelijke peuters zijn ook meer geïnteresseerd in het hanteren van gebruiksvoorwerpen en hebben eerder de neiging om op hun speelgoed te slaan, terwijl vrouwelijke peuters wat minder uitbundig zijn in hun spel. Mannelijke peuters zijn ook meer geïnteresseerd in rennen, springen, duwen en trekken; vrouwelijke peuters zitten meestal op de grond en spelen met de voorwerpen die voor hen liggen. Jongetjes zijn nieuwsgieriger naar nieuw speelgoed dat hun wordt aangeboden.

Deze verschillen doen zich voor, lang voordat er sprake kan zijn van invloed van de ouders op het ‘rolpatroon’ van de seksen. Ze zijn duidelijk aangeboren en sturen de jongetjes en meisjes ieder een iets andere richting op. Die richting zullen ze de rest van hun leven blijven volgen. De machtsspelletjes van mannelijke peuters zijn een duidelijke voorbode van hun latere fysieke machtsvertoon. En hun grotere belangstelling voor nieuwe voorwerpen – een belangstelling die gevaarlijk kan zijn – is een voorbode van de grotere risico’s die ze nemen als volwassen man. Al deze kenmerken ondersteunen het idee dat er bij onze soort een sterke verdeling van taken bestaat tussen de seksen.

Het volwassen lichaam van de man is gemiddeld zo’n 30 procent sterker dan dat van de vrouw, met spierweefsel dat bijna twee keer zo zwaar is. (De gemiddelde man heeft 26 kg spieren, de vrouw 15 kg). Een doorsneevrouw kan maar de helft van haar gewicht dragen, terwijl een doorsneeman twee keer zijn gewicht aankan. Ter ondersteuning van deze spierkracht heeft de man ook grotere botten, een groter hart en grotere longen, en heeft hij meer hemoglobine in het bloed. De hand van de vrouw heeft maar tweederde van de kracht van de mannelijke hand. Het volwassen mannelijke lichaam is ook iets langer dan dat van de vrouw. Het grotere skelet geeft de versterkte spierkracht een krachtiger basis. Gemiddeld is de man 10 procent zwaarder en 7 procent langer dan de vrouw.

Meisjes zijn minder kwetsbaar voor ziekte dan jongetjes. Dit voordeel blijven ze de rest van hun leven houden. Al zijn vrouwen dus niet zo sterk als mannen in spierkracht, ze zijn sterker in medische zin. Niet alleen hebben ze minder kwalen en overkomen hun minder ongelukken, er is ook minder kans dat ze bij de geboorte dood of misvormd zijn. Ze hebben minder kans op kleurenblindheid het verschil is enorm groot: mannen hebben 75 keer meer kans dat ze kleurenblind zijn. Vrouwen hebben ook minder kans op zware depressies, en plegen daardoor minder vaak zelfmoord.

Wat de zintuigen betreft: vrouwelijke peuters hebben een beter gehoor, een beter tastvermogen en een betere reuk. Ook dat voordeel blijven ze in de loop van hun leven houden. Als kind is ze voorzichtiger en meer gericht op fijne handvaardigheid. Meisjes zijn vloeiender in hun taalgebruik, terwijl jongens origineler zijn. Al deze onderzoeksresultaten wijzen op een diepgeworteld verschil in persoonlijkheid bij onze soort, wat weer wijst op een diepgewortelde taakverdeling in ons evolutionaire verleden.

De mannelijke baardgroei heeft uitsluitend een signaalfunctie. Daardoor is het mogelijk de sekse van een individu ook van grote afstand te bepalen. Dat mannelijke kinderen geen baardgroei hebben, is een bevestiging van het idee dat dit aanhangsel vooral dient als seksueel signaal. Na de puberteit groeit een baard die niet wordt geschoren met een snelheid van ongeveer 15 cm per jaar. Dat betekent dat hij na drie, vier jaar tot aan de navel zou reiken. In de oertijd moet dit een indrukwekkend gezicht zijn geweest; de mannelijke mens kon zich wat betreft het dramatische visuele effect meten met de mannetjesleeuw met zijn lange manen. Er is geen enkel ander biologisch kenmerk dat het uiterlijk van de man zoveel anders maakt dan dat van de vrouw.

