Cultuur en verandering van genen (2)

Collectieve Intelligentie (2)
Genetische veranderingen, de schouder

Zuidelijk Afrika; Tekening uit de 19de eeuw. Khoi/Hottentotten hebben een dier neergeschoten. Om te jagen zoals de mensen dat kan waren veel genetische aanpassingen noodzakelijk. Eén daarvan was dat de mens gewonde dieren over vele kilometers moest kunnen volgen. Zo was zijn afkoelingssysteem door zweten sterk verschillend van dat van de meest zoogdieren ook roofdieren die over lang afstand kunnen achtervolgen zoal wolven.

De eerste mensen maakten werktuigen en wierpen waarschijnlijk met stenen. Dit onderdeel van hun cultuur leidde tot veranderingen in de hand. De menselijke schouder zou door het werpen van stenen en waarschijnlijk veel later door het werpen van speren ook aanpassingen ondergaan die toelieten beter te werpen.

De speer

Een tak die als stok gebruikt wordt is geen speer. Om effectief te zijn bij de jacht moet een speer een harde punt hebben die door de huid van een dier kan dringen. Dat werd mogelijk toen de mens vuur had leren gebruiken, 1,7 miljoen jaar geleden. Als het uiteinde van een stok in vuur verhard werd kon hij als speer gebruikt worden.[1] De ontwikkeling van de speer maakte jagen veel gemakkelijker. Wij weten niet of speren van in het begin niet enkel als stootwapen maar ook als werpwapen gebruikt werden. Het verschil tussen beide technieken kan groot zijn. Als men een speer als stootwapen gebruikt dan moet men een dier tot op een afstand dat de mens ook moet opletten om niet zelf gekwetst te worden. Runderen, everzwijnen, herten enz. waren in staat om zich te verdedigen.
Dat was uiteraard veel moeilijker als de mens zijn speer kon werpen en een dier verwonden op afstand.
Enkele van de oudste speren werden gevonden in Schöningen.

“Schöningen (D), de oudste speer en veel meer, 400.000 BP

In Schöningen (Nedersaksen, Duitsland) werd in 1994 in bruinkoollagen een speer ontdekt die 78 cm lang en 3 cm in doorsnede mat. Ze had aan beide zijden een spitse punt. In 1995 werden nog eens zeven houten speren gevonden. Deze zijn veel langer, tussen 1,82 m en 2,5 m lang en 3 tot 5 cm in doorsnede. Van de acht speren zijn er zeven (waaronder ook de eerst gevonden speer) van dennenhout gemaakt. Om de speren te maken werden jonge boompjes gekozen. De speerspitsen zijn aan de basis van deze boompjes gemaakt. Het zwaartepunt ligt telkens in het voorste deel van de speer wat erop wijst dat het werpsperen, geen steeksperen waren. Men kon door de talrijke overblijfselen van fauna en flora de ouderdom tamelijk precies schatten op 400.000 jaar. De speerpunten werden gevonden tussen stenen werktuigen en duizenden beenderresten van grote zoogdieren waaronder 19 complete schedels van

Paarden, mammoeten, runderen, herten, beren maar ook klein wild, reptielen, vissen en vogels. Vele botten tonen sporen van bewerking of werden gebroken met stenen werktuigen.

Dit is het eerste onweerlegbare bewijs dat de mens toen al systematisch, met planning,

Op grote zoogdieren jaagde en daartoe toen al over een grote technische kennis

Beschikte. Aan het Institut für Sport und Sportwissenschaft van de Universiteit van

Heidelberg deed men testen met trouw nagebootste replica en men stelde vast dat deze speren fenomenale werpeigenschappen hadden die kunnen vergeleken worden met die van hedendaagse speren. Het zwaartepunt lag bijvoorbeeld op 1/3de van de lengte van de speren. De vindplaats in Schöningen bewijst dat de mens op dat tijdstip een zeer effectieve jager moet geweest zijn.”

Zie: Marc Vermeersch, de geschiedenis van de mens, Boek 1, van Pan tot Homo, 2014, p. 217-218.

Het is niet duidelijk wanneer de mens in staat was om te jagen op groot wild maar de speer was zeker een noodzakelijk wapen. De speren van Schöningen tonen aan dat de mensen van Schöningen 400.000 jaar geleden waarschijnlijk werpsperen gebruikten om te jagen. Hoe oud de speer is weten we daardoor nog niet. De kans bestaat dat werpsperen eerst in Afrika gebruikt werden. Nieuwe vondsten kunnen duidelijkheid brengen.


Speerwerpen, cultuur, waardoor genetische veranderingen ontstonden

Chimpansees zijn v.w.b. het gooien met stenen of een bal in vergelijking met mensen sukkels. Zij kunnen wel veel beter in bomen klimmen dan onze soort, dat moet ze niet geleerd worden. Het werpen van stenen is bij de mens evenmin aangeboren is. Het wordt aangeleerd, het is cultuur. Er zijn een aantal genetische veranderingen gebeurd die het efficiënt werpen van projectielen door de mens beter maakten.

Aanpassing van de hersenen

Om beter te kunnen werpen waren aanpassingen in de hersenen een voordeel.

Om een steen of een speer goed te kunnen werpen was het een voordeel:

  • Goede te kunnen mikken op het doel, zich kunnen concentreren en een goede oog-hand coördinatie te hebben.
  • Richten met een juiste hoek, eventueel rotatie geven aan de speer en rekening houden met de sterkte en de richting van de wind, het terrein (loopt dat bv. af).
  • Rekening houden met het gewicht van de speer en de specifieke vorm van de speer. Australiërs konden bv. geen rechte speren maken maar waren toch efficiënte speerwerpers, zowel in de jacht als in oorlog.

Daarnaast was uiteraard een grote kennis van de prooidieren en hun gewoontes noodzakelijk.

Snelle aanpassingen in oostelijk Afrika

Er was de afgelopen miljoenen jaren een groot verschil v.w.b. de evolutie van de soorten homininen (waar vandaag van overblijven: Homo, chimpansees en bonobo’s) die uit een gemeenschappelijke voorouder hebben. In westelijk en Midden-Afrika zijn er alleen de Pan (chimpansees en bonobo’s). Er is geen enkele vondst van een andere soort de afgelopen miljoenen jaren.

Dat is in sterk contrast met de evolutie in oostelijk Afrika (van Ethiopië tot Zuid-Afrika).

De evolutie van homininen geeft daar een beeld dat er bv. tussen 2 en 1 miljoen jaar geleden wel acht verschillende types homininen leefden. Sommige, zoals de drie types paranthropen, een soort die ook in bomen bleef leven en voornamelijk plantaardig voedsel at, wat sterke kauwspieren vergde. Die werden aan een beenkam op de bovenkant van de schedel gehouden. Een evolutionaire aanpassing.

Er leefden gelijktijdig ook drie types australopitheken die tweevoetigheid verder ontwikkelden en waarschijnlijk voorlopers waren van Homo. Er leefden iets later ook drie types Homo gelijktijdig, Habilis, Rudolfensis en Erectus (die afstamde van Habilis en/of Rudolfensis). Dit groot aantal soorten homininen was een gevolg van de noodzaak om snelle aanpassingen

Speelde natuurlijke selectie hier een rol? Onvermijdelijk. Het klimaat veranderde de afgelopen miljoenen jaren meer in oostelijk dan in westelijk Afrika. Dat leidde onvermijdelijk tot snelle aanpassingen van de homininen die er leefden. Voordelige aanpassingen vonden snel verspreiding tussen de verschillende soorten waarvan we redelijkerwijs mogen aannemen dat ze onderling vruchtbaar waren en voordelige aanpassingen uitwisselden.[2] De soort die de meest geschikte mutaties ontwikkelde en overnam was uiteindelijk Homo.

Aanpassingen aan de schouder

Toen de voorlopers van de mens rechtop gingen lopen had het menselijk lichaam zich waarschijnlijk al aangepast om beter stenen te kunnen gooien (de bovenarmen waren bv. vrijgekomen) en dit was voordelig voor het werpen van stenen en speren. Rechtop lopen liet ook toe dat de mens zijn heupen beter kon draaien, wat gepaard ging met de nodige aanpassingen, en dat was een voordeel bij het werpen.

Uit Homo erectus ontstond ca. 800.000 jaar geleden Homo heidelbergensis die o.a. naar Europa migreerde. In Afrika evolueerde die ca. 200.000 jaar geleden tot Homo sapiens en in Europa tot Homo neanderthalensis.

Homo erectus had al een aantal fysieke aanpassingen die het hem gemakkelijker maakten om werktuigen te maken en speren te gooien.

“Sommige primaten, waaronder chimpansees, gooien af en toe met voorwerpen, maar alleen mensen gooien regelmatig met hoge snelheid en nauwkeurigheid met projectielen. Darwin merkte op dat de unieke werpcapaciteiten van de mens, die mogelijk werden gemaakt toen het lopen op twee voeten de armen vrij liet, jagers in staat stelde om effectief te jagen met behulp van projectielen. Er is echter weinig aandacht besteed aan de evolutie van het werpen in de jaren sinds Darwin zijn waarnemingen deed, deels vanwege een gebrek aan bewijs van wanneer, hoe en waarom homininen de mogelijkheid ontwikkelden om hogesnelheidsworpen te genereren. Hier gebruiken we experimentele studies over mensen die projectielen werpen om aan te tonen dat onze gooimogelijkheden grotendeels het gevolg zijn van verschillende afgeleide anatomische kenmerken die het mogelijk maken om elastische energie op te slaan in en los te laten uit de schouder. Deze kenmerken verschijnen ongeveer 2 miljoen jaar geleden voor het eerst samen in de soort Homo erectus. Rekening houdend met archeologisch bewijs dat suggereert dat de jachtactiviteit rond deze tijd intensiever werd, besluiten we dat selectie voor het werpen als middel om te jagen waarschijnlijk een belangrijke rol heeft gespeeld in de evolutie van het geslacht Homo.” (…)

“Het is moeilijk vast te stellen wanneer het werpen met hoge snelheid zich voor het eerst ontwikkelde, omdat de eerste projectielen waarschijnlijk rotsen en houten speren (zonder stenen punt) waren. Veel van de afgeleide morfologische kenmerken die menselijke werpers helpen om elastische energie op te slaan, kunnen echter worden beoordeeld aan de hand van fossielen. Deze kenmerken zijn op een mozaïekachtige manier geëvolueerd, sommige zijn van voor het opkomen van Homo. Hoge, ontkoppelde tailles[3] (middels) verschijnen voor het eerst bij Australopithecus als aanpassingen voor de voortbeweging. Lage humorale torsie verschijnt ook bij Australopithecus, waarschijnlijk als gevolg van het loslaten van de armen voor het dragen van gewichten tijdens voortbeweging op vier voeten, en is aanwezig bij de vroege Homo (Fig. 4d). Hoewel er binnen de Australopithecus variatie in schouderoriëntatie bestaat, is een volledig laterale schouderpositie eerst definitief aanwezig in de Homo erectus (Aanvullende aantekeningen 15 en 16). Dergelijke lateraal georiënteerde schouders hebben waarschijnlijk het mechanische voordeel van de rotatiespieren van het schouderblad tijdens het klimmen verminderd, en hadden waarschijnlijk weinig of geen effect op de productie van stenen gereedschap.