De borsten van de vrouw vormen ook een belangrijk seksueel signaal. Vroeger werd ten onrechte beweerd dat ze alleen dienen voor de productie van melk, en dat de belangstelling die de man ervoor heeft van infantiele aard is. Dat is niet juist, want niet meer dan een derde van het borstweefsel heeft iets van doen met de melkproductie. Tweederde bestaat uit vetweefsel, waaraan ze hun vorm danken, maar dat niets van doen heeft met de melkproductie. En het is de ronde vorm die belangrijk is als seksueel signaal. Dat is bij de volwassen vrouw van het menselijke ras niet het geval. Haar borst blijft rond zolang ze in de seksueel actieve periode zit, van de puberteit tot de middelbare leeftijd.

De man heeft een diepere stem, de vrouw een hogere stem (groter verschil dan bij mensapen maar wij kunnen ook spreken; in Japan is dit gecultiveerd, vrouwen spreken er met hogere stemmen en zelfs een andere taal.”

Voor wat betreft de intelligentie zijn de verschillen tussen mannen en vrouwen verbazingwekkend klein. “Hoe groot zijn nu eigenlijk die sekseverschillen met betrekking tot ruimtelijk inzicht? Voor de omvang van een sekseverschil hanteren de onderzoekers gewoonlijk een grootheid die ze de effectomvang, of d noemen. Voor degenen die met statistiek vertrouw zijn, vertel ik dat d wordt gedefinieerd als de gemiddelde mannelijke score min de gemiddelde vrouwelijke score, gedeeld door de standaardafwijking. Voor degenen die niet met statistiek vertrouwd zijn en die dàt ook niet willen worden, is het eenvoudiger d te beschouwen als een getal dat uitdrukt hoe groot een sekseverschil is. Als d gelijk is aan nul, bestaat er geen sekseverschil, als d circa 0,2 is wordt het verschil gewoonlijk als gering beschouwd, terwijl 0,5 een middelmatig en alles boven 0,8 een groot verschil vormt.

De grootste effectomvang zien we bij lichamelijke kenmerken zoals lengte of kracht, waarbij de mannen ver boven het vrouwelijke gemiddelde uitsteken. Bij de lengte is d gelijk aan 2,0 en de gemiddelde effectomvang van de afstand waarover zeventienjarige jongens en meisjes een bal kunnen werpen, is bij benadering 3,0. Als een effectomvang zo groot is, betekent dit dat de geslachten elkaar maar weinig overlappen. Als je bijvoorbeeld een groep van vijftig mannen en vijftig vrouwen neemt, en hen opsplitst in vijftig langen en vijftig korten, bestaat de lange helft gemiddeld uit vijfenveertig mannen en maar vijf vrouwen. Een kleine effectomvang brengt echter veel overlapping met zich mee. Zo bedraagt de effectomvang bij het schrijven van essays ongeveer 0,09. Als je dezelfde groep van honderd mannen en vrouwen op splitst in de vijftig beste en de vijftig slechtste schrijvers, mag je verwachten dat de vijftig besten uit zesentwintig vrouwen en vierentwintig mannen bestaan.

De defectomvang voor geestelijke en psychologische eigenschappen is in het algemeen veel kleiner dan die voor lichamelijke kenmerken. Het sekseverschil dat Hines aantrof bij het bedenken van synoniemen, was een van de grootste gepubliceerde cognitieve sekseverschillen, maar de effectomvang was slechts 1,2 – minder dan de helft van die voor lengte. Om die reden voeren sommige mensen aan dat de sekseverschillen op het gebied van geestelijke vermogens in werkelijkheid zeer onbeduidend zijn. Maar vanuit een ander gezichtspunt beschouwd lijken ze echter helemaal niet zo onbeduidend.

Bij het onderzoek van Hines komt de effectomvang van 1,2 erop neer dat 73 procent van de vrouwen, en slechts 27 procent van de mannen een resultaat bij de test behaalde dat boven het gemiddelde lag, en in een groep van vijftig mannen en vijftig vrouwen zouden de eerste tien uit negen vrouwen en maar één man bestaan. Als de resultaten van de test mee zouden tellen voor een examen, kun je er zeker van zijn dat de mannelijke studenten die eraan deelnamen, zouden vinden dat er sprake was van een groot en oneerlijk – sekseverschil.

Andere verbale vermogens met een sekseverschil, zoals vloeiend woordgebruik of anagrammen, hebben doorgaans een geringe effectomvang van (ongeveer 0,2 – groot genoeg om ze te kunnen meten, maar te klein om in de praktijk gevolgen te hebben).

Bij het ruimtelijk inzicht ligt de zaak echter anders. De omvang van het sekseverschil is hierbij zo groot dat men het niet kan negeren. Bij mentale rotatietests behalen mannen consequent een beter resultaat dan vrouwen, en een effectomvang van d = 0,8 is kenmerkend. Bij onze denkbeeldige groep van honderd mensen zullen de vijftig besten drieëndertig mannen en zeventien vrouwen omvatten. En de top-tien bestaat uit acht mannen en twee vrouwen. Anders gezegd, het sekseverschil op het gebied van mentaal roteren heeft ongeveer dezelfde omvang als het verschil in intelligentiequotiënt (IQ) tussen doorsnee-eerstejaarsstudenten en mensen die gepromoveerd zijn, of als het verschil in lengte tussen dertien- en achttienjarige meisjes. Bij andere tests met betrekking tot ruimtelijk inzicht, naast mentaal roteren, loopt de effectomvang uiteen van een zeer geringe 0,2 of 0,3 tot 1,0, alle in het voordeel van de mannen.

Als u zich weleens heeft afgevraagd waarom bijna alle tieners die zich in een speelhal over de automaten met videospelletjes buigen jongens zijn, kan het antwoord misschien liggen in een bijzonder soort ruimtelijk gen. Dynamisch ruimtelijk inzicht is de kunst om naar een bewegend voorwerp te kijken en zijn baan te voorspellen. Een snelle bal raken bij honkbal, kleiduiven schieten of een rugbybal overspelen naar een rennende ploeggenoot, vergen allemaal dynamisch ruimtelijk inzicht. Meer dan tien jaar geleden publiceerde een onderzoeker een grote mannelijke voorsprong bij een primitief soort videotennisspelletje. De mannelijke en vrouwelijke proefpersonen presteerden aan het begin van het experiment even slecht, maar in de loop van vijf dagen oefenen verbeterden de prestaties van de mannen snel, hoewel de vrouwen veel trouwer kwamen opdagen en er evenveel belang in stelden om een goed resultaat te behalen. Wat korter geleden ontwierp Douglas Jackson aan de Universiteit van West-Ontario een computerspel waarbij de speler op voorwerpen die over het beeldscherm bewegen, moet schieten door op bepaalde toetsen van het computertoetsenbord te drukken. Volgens Jackson is het sekseverschil in dit geval nog groter dan dat voor mentaal roteren, en lijkt het niet het gevolg te zijn van het feit dat mannen vaker videospelletjes spelen. Toen de proefpersonen met het spel kennis maakten, was er nog maar een klein verschil in score. Net als bij het vorige experiment werd het sekseverschil groter naarmate de mensen langer met het spel omgingen. Als de mannelijke voorsprong het gevolg was van vroegere ervaring, zou het sekseverschil kleiner moeten worden naarmate de vrouwen meer oefenden. Gezien deze resultaten, zegt Jackson, moet de verklaring voor het feit dat de meeste verslaafden aan videospelletjes jongens zijn, worden gezocht in de oude wijsheid dat mensen graag doen waar ze goed in zijn: mannen putten meer dan vrouwen plezier uit spelletjes die een-beroep doen op hun dynamisch ruimtelijk inzicht.

Niet alleen bij videospelletjes vertonen mannen een voorsprong bij het mikken op een bewegend doel. Ook bij het schieten op bewegende doelen zoals kleiduivenschieten, behalen mannen consequent meer punten dan vrouwen. Niet omdat mannen beter met een buks overweg kunnen, want beide geslachten presteren even goed bij het schieten met een buks van klein kaliber op een vaste schietschijf. Bij de wedstrijden buksschieten van zowel de National Collegia, als de Athletic Association, als die van de National Rifle Association (NRA) treden mannen en vrouwen op gelijke grondslag aan in een open competitie, en in 1993 werd het nationale kampioenschap buks schieten van de NRA door een vrouw gewonnen. Maar er treedt een sekseverschil op zodra het doel beweegt, en bij het kleiduivenschieten, waarbij het doel in een onvoorspelbare baan komt aangevlogen, bestaat de top hoofdzakelijk uit mannen.