Werpprestaties kunnen geprofiteerd hebben van lage, brede schouders, lange benen, en zeer soepele polsen, die allemaal aanwezig zijn bij Homo erectus. Hoewel sommige van deze kenmerken waarschijnlijk werden geselecteerd voor andere functies dan het werpen, zou hun gecombineerde configuratie, die voor het eerst aanwezig is in Homo erectus, kunnen geprofiteerd hebben van werpprestaties door het mogelijk maken van elastische energieopslag in de schouder, wat een selectief voordeel opleverde tijdens de jacht (Aanvullende Opmerking 1). Bovendien was het werpen met hoge snelheid waarschijnlijk een kritische component van een reeks van jachtgedragingen die de vroege leden van het geslacht Homo in staat stelden om te gedijen in nieuwe en gevarieerde habitats, zowel in als  buiten Afrika.”[4]
Besluit voor deze twee blogs
De vaardigheden die de vroege mens en zijn voorlopers ontwikkelden om te jagen en zich te verdedigen leidde tot het maken en het gebruik van werktuigen. De leidde tot genetische aanpassingen van de hand en de schouder maar ook in de hersenen. Wie succesvol wilde jagen moest de gewoontes van dieren kennen, zich goed kunnen oriënteren in een landschap, de anatomie van de dieren kennen om ze in stukken te snijden enz.
Elke voordelige mutatie om deze zaken tot stand te brengen was een evolutionair voordeel. In oostelijk Afrika leefde meerdere soorten homininen. De onderlinge competitie dreef de evolutie waarschijnlijk sneller vooruit. Daarbij hadden ze nog het voordeel dat ze voordelige eigenschappen tussen verschillende soorten konden uitwisselen of overnemen.

Dr. Marc Vermeersch – marc.vermeersch@gmail.com

[1] Over het oudste gebruik van het vuur, zie: Marc Vermeersch, van Pan tot Homo, 2014, “Een grote technologische ontdekking: het vuur” en “‘De oudste sporen: 1.700.000 jaar oud.
In: Marc Vermeersch, van Pan tot Homo sapiens, p.174-179

[2] Dit is een punt dat duidelijk werd door DNA-onderzoek van Homo sapiens, de neanderthalers en de Denisovanen. Ik ben al langer aan het werken aan een blog over dit punt.

[3] De taille is het deel van de buik tussen de ribbenkast en de heupen. Bij de meeste mensen is de taille het smalste deel van de romp. (Wiki NL taille)

[4] Neil T. Roach et al., Elastic energy storage in the shoulder and the evolution of high-speed throwing in Homo, Nature, N° 498, p. 483–486, 27 June 2013.

Geplaatst in anatomie, genetische verandering, Homo heidelbergensis, jagers en verzamelaars, Mensheid, Schöningen (D), speer werpen | Tags: | Een reactie plaatsen

Cultuur en verandering van genen (1)

Collectieve Intelligentie (1)
Genetische veranderingen en werktuigen

Links de hand van een chimpansee, rechts van een mens. Bij de mens zijn de vingers en de hand korter geworden. Hij verplaatste zich zelden in bomen. De duim was beweeglijker geworden, net als de vingers. De hand was als een precisie-instrument.

Af en toe wordt een boek uitgegeven dat voor de studie van de geschiedenis van de mens grensverleggend is. Dat was in een recent verleden het geval met Jared Diamond’s ‘Paarden, zwaarden en ziektekiemen’, David Anthony’s ‘The Horse, the Wheel, and Language’ en Tom Holland’s ‘Heerschappij’.

Een boek van die klasse is Joseph Henrich’s ‘L’intelligence collective. Comment expliquer la réussite de l’espèce humaine’. Ik las het in de Franse vertaling. Het Engelstalige boek verscheen in 2016. Het had als titel The Secret of Our Success: How Culture Is Driving Human Evolution, Domesticating Our Species and Making Us Smarter’. Het steunt op onderzoek dat de afgelopen 30 jaar door meerdere researchers werd ondernomen.

De mens is individueel behoorlijk slim maar is collectief veel slimmer, hij heeft collectieve intelligentie die veel groter is. Hij doet beroep op de kennis van veel andere mensen en hij kan kennis accumuleren. Dat is de belangrijkste reden dat de mensheid erin slaagde haar cultuur zo sterk te ontwikkelen.

Een andere stelling is dat het de menselijke cultuur was die sedert de opkomst van de mens en de laatste voorlopers van mens de belangrijkste genetische veranderingen teweegbracht.

Cultuur bij dieren
Sommige diersoorten hebben cultuur. Dit is gedrag dat niet aangeboren maar aangeleerd is. Bv. bij chimpansees komt het voor in sommige groepen maar niet in allemaal. Het zijn praktijken die binnen dezelfde soort van groep tot groep kunnen verschillen en aangeleerd worden. In de savanne van Senegal, in Fongoli, jagen chimpansees op aapjes met zelf gemaakte stokken die als speertjes worden gebruikt. (Galago’s, in het Engels ook bekend als ‘bush babies’, zie: https://en.wikipedia.org/wiki/Galago )[1]

In sommige chimpanseegroepen kraakt men harde noten door er met een steen op te slaan. In een aantal groepen hebben mannetjes de gewoonte de vrouwen vaak te slaan.

Niet aangeleerd maar aangeboren is het gedrag van vogels om nesten te bouwen, aangeboren is bij de koekoek om zijn ei in het nest van een andere vogelsoort te leggen.

Cultuur leidde tot genetische veranderingen

Het gebruik van stenen als werktuig en/of als wapen

3,7 miljoen jaar geleden wijzen voetsporen in vulkanische as achtergelaten in Laetoli, Tanzania, dat (waarschijnlijk) australopitheken al goed rechtop konden lopen. De australopitheken waren  voorlopers van de mens. Door rechtop te lopen kwamen de armen vrij om dingen te dragen, een groot voordeel. Mogelijk gebruikten de australopitheken hun vrijgekomen handen ook om stenen naar dieren te werpen of, ter verdediging, naar andere australopitheken.

Stenen kunnen een zeer gevaarlijk wapen zijn die dieren of homininen ernstig kunnen kwetsen en zelfs uitschakelen. Stenen worden overigens tot vandaag als wapen gebruikt in betogingen. Wie een steen in zijn gezicht krijgt kan zwaargewond geraken. Wij weten niet of de directe voorlopers van de mens stenen vaak als wapen gebruikten maar rechtop lopen had als voordeel dat de handen permanent vrijkwamen om te werpen en dat de schouder en de heupen gedraaid konden worden. Dat is slechts in beperkte mate het geval bij viervoeters. Chimpansees gebruiken takken als een stok, als een wapen.

De overgang tussen stenen selecteren om te gooien en het maken van werktuigen is misschien niet zo groot als op het eerste gezicht lijkt. Voorlopers van de mens die stenen gebruikten zullen stenen gezocht hebben die goed in de hand lagen. Vonden ze die niet dan konden ze die eventueel maken door stenen tegen bv. een rotswand te gooien tot ze braken. Dat is een eenvoudige manier om werktuigen te maken.

De voorlopers van de mens en chimpansees gebruikten ook werktuigen bv. om met een stok termieten te vissen. Een ander houten werktuig was de graafstok. Daarmee werden wortels en knollen opgegraven, een nieuw soort voedsel voor de homininen in oostelijk Afrika.

We mogen redelijkerwijs aannemen dat homininen die stenen als wapen gebruikten succesvoller waren dan homininen die dit niet deden. Het liet hen toe beter te overleven, door meer vlees te eten en een betere verdediging te hebben. Dat bracht mee dat ze meer kinderen konden krijgen die beter overleefden. Minder mensen stierven in gevechten met dieren. Ze hadden een evolutionair voordeel.

Genetische aanpassingen voor het gebruik van werktuigen

Genetische veranderingen ontstaan doordat op een gen een verandering, een mutatie, ontstaat. Dat gebeurt regelmatig. Veel van die veranderingen hebben geen gevolgen voor wat betreft de eigenschappen van mens of dier. Maar sommige mutaties hebben dat wel. Als die veranderingen voordelig zijn, bv. een verandering in de arm die toelaat verder of harder te gooien, dan is dat een voordeel bij de jacht. Het kan ook een mutatie zijn die toelaat de afstand tot een prooi preciezer in te schatten als die loopt aan 30km/uur. Verder en harder gooien kan in geweldsituaties, confrontaties met dieren en andere mensen een beslissend voordeel geweest zijn.

Een dergelijk voordeel zal toelaten beter te jagen, meer vlees en vet te eten en zo meer mensen te voeden en meer kinderen groot te brengen.

Mensen die dankzij genetische veranderingen meer vlees of plantaardig voedsel bekwamen, mensen die gewelddadige confrontaties wonnen dankzij nieuwe aangepaste capaciteiten voor het gebruik van wapens hadden meer kansen om te overleven. Meer van hun kinderen konden de volwassen leeftijd bereiken en zich voortplanten. Zo konden nieuwe positieve eigenschappen zich verspreiden onder de voorlopers van Homo en onder Homo zelf.

De verandering van de hand

De hand van de homininen veranderde sterk na de splitsing van Pan en voorlopers van de mens, bv. bij de australopitheken. Toen Homo verscheen, bijna 3miljoen jaar geleden, zou de hand verder veranderen. Het gebruik en het maken van werktuigen werd noodzakelijk. Na het opkomen van de acheuleaanse techniek voor stenen werktuigen.

Wij hebben een zeer fijne controle over onze handen en vingers, een precisiegreep. Dat is bv. nuttig om een draad door het oog van de naald te steken. (Wat door Homo sapiens waarschijnlijk in gebruik is sedert 61.000 jaar geleden in Europa. In de Denisova Grot werd een naald gevonden, een aanduiding voor de intelligentie van de Denisovanen, die ca. 50.000 jaar oud is.

De duim is bij Homo veel langer dan bij Pan. Hij kan in vergelijking met chimpansees veel onafhankelijker bewogen worden. Wij kunnen bv. met onze duim onze kleine vinger aanraken.

Ook hier is het de natuurlijke selectie ervoor zorgde dat de menselijke hand evolueerde. Toevallige genetische mutaties die voordelig waren leidden tot betere werktuigen die meer voedsel opbrachten en/of een betere verdediging. Wie voordelige mutaties had kon meer kinderen groot brengen, die beter in leven blijven. Zo werden de voordelige mutaties verspreid.

Dr. Marc Vermeersch – marc.vermeersch@gmail.com

Bron: Matthew W. Tocheri, Caley M. Orr, Marc C. Jacofsky, Mary W. Marzke, The evolutionary history of the hominin hand since the last common ancestor of Pan and Homo, Journal of Anatomy, Volume 212, Issue 4, April 2008, p. 544–562.

[1] Mary Roach, On the savannas of Senegal, chimpanzees are hunting bush babies with spearlike sticks. National Geographic, 2008, April.

Geplaatst in anatomie, chimpansee, collectieve intelligentie, evolutionaire voordeel, genetische verandering | Tags: | Een reactie plaatsen

Klimaat. Middellandse 2°C warmer tussen het jaar 1 en 500 OT

De rode lijn geeft de gemiddelde temperatuur weer voor de Middellandse Zee voor het jaar 1 (OT) en het jaar 500 (OT)

De Middellandse Zee was tijdens het Romeinse Rijk 2°C warmer dan andere gemiddelde temperaturen in die tijd, zo staat het in een nieuwe studie. Het Rijk viel samen met een periode van 500 jaar, van het jaar 1 tot 500 jaar VOT, dat was de warmste periode van de laatste 2000 jaar in de bijna volledig door land omgeven Middellandse Zee.  

Het klimaat evolueerde later naar koudere en dorre omstandigheden die samenvielen met de historische val van het Imperium, zo beweren wetenschappers. Spaanse en Italiaanse onderzoekers registreerden in het Kanaal van Sicilië verhoudingen tussen magnesium en calciet, afkomstig van geskeleteerde amoeben in sedimenten, een indicator voor de temperatuur van het zeewater. 

De plaats, ten zuiden van Sicilië waar stalen van Globigerinoides ruber werden gevonden.

De studie biedt ‘kritische informatie’ om de vroegere interacties tussen klimaatveranderingen en de evolutie van de menselijke samenlevingen en ‘hun aanpassingsstrategieën’ te identificeren. Het komt tegemoet aan verzoeken van de Intergouvernementele Werkgroep inzake Klimaatverandering (IPCC) om de impact van historisch warmere omstandigheden tussen 1,5°C e, 2°C, te beoordelen. 

De studie identificeert de Romeinse periode (1-500 VOT) als de warmste periode van de laatste 2000 jaar. Kaart A toont de centraal-westelijke Middellandse Zee. De rode driehoek toont de locatie van het bestudeerde monster, terwijl de rode cirkels voor de vergelijking worden gebruikt. Kaart B toont het Kanaal van Sicilië met de oceanografische circulatie aan het oppervlak en de locatie van het monster. Zwarte lijnen volgen het pad van de oppervlaktewatercirculatie.
Spaanse en Italiaanse onderzoekers registreerden verhoudingen tussen magnesium en calciet, afkomstig van amoeben die aanwezig zijn in mariene sedimenten, een indicator voor de temperatuur van het zeewater. Het geraamte van de G. Ruber werd bemonsterd op een diepte van 475 meter in het noordwestelijke deel van het Kanaal van Sicilië.

Voor het eerst kunnen we stellen dat de Romeinse periode de warmste periode van de laatste 2000 jaar was, en dat deze omstandigheden 500 jaar hebben geduurd’, zei professor Isabel Cacho van het Departement voor Aarde en Oceaandynamica van de Universiteit van Barcelona.

De Middellandse Zee is een half gesloten zee, wat betekent dat het omgeven is door land en bijna alleen verbonden is met de oceanen door een smalle uitgang, en is een ‘hot spot’ voor de klimaatverandering. Gelegen tussen Noord-Afrika en het Europese klimaat, neemt de zee een ‘overgangszone’ in, die de droge zone van de subtropische hoge en vochtige noordwestelijke luchtstromen combineert. Dit maakt het zeer kwetsbaar voor klimaatveranderingen, zoals veranderingen in de neerslag en de gemiddelde oppervlaktetemperatuur van de lucht, en is van ‘bijzonder belang’ voor onderzoekers.

De Middellandse Zee of Mare Nostrum zoals het door de Romeinen werd genoemd, is in de loop der jaren een model geworden om de perioden van klimaatvariatie te bestuderen. Het reconstrueren van de vorige millennia van de temperatuur van het zeeoppervlak en de manier waarop het zich heeft ontwikkeld is een uitdaging, omdat het moeilijk is om een goede resolutie van de mariene gegevens te achterhalen. De studie van de fossiele archieven blijft echter het enige geldige instrument om vroegere milieu- en klimaatveranderingen tot 2000 jaar geleden te reconstrueren, zeggen ze.

Een andere methode is de analyse van de verhoudingen tussen magnesium en calciet, afkomstig van monsters van eencellige protisten met de naam “foraminifera”, die in alle mariene milieus worden aangetroffen. Met name de soort Globigerinoides ruber, aanwezig in mariene sedimenten, is een indicator voor de temperatuur van het zeewater. Onderzoekers namen het geraamte van de G. ruber, die werd bemonsterd op een diepte van 475 meter in het noordwestelijke deel van het Kanaal van Sicilië.

Het werd geborgen tijdens een oceanografische expeditie in 2014 aan boord van het onderzoeksschip RV CNR-Urania. Deze eencellige organismen, die deel uitmaken van het mariene zoöplankton, hebben een specifieke habitat die beperkt is tot de oppervlaktelagen van de waterkolom.  ‘Daarom stelt de chemische analyse van het koolzuurhoudende skelet ons in staat om de evolutie van de temperatuur van de oppervlaktewatermassa in de loop van de tijd te reconstrueren’, aldus professor Cacho. Het  het Middellandse Zeegebied gekenmerkt door een koudere fase na ongeveer 500 tot VOT.  

Plaatsen waar onderzoek werd verricht

Dit komt overeen met het begin van de zogenaamde ‘sub-Atlantische fase’ die werd gekenmerkt door een koel klimaat en regenachtige winters die gunstig waren voor de Griekse en Romeinse beschavingen om gewassen te verbouwen. Het koele en vochtige klimaat van de sub-Atlantische fase duurde tot ongeveer 100 VOT en omvatte de gehele periode van de keizers in Rome.

In 400 VOT kwamen er meer ‘homogene’ temperaturen in de hele Middellandse Zee. Er was duidelijke opwarmingsfase, die liep van 1 tot 500 OT. Ze viel vervolgens samen met de periode van de Romeinse keizers. “Deze uitgesproken opwarming is bijna in overeenstemming met andere mariene gegevens uit de Atlantische Oceaan“, aldus het team in hun document.

Deze klimaatfase komt met het zogenaamde ‘Romeinse klimaatoptimum’, dat wordt gekenmerkt door welvaart en uitbreiding van het Romeinse Rijk. Het Roman Climatic Optimum, was een fase van warme stabiele temperaturen in een groot deel van het Middellandse Zeegebied, tussen het jaar 1 OT en het jaar 500 OT. Na 500 OT ontwikkelde zich in de regio een algemene afkoelingstendens met enkele kleine temperatuurschommelingen.

Deze nieuwe gegevens zijn gecorreleerd met gegevens uit andere gebieden van de Middellandse Zee, de Alborán Zee (Westen van de MZ), het Menorcabekken en de Egeïsche Zee.

De studie levert hoge resolutie- en precisiegegevens over de ontwikkeling van de temperaturen in het Middellandse Zeegebied in de afgelopen 2000 jaar.  Ze identificeert ook een opwarmingsfase die tijdens het Romeinse Rijk in het Middellandse Zeegebied anders was en is gericht op de reconstructie van de temperatuur van het zeeoppervlak in de afgelopen 5000 jaar.

Dit is de vertaling van een artikel uit De Daily Mail met kleine aanpassingen en weglating van een zin over de invloed van het klimaat op het Romeinse Rijk. IK werk nu aan een nieuwe blog over niet-wetenschappelijke stellingen over klimaat en geschiedenis.

Dr. Marc Vermeersch   – marc.vermeersch@gmail.com

Andere blogs over klimaat:
Klimaat. Toen de Vikings in Groenland woonden was het er tamelijk warm
MIS: een indicatie voor het paleoklimaat

Binnen afzienbare tijd komt er nog een blog over het Middeleeuws Klimaat optimum.

In mijn boeken over de geschiedenis van de mensbesteed ik voor elke periode die besproken wordt aandachtaan het toen aanweige klimaat.
De boeken:
Marc Vermeersch, Doctoraat Ugent, Om zich te reproduceren moet de mens zich ook ideologisch reproduceren, 2012. Promotoren, prof. dr. Rik Pinxten en prof. dr. Johan Braeckman

Marc Vermeersch. De geschiedenis van de mens. Deel I. Jagers en verzamelaars.
– Boek 1, van Pan tot Homo sapiens. (2de uitgebreide druk 2014). 35€
– Boek 2, de maatschappij van -jagers en verzamelaars. (2de uitgebreide druk 2014) 35€

Marc Vermeersch. De geschiedenis van de mens. Deel II. Landbouwers en veetelers.
-Boek 3, Het ontstaan van landbouw en veeteelt in Zuidwest-Azië en de verspreiding er van naar Europa, West-Azië en Afrika. 35€-

Verwacht einde 2020/
Boek 4. Het ontstaan van landbouw en veeteelt in China en Nieuw-Guinea. 35€.

Abstract (English en vertaling in het Nederlands)
Persistent warm Mediterranean surface waters during the Roman period

Margaritelli, I. Cacho, A. Català, M. Barra, L.G. Bellucci, C. Lubritto, R. Rettori & F. Lirer
Scientific Reports volume 10, Article number: 10431 (2020), een publicatie van Nature.

Reconstruction of last millennia Sea Surface Temperature (SST) evolution is challenging due to the difculty retrieving good resolution marine records and to the several uncertainties in the available proxy tools. In this regard, the Roman Period (1 CE to 500 CE) was particularly relevant in the sociocultural development of the Mediterranean region while its climatic characteristics remain uncertain. Here we present a new SST reconstruction from the Sicily Channel based in Mg/Ca ratios measured on the planktonic foraminifer Globigerinoides ruber. This new record is framed in the context of other previously published Mediterranean SST records from the Alboran Sea, Minorca Basin and Aegean Sea and also compared to a north Hemisphere temperature reconstruction. The most solid image that emerges of this trans-Mediterranean comparison is the persistent regional occurrence of a distinct warm phase during the Roman Period. This record comparison consistently shows the Roman as the warmest period of the last 2 kyr, about 2°C warmer than average values for the late centuries for the Sicily and Western Mediterranean regions. After the Roman Period a general cooling trend developed in the region with several minor oscillations. We hypothesis the potential link between the expansion and subsequent decline of the Roman Empire.

De reconstructie van de evolutie van de laatste millennia Sea Surface Temperature (SST) is een uitdaging vanwege het moeilijk te achterhalen van de goede resolutie van de mariene gegevens en vanwege de verschillende onzekerheden in de beschikbare proxy-instrumenten. In dit opzicht was de Romeinse periode (1 CE tot 500 CE) bijzonder relevant voor de sociaal-culturele ontwikkeling van het Middellandse-Zeegebied, terwijl de klimatologische kenmerken ervan nog steeds onzeker zijn. Hier presenteren we een nieuwe SST-reconstructie van het Kanaal van Sicilië op basis van Mg/Ca-verhoudingen gemeten op de planktonische foraminifer Globigerinoides ruber. Dit nieuwe record is ingekaderd in de context van andere eerder gepubliceerde mediterrane SST-records uit de Alboran Zee, het Minorca-bekken en de Egeïsche Zee en ook vergeleken met een reconstructie van de temperatuur op het noordelijk halfrond. Het meest solide beeld dat uit deze trans-Mediterrane vergelijking naar voren komt is het aanhoudende regionale voorkomen van een duidelijke warme fase tijdens de Romeinse periode. Deze recordvergelijking laat consequent de Romeinse periode zien als de warmste periode van de laatste 2 kyr, ongeveer 2°C warmer dan de gemiddelde waarden voor de late eeuwen voor de regio’s Sicilië en het westelijke Middellandse Zeegebied. Na de Romeinse periode ontwikkelde zich in de regio een algemene afkoelingstendens met enkele kleine oscillaties. We veronderstellen het potentiële verband tussen de uitbreiding en het daaropvolgende verval van het Romeinse Rijk.

Geplaatst in klimaat, Middellandse Zee 1-500 OT | Tags: , , | Een reactie plaatsen

Landbouw in Jomon Japan?

Was er landbouw in Jomon Japan?

Impressie van een artiest van een Jomondorp

De Jomon jagers en verzamelaars hadden zelf een hele reeks praktijken die als landbouwpraktijken kunnen beschouwd worden.
Vanaf ca. 900 VOT steken Koreaanse boeren de … Zee over en introduceren in Japan de meer gevorderde Koreaanse landbouw.

Groenten

Groenten, in totaal ongeveer 80 soorten werden gerapporteerd voor de meeste periodes op de site Shimoyakebe. Daar vond men een afvalhoop van walnootschelpen uit de periode 3270–2870 cal BP.

Bonen

Er zijn meer dan 100 vondsten van bonen op Japanse sites. Voornamelijk van twee types: de adzuki of rode boon, Vigna, en de sojaboon, Glycine. Beide wilde soorten komen voor in Oost-Azië. De grotere, Glycine sp., werd gedateerd op 3070 cal BP.

Sojabonen

De oudste gevonden overblijfselen van sojabonen komt van de Sakanomiba site (Middle Jomon). De bonen waren 10 mm langer dan wilde bonen. In de reeds vermelde afvalhoop in Shimoyakebe vond men sojabonen die groter waren dan wilde sojabonen. Dat wijst op domesticatie waarbij de mens grotere bonen selecteerde. (Middle Jomon).
Genetische diversiteit tussen 120 cultivars[1] gaf aan dat Japanse en Koreaanse sojabonen verschillend zijn van de Chinese.

Gewone bonen

In Sannai-Maruyama werden bonen, Fabaceae of peulvruchtenfamilie, gevonden die gedateerd werden op een ouderdom van ca. 6000 VOT (Early Jomon,). Sojabonen, Glycine sp., kwamen voor in de assemblage. (Sakamoto et al. 2006).

De mungboon

De mungboon, Vigna radiata, is een eenjarige plant met 15 cm-90 cm lange stengels. De peulen bevatten zes tot vijftien olijfgroene, soms gele of bijna zwarte, afgeronde of onregelmatig tonvormige, tot 6 mm lange bonen.[2]

Brandnetel

Boehmeria is een plantgeslacht uit de brandnetelfamilie, Urticaceae. Het geslacht telt zevenenveertig soorten, waarvan er drieëndertig in de Oude Wereld voorkomen en veertien in de Nieuwe Wereld. Deze soorten hebben geen stekende brandharen men noemt ze ook valse netels.[3]

Bomen          

De perzikboom

De perzikboom, Prunus persica, is afkomstig en gedomesticeerd in Noordwest-China. Hij kwam tijdens het Vroege Jōmon, 4700–4400 VOT, voor op Jōmonsites. Misschien is hij ingevoerd uit China waar de oudste vondst van een perzikboom, in Zjejiang (aan de kust van Oost-China,) van rond 6000 VOT is.

De lakboom

Lak werd gemaakt van het sap van de lakboom, Toxicodendron vernicifluum, die in Japan voorkwam. Gedroogd is lak hard, glad, waterbestendig, het voelt aangenaam aan en is mooi. Werktuigen om het sap van de lakboom te tappen en resten van lak werden gevonden op de Shimoyakebe site. De oudste lakproducten ter wereld zijn gedocumenteerd op het Kameda-schiereiland Hokkaido. Lakbomen werden verzorgd. Of dat tot domesticatie, genetische wijzigingen dus veranderingen door ingrijpen van de mens, is niet duidelijk. Hoe oud ??

Granen

Gerst, Hordeum vulgare, in Hokkaido

Op het noordelijke eiland Hokkaido en aanpalende streken op het continent spreekt kwam de Okhotsk Cultuur voor tussen 600 OT–1000 OT. Op de Koerillen Eilanden zou deze cultuur voorkomen tot 1500 à 1600 OT. Deze mensen leefden van jagen en verzamelen en visvangst. Zij waren verwant met de Jōmon die de voorouders zijn van de Aino.

De vandaag overblijvende Nivkh en Itelmen hebben een tamelijk groot Jōmon voorouders. De Aino en de Nivkh hebben allebei de berencultus, een belangrijk onderdeel van de Okhotsk Cultuur.

“Samen met de vondsten van de Oumu site (noordoostelijk Hokkaido Eiland), markeert de gerecupereerde zaadverzameling het oudste goed gedocumenteerde bewijs voor het gebruik van gerst in de Hokkaido regio. De archeobotanische gegevens, samen met de resultaten van een analyse van het stuifmeelgehalte van de sedimentlagen van de bodem van het nabijgelegen Kushu Meer, wijzen op een lage voedselproductie, inclusief de teelt van gerst en het mogelijke beheer van wilde planten, een breed scala aan voedsel dat afkomstig is van jagen, vissen en het verzamelen van voedsel aanvulde. Dit situeert de mensen van de Okhotsk Cultuur als één van de elementen van het langetermijn en ruimtelijk bredere holoceen jager-verzamelaar cultureel complex (waaronder ook Jomon, Epi-Jomon, Satsumon en Aino Culturen) van de Japanse archipel, dat zich ergens tussen de traditioneel aanvaarde grenzen tussen verzamelen en landbouw kan bevinden.”[4]

Panicum

Een andere familie granen, Panicum (in het Engels ook aangeduid alsPanic Grass), is een familie grassen met ca. 450 soorten. Ze worden tussen 1 m en 3 m groot. De granen zijn tussen  1 en 6 mm lang en tussen 1 en  2 mm breed. Ze werden in Japan gecultiveerd na 2070 VOT.[5]

Japanse gierst, Echinocloa esculenta

Wilde voorouders van gierst, zoals Barnyard Grass is onderdeel van de Echinochloa. Een verwante soort is, Echinochloa crus-galli of Europese hanenpoot,een wild gras dat oorspronkelijk voorkwam in tropisch Azië.

Echinochloa esculenta, is een gedomesticeerde vorm van Echinochloa crus-galli, werd op kleine schaal geteeld in Japan, Korea en China. In Japan kwam het vooral voor in Noordoost-Japan. “In een studie van de collecties van de Jomon-sites op het Kameda-schiereiland konden we vaststellen dat de zaden in de loop van duizenden jaren met ongeveer 20% in omvang zijn toegenomen, wat erop wijst dat er sprake was van een zekere mate van verandering (Crawford 1983, 1987).” Op de Yagi site (Early Jomon) werden ongeveer 100 zaden gevonden van de late Early Jomon Hamanasuno en de Middle Jomon Usujiri B sites. Japanse gierst had als voordeel dat ie ook kon groeien in een kouder klimaat.[6]

Struiken en bomen

Zanthoxylum sp. (Prickly Ash in het Engels) kwam voor op de Matsugasaki site .

“Zanthoxylum is een geslacht uit de wijnruitfamilie (Rutaceae). Het geslacht telt ongeveer tweehonderdvijftig soorten altijd groene en bladverliezende bomen en struiken die voorkomen in de warm gematigde en subtropische delen van de gehele wereld. Van sommige soorten worden van de gedroogde schillen van de vruchtjes de Szechuanpepers samengesteld.”[7]

Kastanjebomen, Castanea crenata, komen voor het eerst voor in de Late Jomon op de site Seizan. Paardekastanjes, Aesculus turbinate, en walnoten werden geconsumeerd. “Het uitgebreide gebruik van noten wordt zo algemeen geacht, dat het beheer van notenbomen algemeen aanvaard is.”

In de ruimtes tussen huizen en tuinen stonden kastanjes, kaki, Diosporus kaki[8], abrikoos Prunus armeniaca, vijg, Ficus, stekelige as, Zanthoxylum, waarvan de vruchten als een soort peper gebruikt worden.
Perilla en gember, Zingiber, en een aantal andere planten werden gevonden. Een aantal daarvan was geplant, soms verplant.

Wilde kastanjebomen liet men staan waar ze opgeschoten waren. Het beheren van bomen had niet enkel als doel om het aantal noten te vermeerderen maar ook hout te bekomen voor woningen en ander gebruik van hout. Op de zuidelijke helling van de berg Yatsugatake waren kiemplanten van de kastanjeboom verplant die uit de lager gelegen gebieden kwamen.

Dr. Marc Vermeersch – marc.vermeersch@gmail.com

Over het oudste ontstaan van landbouw en veeteelt, het boek:
Marc Vermeersch. De geschiedenis van de mens. Deel II. Landbouwers en veetelers.
Boek 3, Het ontstaan van landbouw en veeteelt in Zuidwest-Azië en de verspreiding er van naar Europa, West-Azië en Afrika. 35€-

andere blogs over landbouw:
Korea: het begin van landbouw
Het begin van landbouw in Tibet
Radiointerview met Frank Stappaerts over het ontstaan van de landbouw
Toen landbouw en veeteelt klaar waren voor gigantische uitbreiding
Jagers en verzamelaars namen varkens over van boeren in Denemarken en Noord-Duitsland
Domesticatie van wilde dieren (1) eerste stappen

[1] Zie achteraan, woordenlijst bij ‘Cultivar’.
[2] Mungboon, https://nl.wikipedia.org/wiki/Mungboon  
[3] Boehmeria, https://en.wikipedia.org/wiki/Boehmeria
[4] https://www.researchgate.net/publication/315704637_Barley_Hordeum_vulgare_in_the_Okhotsk_culture_5th-10th_century_AD_of_northern_Japan_and_the_role_of_cultivated_plants_in_hunter-gatherer_economies
[5] Foundations of Ethnobotany (21st Century Perspective) Door S. Chandra, A.K. Jain, 2017.
[6] Crawford, Gary W., Paleoethnobotany of the Kameda Peninsula. Ann Arbor: Museum of Anthropology, University of Michigan, 1983.
Crawford, Gary W. (1992). “Prehistoric Plant Domestication in East Asia”. In Cowan C.W.; Watson P.J (eds.). The Origins of Agriculture: An International Perspective. Washington: Smithsonian Institution Press. pp. 117–132
Echinochloa_esculenta,  https://en.wikipedia.org/wiki/Echinochloa_crus-galli
[7] Zanthoxylum, https://nl.wikipedia.org/wiki/Zanthoxylum
[8] Kaki, (Diospyros kaki), is de economisch belangrijkste boom uit het geslacht Diospyros, die wordt gekweekt voor zijn vruchten. De boom komt van nature voor in de Himalaya en in de bergen van Myanmar, Thailand, Indochina, Korea en Japan. Wereldwijd wordt de vrucht gekweekt in de subtropen en in de tropen hoger dan duizend meter. https://nl.wikipedia.org/wiki/Kaki_(plant)

Geplaatst in landbouw en veeteelt | Tags: | Een reactie plaatsen

Korea: het begin van landbouw

LANDBOUW IN kOREA, IN HET BEGIN VOORNAMELIJK GIERSTTEELT? KWAM VAN NOORDOOST-CHINA;

Korea, begin landbouw tijdens het 4de millennium

De oppervlakte van Korea (Noord en Zuid) bedraagt 221.487 km². Dat is ongeveer drie keer de oppervlakte van de Benelux.

Na het holoceen was er ook in Korea een opwarming van het klimaat waardoor flora en fauna toenamen. De temperaturen zullen in bepaalde periodes hoger geweest zijn dan vandaag, in andere periodes koeler.

Recent (periode 1901-2015) waren er droge winters en vochtige zomers. Tijdens de maand juli is de regenval een veelvoud van die in de maanden december en januari. De winters zijn koud, de zomers relatief warm.

De Transeuraziatische taal van Koreanen en Japanners en het begin van de landbouw

Modern Koreaans is vandaag de officiële taal van zowel Noord- als Zuid-Korea maar ook de Autonome Koreaanse Prefectuur Yanbian in Noordoost-China. Er zijn in Korea geen minderheden die een andere taal spreken. Modern Koreaans wordt nu bijna uitsluitend geschreven in hangul, een schrift dat in de 15de eeuw werd ontwikkeld door koning Sejong de Grote. Het schrift kent 24 letters, jamo genoemd, waarvan 10 klinkers en 14 medeklinkers. Het hangul is alfabetisch en fonetisch. De daarnaast gebruikte Sino-Koreaanse karakters (hanja) en meer dan 50% van de Koreaanse woordenschat is, al dan niet rechtstreeks, ontleend aan het Chinees. (Zie blog over Japonic)

Landbouw

Landbouw in Korea werd vrij laat, rond 3500 VOT, uit China ingevoerd.

Chulmun Cultuur, 3500 – 1780 VOT

De oudste Koreaanse landbouw was die van de Chulmun Cultuur, in de valleien van de rivieren Han en Taedong, rond 3500 VOT. “De Chulmunperiode, die duurde tot ongeveer 2000 VOT, is een periode van overgang van jagen, vissen en verzamelen, naar landbouw als de basis van bestaan.”[1] Jagen, verzamelen en vissen bleven in deze fase belangrijk. Men woonde in half ondergrondse hutten. Er waren contacten met Noordoost-China, Siberië en Japan. Men kon in Korea, net als in het grootste deel van Oost-Azië, duizenden jaren voor het begin van de landbouw potten bakken. In Korea ten laatste rond 8000 VOT.

Gierst, dat in het wild ook voorkwam in Korea, was waarschijnlijk het eerste uit China ingevoerde gedomesticeerde graangewas dat geteeld werd. Tegen het einde van de Chulmunperiode was de teelt van gierst wijd verspreid in Korea. Men maakte landbouwwerktuigen als sikkels en hakken van steen. Stenen werktuigen waren vaak gepolijst.

Rijstteelt

De twee soorten die in China gedomesticeerd waren, Oryza sativa japonica en Oryza sativa sinica, werden in Korea ingevoerd rond 3000 VOT. Pas tijdens het 1ste millennium VOT zou rijstteelt belangrijkst worden in de voedselvoorziening. Rijst kan droog geteeld worden maar het brengt meer op in natte velden. Er zijn sporen dat rijst vanaf de 8ste eeuw VOT geteeld werd in velden die onder water werden gezet. Het water werd uit rivieren, beken of kleine reservoirs naar de velden geleid. Jonge rijstplantjes werden geteeld in kweekbedden en dan verplant naar de velden. De zomermoesson voert het meeste water aan. Er was in het zuiden gemiddeld 1,8 m neerslag per jaar, 1,5 m in de noordelijker gelegen Hanvallei (die door Seoel stroomt). De neerslag nam verder af naar het noorden waar de rijstteelt minder belangrijk was. Rijst groeide snel in het warme en vochtige klimaat van Korea. Hij rijpte er in de klare droge herfst van het schiereiland. De vele riviervalleien hebben vruchtbare alluviale grond. Rijstteelt liet toe dat de bevolking snel groeide.
Men bleef planten verzamelen, teelde groenten, kweekte varkens en runderen, viste en verzamelde schelpdieren. Gerst en gierst werden na een tijd minder belangrijk dan rijst.

De Koreaanse landbouw haalde haar achterstand op de Chinese vrij snel in. Korea had het voordeel dat nieuwe technieken, zoals metaalbewerking, kant-en-klaar uit China konden ingevoerd worden.[2]

De Mumun Cultuur, 1780-300 cal VOT

De Chulmunperiode werd opgevolgd door de Mumun Cultuur die duurde van ca. 1780 tot 300 cal VOT.

De opbrengst van de landbouw was in de beginperiode nog niet overal verbeterd. In het begin van de Mumunperiode veranderde men in sommige gebieden nog regelmatig van woonplaats. De velden die men had geklaard en ontgonnen, werden, als de grond was uitgeput, verlaten. Er werd dan op een andere plaats nieuwe grond ontgonnen en in gebruik genomen. Dit wijst op landbouw met lage opbrengsten. Men bemestte het land nog niet.
Vissen, jagen en verzamelen hadden nog altijd een plaats in de voedselvoorziening. De maatschappij was egalitair. Sommige huizen waren half ondergronds andere waren lange huizen zoals in Baekseok-dong (Hangul: 백석동), in het gebied van Cheonan City, Chungcheong Nam-do.[3]

Na de beginperiode van de Mumun Cultuur, na 850 VOT, kwam er meer intensieve landbouw. Men kreeg overschotten en er ontstonden complexere samenlevingen met sociale diversificatie.[4]

De bronstijd, ca. 1000 VOT

Eerst werden bronzen werktuigen, wapens en spiegels ingevoerd. Het waren toen luxevoorwerpen die alleen in graven met rijkere giften werden nagelaten. Waarschijnlijk waren jade en producten in brons belangrijke symbolische en prestigeobjecten.[5]  

Dr. Marc Vermeersch – marc.vermeersch@gmail.com

Deze blog over het begin van landbouw in Korea is een deel van de voorbereiding van Boek 4. De tekst zal waarschijnlijk verder bewerkt worden.
Marc Vermeersch, geschiedenis van de mens, Boek 4,
Het ontstaan van landbouw in China en de verspreiding in Oost-Azië, Zuidoost-Azië, Melanesië, Polynesië en Madagaskar.  

Ik ben dankbaar voor foutmeldingen, vragen en bijdragen.

[1] Michael J. Seth, A History of Korea: From Antiquity to the Present p. 11-13 

[2] The Archaeology of Korea, ed. Miriam T. Stark, Blackwell Publishing, 1993, p.97.

[3] Martin T. Bale and Min-Jung Ko, Craft Production and Social Change in Mumun Pottery Period Korea, in Asian Perspectives, 2006, p. 159 e.v.
Mumun realy pottery, en.wikipedia.org/wiki/Mumun_pottery_period#Early_Mumun 

[4] Martin T. Bale, Storage Practices, Intensive Agriculture, and Social Change in Mumun Pottery Period Korea, 2903–2450 Calibrated Years B.P.,  Pg. D. thesis, University of Toronto, 2011.
Gary W. Crawford en Gyoung-Ah Lee, Agricultural Origins in the Korean Peninsula, Antiquity 77 (295), p. 87-95 , March 2003. 
Diane L. Lister et al., Barley heads east: Genetic analyses reveal routes of spread through diverse Eurasian landscapes, Plos One, July 2018.

[5] Michael J. Seth, A History of Korea: From Antiquity to the Present,janari 2016, p. 3-13.

Geplaatst in de eerste stappen, Korea, landbouw en veeteelt, Uncategorized | Een reactie plaatsen

Transeuraziatische talen (2) Toengoezisch en Japonic

Toengoezische taalfamilie

Toengoezisch heeft volgens sommige onderzoekers zijn thuisland aan de Amoer Rivier, die voor een groot deel in Rusland loopt en uitmondt in de Stille Oceaan maar ook voor veel kilometers de grens vormt tussen Rusland en Noordoost-China. In totaal zijn er vandaag maar 75.000 sprekers die tientallen verwante maar verschillende talen spreken. De meest bekende van deze bedreigde talen zijn Eveki, Evenk en Mantsjoe.

Toengoezische volkeren zouden later in de geschiedenis een belangrijke rol spelen in China. De Jin dynasty (1115–1234) was Toengoezisch. In 1644 veroverde de Mantsjoestam, waarschijnlijk in coalitie met andere Toengoezische groepen, de macht in China. Deze Qingdynastie zou 1911 de laatste Chinese keizer leveren. Hij werd toen afgezet tijdens de eerste Chinese revolutie.

de stamboom van Transeuraziatisch

De Toegoezische talen worden in drie groepen opgedeeld. Japonic en Koreaans hebben zich ontwikkled uir de Zuidwest-Toengoezisch ook bekend als de Mandsjoegroep

Japonic

In Korea en Japan woonden voor de verspreiding van de uit China afkomstige landbouw en veeteelt jagers en verzamelaars. De boeren die Korea binnen kwamen, zeker via Noord-Korea, mogelijk ook over zee uit Liaoning, China, brachten een Transeuraziatische taal mee. De oudste vorm kreeg de naam ‘Japonic’ mee. Japonic werd lang voor de jaartelling gesproken in Korea en werd van daaruit verspreid naar Japan. Misschien al vanaf ca. 900 VOT.

De stamboom van Transeuraziatisch zoals Prof. Dr. Martine Robbeets die opstelde.

De term ‘Japonic’ werd voorgesteld door Leon Serafim. De term werd door onderzoekster Juha Janhunen gebruikt om de historische varianten van de Japanse taal die op het Koreaanse schiereiland en op de Japanse eilanden, waaronder de Riukiu-eilanden, werden gesproken, te beschrijven.[1] De Japonicdialecten in midden- en Zuid-Korea zouden later vervangen worden door het Koreaans dat in Noord-Korea gesproken werd.[2]

De achtergrond: zeevaart en handel in de Bohai Zee

Waarschijnlijk was er al een vrij ontwikkelde zeevaart in de Bohai Zee, tussen Shandong en Liaoning, meer dan 5000 jaar geleden. Er zijn geen archeologische vondsten die over de toenmalige ontwikkeling en de eigenschappen van de boten die men toen bouwde. We mogen echter redelijkerwijs aannemen dat men in Shandong en gebieden aan de Bohai Zee zeewaardige boten had ontwikkeld.

Waarschijnlijk was er al tussen 4000 en 3500 VOT een drukke zeevaart tussen Shandong en Liaoning en werd o.a. de gierstteelt zo verspreid.

Ter vergelijking. Wij weten met zekerheid dat de zeevaart in de vaak woeste Atlantische Oceaan tot in de 16de eeuw voornamelijk kustvaart was. Schepen vaarden bijna altijd langs de kusten want dat was eiliger. Dit kan 4500 à 5500 jaar vroeger gelijkaardig geweest zijn in Noordoost-China waar men al boten kan hebben ontwikkeld die in open zee konden varen. Een indirect aanduiding is dat weinig later de Austronesische zeevaart in een zeer korte periode, tussen ca. 3500 en 2500 VOT, over zee de Chinese landbouw zou uitdragen tot in Madagaskar en Paaseiland. Later zouden Polynesiërs met heel wat vernieuwingen fantastische boten bouwen maar ook in China had men in de 15de eeuw boten die veel beter waren dan de Europese van de 15de en de16de eeuw. Tussen 1405 tot 1433 zouden de Chinezen langs de kusten van Zuid-Azië varen en tot in Oost-Afrika doorvaren o.l.v. admiraal Zheng He. Zijn schepen hadden tot 4 dekken en waren meer dan twee keer zo lang, tot 125 meter, dan de grootste Europese houten schepen in de 15de eeuw.

Japonic heeft zijn oorsprong in Liaoning

Liaoning is een provincie in het noordoosten van China die o.a. het schiereiland Liaodong omvat. Het grenst aan hedendaags Noord-Korea. De rivier Liao loopt door Liaoning.

Men sprak er tussen het 3de en 2de millennium de taal Japonic, een Toengoezische taal. In de interactiesfeer tussen Liaoning en Shandong kwamen Austronesische termen uit de rijstlandbouw (die dan al bestond in Shandong) in Japonic terecht.

De Japanse talen op het schiereiland zijn nu uitgestorven talen maar werden volgens veel linguïsten vroeger gesproken in de centrale en zuidelijke delen van het Koreaanse schiereiland. Het bewijs bestaat uit plaatsnamen die in oude teksten zijn opgenomen, voornamelijk de Samguk Sagi (samengesteld in 1145 op basis van eerdere verslagen). Japonic zou tot tijdens de middeleeuwen gesproken worden in midden- en Zuid-Korea maar dan vervangen door Koreaans uit het noorden van het schiereiland.[3]

Een tweede as, de verspreiding van gierstteelt

Volgens Martine Robbeets was een tweede as langs dewelke Japonic zich verspreidde de verspreiding van gierstteelt naar het Koreaanse schiereiland. “Ik stel verder voor dat een prehistorische laag van ontlenen met betrekking tot de rijstlandbouw het Japans binnenkwam uit een zustertaal van proto-Austronesisch, in een tijd dat beide taalfamilies nog in de Shandong-Liaodong-interactiessfeer lagen.”[4]

Dr. Marc Vermeersch – marc.vermeersch@gmail.com

Deze blog over Toengoezisch en Japonic is een deel van de voorbereiding van Boek 4. De tekst zal waarschijnlijk verder bewerkt worden.
Marc Vermeersch, geschiedenis van de mens, Boek 4,
Het ontstaan van landbouw in China en de verspreiding in Oost-Azië, Zuidoost-Azië, Melanesië, Polynesië en Madagaskar.  

Ik ben dankbaar voor foutmeldingen, vragen en bijdragen.

[1] Serafim, Leon. 1999. Reflexes of Proto-Korea-Japonic mid vowels in Japonic and Korean. Paper presented at the Workshop on Korean-Japanese Comparative Linguistics, xivth International Conference on Historical Linguistics, Vancouver, BC, 1999
Janhunen, Juha. 1996. Manchuria: An Ethnic History. Mémoires de la Société Finno-Ougrienne 222. Helsinki: Suomalais-Ugrilainen Seura, 1996, p. 77-78 en p. 80-81.
De term ‘Japonic’ wordt soms ook gebruikt om enkel het Japans met zijn verschillende dialecten aan te duiden.

[2] Robbeets, Martine, Shared verb morphology in the Transeurasian languages: copy or cognate? In: Johanson, Lars & Robbeets, Martine (eds.) (2012). Copies vs. cognates in bound morphology. (Brill’s Studies in Language, Cognition and Culture.) Leiden: Brill, 427-446.

[3]Peninsular Japonic, https://en.wikipedia.org/wiki/Peninsular_Japonic

[4] Martine Robbeets, Austronesian influence and Transeurasian ancestry in Japanese, A case of farming/language dispersal, Language Dynamics and Change, 2017, N° 7, p. 210–251.


Geplaatst in China, Japonic, Korea, Toengoezisch, Transeuraziatisch, Uncategorized | Tags: , , , , | Een reactie plaatsen

De olifant van Schöningen 300.000 jaar geleden

Het skelet van een olifant, Palaeoloxodon antiquus, gevonden in Schöningen.

Wie in mijn eerste boek las kon er kennis maken met de verbazingwekkende vondsten in Schöningen (‘Schöningen (D), de oudste speer en veel meer, 400.000 BP’ op p. 215-217 in Marc Vermeersch, De geschiedenis van de mens. Deel I, Jagers en verzamelaars. Boek 1, van Pan tot Homo sapiens, 405 pagina’s.)
Deze speren waren zo goed dat “Dit is het eerste onweerlegbare bewijs dat de mens toen al systematisch, met planning, op grote zoogdieren jaagde en daartoe toen al over een grote technische kennis beschikte. Aan het Institut für Sport und Sportwissenschaft van de Universiteit van Heidelberg deed men testen met trouw nagebootste replica en men stelde vast dat deze speren fenomenale werpeigenschappen hadden die kunnen vergeleken worden met die van hedendaagse speren. Het zwaartepunt lag bijvoorbeeld op 1/3de van de lengte van de speren. De vindplaats in Schöningen bewijst dat de mens op dat tijdstip een zeer effectieve jager moet geweest zijn.” (p. 216)

Recent werd een nieuw vondst in Schöningen, Nedersaksen, bekend gemaakt: dat van het skelet van een olifant, Palaeoloxodon antiquus. In Schöningen werden vroeger ook resten van drie sabeltandkatten gevonden.
De onderzoekers denken dat de vrouwelijke olifant stierf van ouderdom, hij had veel sleet op de tanden, maar sluiten niet uit dat hij het slachtoffer werd van menselijke jagers. Olifanten gingen vaak naar de oevers van het meer om er te sterven. Voor mensen was jagen op olifanten gevaarlijk. Zeker is dat ook roofdieren zich te goed deden aan het vlees. Zij lieten sporen na op het skelet.
Het klimaat in Schöningen was toen gelijkaardig aan dat van vandaag. Er kwamen zeer veel dieren voor. Er kwamen minstens 20 grote zoogdiersoorten voor waaronder leeuwen, beren, sabeltandkatten, neushoorns, wilde paarden, herten en grote koeien.

Beeld van een olifant met rechte slagtanden en haar kalf.

De rechte slagtanden van de olifant waren 2,4 m lang. De olifant stierf aan de oever van een meer. Roofdieren aten van het karkas. De mens was daar ook bij. Er werden 30 kleine vuursteentjes gevonden inde omgeving van het karkas. Dertig is veel. Elk vuursteentje vertegenwoordigde een bepaalde hoeveelheid arbeid die er in was gegaan om het te bekomen, stukjes af te slaan tot het geschikt was om in en samengesteld werktuig geplaatst te worden. In de directe omgeving werden twee steentjes, microlieten, gevonden die perfect pasten in een bot, een samengesteld werktuig.

Homo heidelbergensis was het mensentype dat toen in Europa leefde.

stamboom van de olilfant. De kleine Afrikaanse bosolifant is het nauwtse verwant met de uit Afrika afkomstige Palaeoxodon die migreerde naar Eurazië. De mammoet was ook uit Afrika afkomstig maar zeer goed aangepast aan Eurazië door zijn sterke beharing.

De Euraziatische olifant, Palaeoloxodon antiquus, heeft 800.000 jaar geleden Afrika verlaten en is daarna Azië en Europa gaan koloniseren. Hij groeide uit tot een enorme omvang, groter dan de Afrikaanse olifant van vandaag, tot meer dan 4 meter hoog en met een gewicht van meer dan 10 ton. Hij gaf er de voorkeur aan om te leven in bossen, voedde zich met boombladeren en gras. Hij kon tot zes sets tanden in zijn leven krijgen. Recent genetisch onderzoek wees uit dat de Afrikaanse bosolifant (één van de twee Afrikaanse soorten, het nauwste verwant is met de Euraziatische, Palaeoloxodon antiquus.

Dr. Marc Vermeersch – marc.vermeersch@gmail.com

Zie ook:
Roeide de mens 400.000 jaar geleden olifanten uit in Zuidwest-Azië?

Geplaatst in olifanten, Palaeoloxodon antiquus, Schöningen (D) | Tags: | Een reactie plaatsen

Japonic, de taal voor Koreaans en Japans

Aan de Bohai Zee was er meer dan 3000 VOT (Voor onze tijd) handel. Van daaruit zou de landbouw zich nar Korea verspreiden en door Korea rond 900 VOT Japan bereiken. Die boeren spraken een Toengoezische taal, Japonic, die de basis zou worden van hedendaags Koreaans en Japans. Pas in de middeleeuwen zou Japonic in centraal- en Zuid-Korea verdrongen worden door Koreaans.

In Korea en Japan woonden voor de verspreiding van de uit China afkomstige landbouw en veeteelt jagers en verzamelaars. De boeren die Korea binnen kwamen, zeker via Noord-Korea, mogelijk ook over zee uit China, brachten een Transeuraziatische taal mee. De oudste vorm kreeg de naam ‘Japonic’ mee. Uiteindelijk zou dit ook in Japan verspreid worden.

De term ‘Japonic’ werd bedacht door Leon Serafim. De term werd door onderzoeker Juha Janhunen gebruikt om de historische varianten van de Japanse taal die op het Koreaanse schiereiland en op de Japanse eilanden, waaronder de Ryukyu-eilanden, werden gesproken, te beschrijven.[1] De Japonicdialecten in midden- en Zuid-Korea zouden later vervangen worden door het Koreaans dat in Noord-Korea gesproken werd.[2]

De achtergrond: zeevaart en handel in de Bohai Zee

Waarschijnlijk was er al een vrij ontwikkelde zeevaart in de Bohai Zee, tussen Shandong en Liaoning, meer dan 5000 jaar geleden. Er zijn geen archeologische vondsten die ons kunnen inlichten over de ontwikkeling en de eigenschappen van de boten waarover men toen beschikte. We mogen echter redelijkerwijs aannemen dat men in Shandong en gebieden aan de Bohai Zee zeewaardige boten had ontwikkeld.

Ter vergelijking. Wij weten met zekerheid dat de zeevaart in de vaak woeste Atlantische Oceaan tot in de 16de eeuw voornamelijk kustvaart was. Schepen vaarden bijna altijd langs de kusten want dat was veiliger. Dit kan 4500 à 5500 jaar vroeger gelijkaardig geweest zijn in Noordoost-China waar men zeewaardige boten kan hebben ontwikkeld die in open zee konden varen. Een indirect bewijs is dat weinig later de Austronesische zeevaart in een zeer korte periode, tussen ca. 3500 en 2500 VOT) over zee de Chinese landbouw zou uitdragen tot in Madagaskar en Paaseiland. Later zouden Polynesiërs met heel wat vernieuwingen fantastische boten bouwen maar ook in China had men in de 15de eeuw boten die veel beter waren dan de Europese van de 15de en de16de eeuw. Tussen 1405 tot 1433 zouden de Chinezen langs de kusten van Zuid-Azië varen en tot in Oost-Afrika doorvaren o.l.v. admiraal Zheng He. Zijn schepen hadden tot 4 dekken en waren meer dan twee keer zo lang, tot 125 meter, dan de grootste Europese houten schepen in de 15de eeuw.

Japonic in Liaoning

Liaoning is een provincie in het noordoosten van China die o.a. het schiereiland Liaodong omvat. Het grenst aan hedendaags Noord-Korea. De rivier Liao loopt door Liaoning.

Men sprak er tussen het 3de en 2de millennium de taal Japonic, een toengoezische taal. In de interactiesfeer tussen Liaoning en Shandong kwamen Austronesische termen uit de rijstlandbouw (die dan al bestond in Shandong) in Japonic terecht.

De Japanse talen op het schiereiland zijn nu uitgestorven talen maar werden volgens veel linguïsten vroeger gesproken in de centrale en zuidelijke delen van het Koreaanse schiereiland. Het bewijs bestaat uit plaatsnamen die in oude teksten zijn opgenomen, voornamelijk de Samguk sagi (samengesteld in 1145 op basis van eerdere verslagen). Japonic zou tot tijdens de middeleeuwen gesproken worden in midden- en Zuid-Korea gesproken worden maar dan vervangen door Koreaans uit het noorden van het schiereiland.[3]

Dr. Marc Vermeersch – marc.vermeersch@gmail.com

Deze blog over Transeuraziatisch is een deel van de voorbereiding van Boek 4. De tekst zal waarschijnlijk verder bewerkt worden.
Marc Vermeersch, geschiedenis van de mens, Boek 4,
Het ontstaan van landbouw in China en de verspreiding in Oost-Azië, Zuidoost-Azië, Melanesië, Polynesië en Madagaskar.  

Ik ben dankbaar voor foutmeldingen, vragen en bijdragen.

[1] Serafim, Leon. 1999. Reflexes of Proto-Korea-Japonic mid vowels in Japonic and Korean. Paper presented at the Workshop on Korean-Japanese Comparative Linguistics, xivth International Conference on Historical Linguistics, Vancouver, BC, 1999
Janhunen, Juha. 1996. Manchuria: An Ethnic History. Mémoires de la Société Finno-Ougrienne 222. Helsinki: Suomalais-Ugrilainen Seura, 1996, p. 77-78 en p. 80-81.
De term ‘Japonic’ wordt soms ook gebruikt om enkel het Japans met zijn verschillende dialecten aan te duiden.

[2] Robbeets, Martine, Shared verb morphology in the Transeurasian languages: copy or cognate? In: Johanson, Lars & Robbeets, Martine (eds.) (2012). Copies vs. cognates in bound morphology. (Brill’s Studies in Language, Cognition and Culture.) Leiden: Brill, 427-446.

[3]Peninsular Japonic, https://en.wikipedia.org/wiki/Peninsular_Japonic

Geplaatst in Japans, Japonic, Koreaans, taal, Toengoezische talen | Tags: , , | Een reactie plaatsen

De Transeuraziatische taalfamilie

undefined

Blauw = Turkse talen; Groen = Mongools, Rood = Toengoezische talen. Oranje = Koreaans; Purper = Japans; Donkerrood = Aino

Het begin van de Chinese landbouw en taalverspreiding

De Chinese landbouw breidde zich van zijn oorspronkelijk gebied aan de Gele Rivier uit naar het westen, het zuiden en het noordoosten. In het noordoosten ontstonden nieuwe culturen die in het begin gierst als voornaamste gewas teelden maar die nog in belangrijke mate afhingen van jagen en verzamelen.

De taal van deze eerste Chinese boeren, de voorloper van het hedendaagse Chinees (of Han) verspreidde zich met de migranten. Dit Oud Chinees versplinterde in vele dialecten waarvan sommige vandaag beschouwd kunnen worden als verschillende talen, zelfs taalfamilies zoals Tibetaans-Birmaans en Austronesisch, Tai-Kadai en Austroaziatisch. Eén van de tien grote taalfamilies in de wereld is Transeuraziatisch.[1]

Transeuraziatisch

In het gebied van de Rivier Liao, Liaoning, werd waarschijnlijk een taal gesproken die geen aanwijsbaar verband had met het oude Chinees, Transeuraziatisch.
Wat is Transeuraziatisch? Een “(…) grote groep geografisch aangrenzende talen, traditioneel bekend als ‘Altaïsch’, die een aanzienlijk aantal taalkundige eigenschappen gemeen hebben en tot vijf verschillende taalfamilies omvatten: Japans, Koreaans, Toengoezisch, Mongools en Turks.”(2)

Martine Robbeets stelde voor dat het thuisland van de Transeuraziatische taalfamilie, vanaf ca. 6000 VOT, het westen van de Liao River Vallei was, de Xinglongwa Cultuur in Noordoost-China. (Zie p. ??) Die was gebaseerd op gierstteelt maar ook het verzamelen van o.a. wortels en noten.

De rivier Liao in Noordoost-China, in de provincie Liaoning, wordt verondersteld het gebied te zijn waar Transeuraziatisch zijn ontwikkelde. Mongools, Turks, Toengoesisch, Koreaans en Japans en misschien Aino horen bij deze talfamilie.

Indo-Europees en Transeuraziatisch zijn twee taalfamilies die landbouw en veeteelt overnamen van een cultuur met een andere taal maar hun eigen taal behielden. Waarschijnlijk was de neolithische Xinglongwa Cultuur de eerste met een Transeuraziatische taaldie de landbouw die zich in China aan de Gele Rivier had ontwikkeld overnam. Dat moet gebeurd zijn in het zesde millennium VOT in het westen van het Liao Rivierbekken. Martine Robbeets: “Ik stel dat de scheiding van de Japanse tak van de andere Transeuraziatische talen en de verspreiding ervan naar de Japanse eilanden kan begrepen worden als een gevolg van de verspreiding van de gierstlandbouw en de daaropvolgende integratie met de rijstlandbouw. Verder suggereer ik dat een prehistorische laag van leenwoorden met betrekking tot de rijstlandbouw het Japans binnenkwam uit een moedertaal van het proto-Austronesisch, in een tijd dat beide taalfamilies nog in de Shandong-Liaoning-interactie sfeer lagen.”[1] In de Xinglongwa Cultuur teelde men varkens.


Indo-Europees en Transeuraziatisch zijn twee taalfamilies die landbouw en veeteelt overnamen van een cultuur met een andere taal maar hun eigen taal behielden. Waarschijnlijk was de neolithische Xinglongwa Cultuur de eerste met een Transeuraziatische taaldie de landbouw die zich in China aan de Gele Rivier had ontwikkeld overnam. Dat moet gebeurd zijn in het zesde millennium VOT in het westen van het Liao Rivierbekken. Martine Robbeets: “Ik stel dat de scheiding van de Japanse tak van de andere Transeuraziatische talen en de verspreiding ervan naar de Japanse eilanden kan begrepen worden als een gevolg van de verspreiding van de gierstlandbouw en de daaropvolgende integratie met de rijstlandbouw. Verder suggereer ik dat een prehistorische laag van leenwoorden met betrekking tot de rijstlandbouw het Japans binnenkwam uit een moedertaal van het proto-Austronesisch, in een tijd dat beide taalfamilies nog in de Shandong-Liaoning-interactie sfeer lagen.”(3) In de Xinglongwa Cultuur teelde men varkens.

Dr. Marc Vermeersch – marc.vermeersch@gmail.com

Deze blog over Transeuraziatisch is een deel van de voorbereiding van Boek 4. De tekst zal waarschijnlijk verder bewerkt worden.
Marc Vermeersch, geschiedenis van de mens, Boek 4,
Het ontstaan van landbouw in China en de verspreiding in Oost-Azië, Zuidoost-Azië, Melanesië, Polynesië en Madagaskar.  

Ik ben dankbaar voor foutmeldingen, vragen en bijdragen.

(1) Ze werd tot voor kort de Altaïsche genoemd. Transaziatisch

(2) Robbeets, Martine 2017. Japanese, Korean and the Transeurasian languages. In: Hickey, Raymond (ed.) The Cambridge handbook of areal linguistics (Cambridge Handbooks in Language and Linguistics.), 2017, Cambridge University Press.
Tot voor kort warden bij de Altaische talen Koreaans en Japans niet meegerekend terwijl ze er duidelijk bijhoren. De nieuwe term ‘Transeuraziatisch’ zet dat recht.

(3) Robbeets, Martine, Shared verb morphology in the Transeurasian languages: copy or cognate? In: Johanson, Lars & Robbeets, Martine (eds.) (2012). Copies vs. cognates in bound morphology. (Brill’s Studies in Language, Cognition and Culture.) Leiden: Brill, 427-446.

Geplaatst in Koreaans, Mongools, Toengoezische talen, Transeuraziatsich, Turkse talen, Uncategorized | Een reactie plaatsen

De grote Euraziatische vlakte en haar taalfamilies

De grote Euraziatische vlakte loopt van de Noordzee tot de Stille Oceaan. Ze was al van in de prehistorie een autostrade voor de uitwisselinga van mensen en technieken.

Deze blog over een belangrijk maar vrij onbekend begrip in de geschiedenis is een deel van de voorbereiding van boek 4. De tekst zal waarschijnlijk verder bewerkt worden.
Marc Vermeersch, geschiedenis van de mens, Boek 4,
Het ontstaan van landbouw in China en de verspreiding in Oost-Azië, Zuidoost-Azië, Melanesië, Polynesië en Madagaskar.  
Verschijnt in 2020.

Tussen West-Europa en de Stille Oceaan zijn geen grote bergketens. Die Euraziatische vlakte wordt slechts onderbroken door het Oeralgebergte dat niet hoog is. De hoogste top is er slechts 1894 m hoog. Het is ook niet breed, tussen 40 en 150 km. Het Oeral Gebergte heeft nooit een stam of een leger verhinderd om van west naar oost, of omgekeerd, te trekken.
De grote Euraziatische vlakte is altijd een zone geweest waar mensen, technieken en producten gemakkelijk uitwisselden. Homo sapiens vermengde er zich met de neanderthaler en met de mens van Denisova. Die laatste twee vermengden zich ook onderling.[1]
Zie bv.:90.000 BP: een 13-jarig meisje dochter van een neanderthalvrouw en een Denisovavader

De drie grote taalfamilies van de Euraziatische vlakte, Indo-Europees, Fins-Oegrisch en Transeuraziatisch, hebben onderling een verband. Proto-Indo-Europees werd ca. 5000 jaar geleden gesproken in de Pontisch-Kaspische steppe ten noorden van de Zwarte Zee. Men vermoedt dat het thuisland van de voorloper van de Fins-Oegrische talen ten zuiden van de Oeral was.

De Fins-Oegrische talen ontleenden veel woorden van het Indo-Europees. Onderzoekers zijn verdeeld over de stelling dat ze een gemeenschappelijke oorsprong hebben. Er zijn zeker ook verbanden tussen Fins, de meest westelijke Fins-Oegrische taal en de de Altaïsche talen Turks, Mongools en Toengoezisch. Er is minstens sterke wederzijdse beïnvloeding maar er zou kunnen een gemeenschappelijke oorsprong zijn. Het Transeuraziatische verband is misschien niet beperkt tot de talen die er vandaag bij gerekend worden. Het wordt niet door alle onderzoekers bewezen geacht, maar verschillende paleosiberische talen kunnen een gemeenschappelijke oorsprong hebben in het Traneuraziatisch. De taal van de Jomon, die verder leeft bij de Japanse Aino, wordt niet bij de paleosiberische talen gerekend maar de Aino zijn genetisch verwant met de Siberische Nivkhs die een paelosiberische taal spreken. Ze kwamen uit Oost-Siberië naar Japan. Er zijn overeenkomsten tussen Aino en Japans v.w.b. woordenschat, grammaticale woord orde en fonologie. Dus toch geen verband?

Dr. Marc Vermeersch – marc.vermeersch@gmail.com

Deze blog over de oudste religie van Tibet is een deel van de voorbereiding van het boek. De tekst zal waarschijn verder bewerkt worden.
Marc Vermeersch, geschiedenis van de mens, Boek 4,
Het ontstaan van landbouw in China en de verspreiding in Oost-Azië, Zuidoost-Azië, Melanesië, Polynesië en Madagaskar.  

Ik ben dankbaar voor foutmeldingen vragen en bijdragen.


[1] Er werden vrij recent overblijfselen van een 13-jarig meisje gevonden, dochter van een neanderthalvrouw en een Denisovavader. De botten waren 90.000 jaar oud. Bron

Geplaatst in Euraziatische vlakte | Een reactie plaatsen