De mannelijke voorsprong op het gebied van ruimtelijk inzicht heeft vermoedelijk grotere gevolgen dan de meeste andere sekseverschillen, omdat het een van de grootste verschillen is en omdat ruimtelijk inzicht bij veel beroepen van wezenlijk belang is – niet alleen voor rugbyspelers en kleiduivenschutters. Uit onderzoek is bijvoorbeeld gebleken dat middelbare scholieren met een groot ruimtelijk inzicht de besten waren in meetkunde,  technisch tekenen en handenarbeid, en bij de laatste twee vakken is ruimtelijk inzicht belangrijker dan IQ. De vaardigheden die bij het onderwijs in deze vakken worden verworven, zijn belangrijk voor natuurwetenschap, bouwkunde, technisch tekenen en ontwerpen, en uit onderzoek blijkt dat een groot ruimtelijk inzicht vaak gekoppeld is aan het slagen in uiteenlopende beroepen, van automonteur tot architect of horlogemaker.

Het sekseverschil op het gebied van ruimtelijk inzicht kan ook van invloed zijn op de wiskunde, waarbij mannen een middelmatige voorsprong hebben, groter dan het sekseverschil voor verbale vaardigheid, maar kleiner dan het verschil voor ruimtelijk inzicht. (De voorsprong neemt toe bij de slimste leerlingen, zoals Camilla Benbow heeft aangetoond.) Aangezien bij veel onderdelen van de wiskunde – in het bijzonder bij meetkunde, trigonometrie en differentiaalrekening – een goed begrip in hoge mate afhangt van ruimtelijk inzicht, veronderstellen enkele onderzoekers dat het sekseverschil bij wiskunde voor het grootste deel het gevolg kan zijn van het feit dat mannen over een beter ruimtelijk inzicht beschikken. Als dat zo is, moet ruimtelijk inzicht van belang zijn bij alle beroepen waarin wiskunde een grote rol speelt en dat is het geval bij de meeste takken van wetenschap.

Het kan toeval zijn, maar toen ik materiaal voor dit boek verzamelde, viel me op dat veel vrouwelijke psychologen die zich met sekseverschillen bezighouden, een wiskundige achtergrond hebben. Ze hebben ofwel aanvankelijk wiskunde gestudeerd, ofwel wiskunde als bijvak gekozen, en in ieder geval beweerden ze dat ze wiskunde leuk vonden en waren ze er goed in op school. Het hoeft verder niets te betekenen, maar het toont wel aan dat maar weinig mensen, mannen of vrouwen, in bèta- of gamma vakken kunnen slagen zonder in de wiskunde thuis te zijn.

Behalve verbale, ruimtelijke en wiskundige vaardigheid vertonen diverse andere denkfuncties sekseverschillen, die gewoonlijk in het voordeel van de vrouwen uitvallen. Vrouwen kunnen in het algemeen sneller details in tekeningen of letter- of cijferreeksen herkennen, een vaardigheid die we ‘perceptiesnelheid’ noemen. Een manier om de perceptiesnelheid te meten is de getallenvergelijkingstest. Daarbij moet de proefpersoon getallenparen met elkaar vergelijken – zoals bijvoorbeeld 20405545 en 20405455 – en zo snel mogelijk bepalen of de cijfers in beide getallen gelijk zijn. Bij een andere test wordt aan de proefpersoon een eenvoudige lijntekening getoond en moet hij snel uit vijf ongeveer gelijke plaatjes de identieke afbeelding zoeken.

Vrouwen hebben ook een beter geheugen dan mannen, althans voor bepaalde zaken. Diane McGuinness en haar collega’s Amy Olson en Julia Chapman hebben een kenmerkend onderzoek uitgevoerd. Ze toetsten en een kleiner percentage mannen dan vrouwen had een IQ tussen de 95 en 105, maar een groter percentage mannen in de twee uiterste gebieden onder de 70 en boven de 130, bijvoorbeeld. Anders gezegd, hoewel mannen en vrouwen gemiddeld dezelfde intelligentie hebben, moeten er meer zeer slimme, maar ook meer uiterst domme mannen dan vrouwen zijn. Het verschil in variabiliteit is niet groot. Statistisch gesproken is de standaardafwijking ongeveer één IQ-punt hoger bij mannen dan bij vrouwen. In een klas met normale kinderen zal het niet opvallen, maar zelfs een klein sekseverschil in variabiliteit moet, als het bestaat, merkbaar zijn in de uiterste gebieden. Een zo’n gering verschil als één IQ-punt in de standaard­afwijking zal ervoor zorgen dat bijna tweemaal zoveel mannen als vrouwen een IQ onder de 55 hebben – en bijna tweemaal zoveel een IQ boven de 145.

Om die reden is het een hachelijk onderwerp. Als het waar is dat mannen variabeler zijn, zullen er onvermijdelijk meer mannelijke dan vrouwelijke genieën zijn en die mogelijkheid is voor veel mensen nogal onthutsend. En het feit dat er ook meer mannen zullen zijn die geestelijk onvolwaardig zijn, lijkt het evenwicht niet te herstellen. Een aantal wetenschappers heeft de bewering dat er sprake is van een grotere mannelijke variabiliteit in twijfel getrokken, maar alle gegevens lijken toch in die richting te wijzen. Maar weinig mensen twijfelen er bijvoorbeeld aan dat er meer mannen dan vrouwen met een geestelijke achterstand zijn, en het grotere aantal jongens dat extra hulp nodig heeft om te leren lezen, kan gedeeltelijk het gevolg zijn van een grotere variabiliteit in het leesvermogen onder mannen. Camilla Benbow heeft ontdekt dat bij wiskundig vroegrijpe kinderen de jongens variabeler presteren dan meisjes bij het wiskundegedeelte van de SAT. Benbow merkt ook op dat jongens bij spellingtoetsen veel variabeler zijn dan meisjes. Dit heeft tot gevolg dat ofschoon meisjes gemiddeld veel beter spellen dan jongens (de gemiddelde jongen is slechter dan 70 procent van de meisjes), de beste groep bij het spellen uit een gelijk aantal jongens als meisjes bestaat. En in een grootschalig onderzoek bestudeerden David Lubinski van de lowa State-universiteit en René Dawis van de Universiteit van Minnesota de gestandaardiseerde testresultaten van 360.000 middelbare scholieren. Ze berekenden dat jongens variabeler op alle gebieden zijn: verbale, wiskundige, ruimtelijke en algemene intelligentie. (De mannelijke standaardafwijking was meer dan één IQ-punt groter.)

Samenvattend kunnen we zeggen dat er geen eenvoudige manier bestaat om mannen en vrouwen met elkaar te vergelijken. Ze variëren wat uiteenlopende lichamelijke, psychologische en geestelijke eigenschappen betreft, waarvan sommige overeenkomen met de bestaande vooroordelen, en andere ons verbazen.

Als we naar deze verschillen kijken, mogen we twee belangrijke dingen niet uit het oog verliezen. In de eerste plaats zijn mannen en vrouwen op de meeste gebieden veel meer gelijk dan dat ze verschillen. Zo is het mogelijk om bij het wiskundegedeelte statistische verschillen tussen de geslachten te vinden, maar als je een willekeurige stapel antwoorden neemt, de namen bedekt en vervolgens iemand vraagt een mannelijk en een vrouwelijk stapeltje te maken, is dat ronduit onmogelijk. Door al te veel naar de verschillen te kijken zouden we haast vergeten hoe groot de overeenkomsten zijn.

In de tweede plaats betekent het bestaan van verschillen niet dat een van beide geslachten beter zou zijn dan het andere. Carol Gilligan voert in haar boek In a Different Voice aan dat de morele codes van jongens en meisjes die respectievelijk gebaseerd zijn op egoïstische en op altruïstische overwegingen – elkaar aanvullen en dat de morele code van de volwassen mens wordt gevormd door een integratie en vereniging van de twee onvolwassen uitersten. Anders gezegd – je hebt ze alle twee nodig. In ‘Je begrijpt me gewoon niet’ komt Deborah Tannen tot de conclusie dat hoewel mannen en vrouwen zich op verschillende manieren uitdrukken, elk van beide ‘op zich geldig is’ en geen van beide beschouwd kan worden als de ‘correcte’ wijze van communicatie.

Diane McGuinness formuleert het bijzonder goed als ze cognitieve verschillen behandelt: ‘De geslachten verschillen niet qua intelligentie, maar alleen wat de ‘gereedschappen’ betreft die ze gebruiken om problemen op te lossen en wat het soort problemen betreft dat ze willen oplossen.’ Figuurlijk gesproken kunnen mannen en vrouwen verschillende voorwerpen in hun gereedschapskist meedragen, maar de gereedschapskisten zijn even groot.” [1]

Mannen zijn ongeveer 10% groter dan vrouwen, 10% sneller als ze lopen, ze wegen 20% meer en zijn 30% sterker.

Dr. Marc Vermeersch –  marc.vermeersch@gmail.com

[1] Robert Pool, Eva’s rib, een fascinerende kijk op sekseverschillen, De Boekerij, Amsterdam, 1995, p.75-81.

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen