De verhouding man-vrouw (1b) chimpansees en bonobo’s

bonobo chimpansee
Bij de bonobo’s zijn de vrouwen baas, een matriarchaat, dank zij hun bondgenootschappen. Bij de chimpansees zijn de mannen baas dank zij hun bondgenootschappen en geweld.
De relatie tussen man en vrouw wordt ook gekenmerkt door onderdrukking van de vrouw. De vrouw wordt echter niet in alle maatschappijen onderdrukt. Een aantal maatschappijen waarin man en vrouw globaal gelijk zijn zullen besproken worden. Wij gaan in deze reeks op zoek de voornaamste mechanismen waarmee de vrouw onderdrukt en onderdrukt gehouden wordt.
Het is geen geheim. De vrouw wordt onderdrukt door (1) mannelijke bondgenootschappen, (2) door geweld en (3) door ideologie.
Onze genetisch nauwste verwanten, chimpansees en bonobo’s, maken ons veel duidelijk.

De chimpansees in Gombe (Tanzania)

Als een chimpanseemannetje de volwassenheid nadert zal hij plots meer doen dan vrouwtjes plagen. Hij wordt systematisch brutaal tegen hen. Liefst uit het zicht van andere mannetjes die partij zouden kunnen kiezen. Hij blijft slaan en aanvallen tot de vrouwtjes aanvaarden dat hij boven hen staat. Volwassen chimpansees vallen ook herhaaldelijk vrouwtjes aan zonder directe reden. Volgens Jane Goodall kan een volwassen mannetje dat niet kreupel of zeer oud is een vrouwtje dwingen om met hem te copuleren. Vrouwtjes die in hun vruchtbaarste dagen zijn worden dusdanig lastig gevallen door mannetjes dat ze na zonsondergang nog een uur moeten eten als alle andere leden van de groep al slapen in hun nest. Zij houden ook regelmatig wonden over aan de periode dat ze meest achtervolgd worden. Rivaliteit en agressie tussen vrouwen

Toen men tijdens de winter, als de mensapen in Arnhem binnen bleven, een bepaalde tijd mannen en vrouwen gescheiden hield –een onnatuurlijke situatie– vochten de mannen niet meer maar de vrouwen steeds vaker. De bewakers hadden geen vat meer op de situatie en zagen geen andere uitweg dan de mannen weer bij de vrouwen te brengen. De bewakers die de agressies van de vrouwen op afstand gehoord en gevolgd hadden “(…) haastten zich de kooi van de vrouwen binnen en maakten onmiddellijk een einde aan de gevechten. Een aantal dagen later moesten we dezelfde truc nog een keer uithalen met hetzelfde effect. Ik had vrouwelijke chimpansees elkaar nog nooit zo te lijf zien gaan. Om te voorkomen dat ze elkaar nog meer zouden verwonden besloten we de kolonie bij elkaar te houden.” (de Waal, 1982, p. 260)

Macht en onmacht van de vrouwen bij chimpansees en bonobo’s Het is verkeerd te denken dat bij zoogdieren de mannetjes in een groep altijd de macht hebben. De hyena is één van de agressiefste zoogdieren ter wereld. “In een gewelddadige omgeving, die wordt bevolkt door humeurige wilde dieren zoals leeuwen, neushoorns en Kaapse buffels, is de gevlekte hyena de wildste van allemaal. Hoewel hij niet groter is dan een flinke hond, valt een hyena in zijn eentje een gnoe aan die vijfmaal groter is dan hij, en in een meute jagen ze op dieren die zo groot zijn als een volwassen zebra.” Bij deze succesvolle soort hebben vrouwen de macht. Ze zijn dominant, agressiever dan mannetjes, ze leiden de jacht en zijn zelfs iets zwaarder dan mannetjes, waarschijnlijk omdat ze beter gevoed zijn. Ze hebben ook meer testosteron. Vrouwelijke hyena’s zijn i.t.t. vrouwelijke chimpansees agressief omdat hun agressiviteit voedsel opbrengt bij de jacht.

Een chimpanseevrouwtje zal vaak met haar nakomelingen voor meerdere dagen verdwijnen uit de groep als ze haar regels heeft. Vaak in gezelschap van één enkel mannetje. Dit samen optrekken is aantrekkelijk voor een man omdat hij als enige het vrouwtje seksueel voor zich heeft. Mannetjes zullen er alles aan doen om een vrouwtje op zo’n tocht mee te krijgen: attenties, vlees, vlooien maar als vriendelijkheid niet helpt zullen ze vaak ook geweld gebruiken tot het vrouwtje volgt. Vrouwen hebben in het wild en in dierentuinen vaak een duidelijke voorkeur voor een bepaalde partner en zorgen er dan regelmatig voor dat ze aan de aandacht van het alfamannetje ontsnappen. Die voorkeur gaat soms zo ver dat onderzoekers geneigd zijn om van verliefdheid te spreken. Seksuele exclusiviteit hoort er als regel echter niet bij. Als vrouwen zonder onderscheid met alle mannen zouden paren dan zou seksuele dwang niet bestaan.

Dat wil niet zeggen dat chimpanseevrouwen geen macht hebben. Ze werken in een groep vaak samen om mannetjes in toom te houden maar ze trekken vaak ook rond in het woud met hun kroost alleen waar ze geen bondgenootschappen met andere vrouwen kunnen aangaan. In dierentuinen kunnen ze dat gemakkelijk waardoor ze daar meer macht hebben dan in het woud. Een studie van 18 chimpansee- en 4 bonobogroepen over een periode van 5 decennia gaf volgende resultaten: 152 moorden/doodslagen. In 92% van de gevallen waren mannen de aanvallers en in 73% slachtoffers. In 66% van de gevallen ging het om geweld tussen verschillende groepen waarbij de aanvallers veel talrijker, een verhouding van 8/1, waren dan de aangevallenen. De auteurs besluiten dat geweld een adaptieve strategie is: de winnaars bekomen meer bronnen als voedsel en meer partners.

Soms speelt de eigen cultuur van een bepaalde groep een belangrijke rol. In het Kibalewoud van Oeganda hebben sommige mannetjes zich de gewoonte eigen gemaakt om vrouwtjes te slaan met grote houten knuppels. Omdat dit in andere chimpanseegroepen niet voorkomt is het geen aangeboren gedrag. Het gedrag om vrouwen te domineren is bij mannelijke chimpansees waarschijnlijk wel aangeboren.[1]

Nauwelijks geweld bij bonobo’s, vrouwen hebben de macht

Bij de bonobo’s zijn de vrouwtjes dominant. Er is net als bij de chimpansees een alfavrouw en een alfaman. De vrouwen hebben de macht omdat ze coalities sluiten. Als er strijd is dan ziet een man zich meestal tegenover twee of meerdere vrouwtjes geplaatst en gaat bijvoorbeeld het voedsel eerst naar de vrouwen. Bij de chimpansees is het altijd een mannetje die eigenaar is van het gevonden voedsel ook al werd het gevonden door een vrouw.[2]

Seks en exogamie

Bij chimpansees kunnen alle mannetjes in principe seks hebben met alle geslachtsrijpe vrouwtjes. De praktijk is complexer. Een groep wordt geleid door een alfamannetje en zijn bondgenoten. Zij hebben meer seks dan andere mannen en zeker meer dan de jongste mannetjes die ze van de vrouwen afhouden. Er is dus controle maar de alfaman en zijn bondgenoten kunnen niet beletten dat de vrouwen ook kiezen met wie ze seks hebben. Door list en misleiding komen veel meer mannetjes aan hun trekken dan op het eerste gezicht mogelijk lijkt.

Zowel bij bonobo’s als bij chimps gaat de voorkeur naar oudere vrouwtjes. Volgens Frans de Waal moeten de jongere vrouwen bijna smeken om seks terwijl de oudere vrouwtjes gewoon wachten tot de mannetjes naar hen toe komen.

Bij bonobo’s liggen de zaken anders. De vrouwtjes hebben er de leiding maar de mannetjes hebben er bij manier van spreken zoveel seks als ze aankunnen. Net zoals de mens copuleren bonobo’s in verschillende posities, gedurende het grootste deel van de maand en tussen alle leeftijden. Ze kennen ook orale seks. Conflicten zijn dus niet nodig, integendeel, potentiële conflicten worden voorkomen door een potje vrijen. De vruchtbare periode van een bonobovrouwtje duurt langer dan bij een chimpanseevrouw. Bonobovrouwen hebben vijftig procent van hun cyclus een gezwollen achterwerk, chimpanseevrouwen slechts vijf procent van hun cyclus. Bij bonobo’s staat seks in hoge mate los van de vruchtbaarheid. De bonobovrouwen hebben een sterk ontwikkelde clitoris en hebben orgasmes. Ze masturberen ook, wat bij chimpanseevrouwen zelden voorkomt.

Bij de chimpansees zijn alle mannetjes bloedverwanten: broers, vaders, ooms enz. Waarschijnlijk houdt dit de tegenstellingen en de spanningen in de groepen binnen de perken. Door verminderde seksuele concurrentie is het seksuele dimorfisme, 80%, bij chimpansees relatief klein. Bij gorilla’s is die concurrentie sterker en dat brengt een groot seksueel dimorfisme mee, 50%. Gorillamannen zijn veel groter dan gorillavrouwen. Mensen en bonobo’s hebben een klein seksueel dimorfisme, 85%, wat inhoudt dat vrouwen 85% van de omvang van mannen hebben.

Chimpansees en bonobo’s kunnen hun broers en zusters van hun andere verwanten onderscheiden. Er is exogamie (huwen buiten de groep) en vermijding van incest (geen seks met ouders, broers, zusters, kinderen). Incest tussen broer en zuster komt bij chimpansees zelden voor. Vrouwtjes verzetten zich tegen seks met hun broers. Er is een voorbeeld bekend van een vrouwtje dat tegen haar zin, met geweld, door haar broer werd genomen, een verkrachting.

Grotere groepen kunnen enkel bestaan als er voldoende voedselaanbod is. Als het klimaat seizoenen kent heeft dit een invloed op het aanbod, dat naar gelang het seizoen groter of kleiner is. Er vormen zich dan kleinere of grotere groepen chimps die apart rond trekken.

Moeders hebben noch bij chimps noch bij bonobo’s geslachtsgemeenschap met hun zonen. Aangezien vrouwtjes met meerdere mannetjes copuleren weet men niet wie de vader van de kinderen is. De dochters die het gevolg zijn van deze betrekkingen kunnen eenmaal volwassen gemeenschap hebben met hun vaders als ze de groep niet hebben verlaten. Deze vorm van incest is bij chimpansees onvermijdelijk.

Bij bonobo’s zijn geen gevallen van verkrachting bekend. In groepen bonobo’s is veel minder agressie aanwezig dan bij gewone chimpansees.

Matriarchale maatschappijen bij zoogdieren

Bij zoogdieren komen verschillende soorten voor waar de vrouwtjes de macht hebben: hyena’s, orka’s, rhesusapen, slingerapen, en bonobo’s. “Rhesus monkeys live in matriarchal societies, with mothers ranking above their daughters (and supporting them in fights) until they are very old. There is also a hierarchy of matriarchal units that is determined by relations between dominant female in each group. The situation in which family members will come to the aid of a female or not are usually defined by the ranking of the adversary. Rankings are sometime dramatically altered when females are claimed by disease or predators.”[3]  

“Spider monkey (slingerapen) troops are matriarchal, meaning the females play a leadership role. Females actively choose their mates when breeding, and tend to make the decisions for the group. Wildlife Waystation notes that even the group size is ultimately determined by the alpha female of the troop.”[4]

Bij de mens is geen enkele maatschappij bekend waar vrouwen de macht hebben of hadden.

Dr. Marc Vermeersch  – marc.vermeersch@gmail.com
De verhouding man-vrouw (1a) chimpansees en bonobo’s
De verhouding man-vrouw (1b) chimpansees en bonobo’s

[1] Marc Vermeersch, De geschiedenis van de mens. Deel I, Jagers en verzamelaars. Boek 1, van Pan tot Homo sapiens,, Hoofdstuk I..

[2] Marc Vermeersch, De geschiedenis van de mens. Deel I, Jagers en verzamelaars. Boek 1, van Pan tot Homo sapiens, p. 45-47.

[3] http://factsanddetails.com/asian/cat68/sub430/item2483.html 

[4] https://www.mnn.com/earth-matters/animals/blogs/5-surprising-facts-spider-monkeys 

Advertenties
Geplaatst in bonobo, chimpansee, man-vrouw, Uncategorized | Tags: | Een reactie plaatsen

De verhouding man-vrouw (1a) chimpansees en bonobo’s

Man vrouw 2 stamboom mens
De stamboom van de voorlopers van de mens, zijtakken en de mens/Homo, zelf
De relatie tussen man en vrouw wordt ook gekenmerkt door onderdrukking van de vrouw. De vrouw wordt echter niet in alle maatschappijen onderdrukt. Een aantal maatschappijen waarin man en vrouw globaal gelijk zijn zullen besproken worden. Wij gaan in deze reeks op zoek de voornaamste mechanismen waarmee de vrouw onderdrukt en onderdrukt gehouden wordt.
Het is geen geheim. De vrouw wordt onderdrukt door (1) mannelijke bondgenootschappen, (2) door geweld en (3) door ideologie.
Onze genetisch nauwste verwanten, chimpansees en bonobo’s, maken ons veel duidelijk.   

Biologie en cultuur

Alle mensen hebben dezelfde biologische basis. Homo sapiens is een jonge soort die weinig genetische verscheidenheid heeft. In tegenstelling met b.v. Pan (bonobo’s en chimpansees) die, relatief gezien even oud zijn, maar een tien keer grotere verscheidenheid hebben.[1]

Bij de voorlopers van de mens en bij de mens zelf zijn er de afgelopen zes miljoen jaren meerdere types geweest in (voornamelijk) oostelijk Afrika. Ze moeten een redelijk grote genetische verscheidenheid gehad hebben. Homo sapiens is de enige van die soorten en mensentypes die is blijven bestaan maar in Homo sapiens blijven genen bestaan van oudere mensentypes. Waaronder:
–          In West-Afrika: YA00. Dit is een mannelijk Y-chromosoom dat enkele jaren geleden werd gevonden en voorkomt bij twee stammen in Kameroen, West-Afrika. YA00 is van een verder onbekend mensentype dat als enige tot vandaag nog zijn Y-chromosomen heeft kunnen doorgeven.
–          Homo neanderthalensis
–          Homo Denisova
–          Homo X, een mensentype waarvan  we enkel genetische informatie hebben en minstens in Siberië voorkwam.

Natuurlijke selectie speelde een grote rol in oostelijk Afrika waar de grote veranderingen van het klimaat voor een grote en snelle natuurlijke selectie zorgden.
Man vrouw 1 gebied Pan
Het verspreidingsgebied van bonobo’s en chimpansees.

Biologische verschillen v.w.b. seks bij chimpansees en bonobo’s

Chimpansees en bonobo’s zijn nauw verwante mensapen. Bonobo’s leven op de linkeroever van de Kongostroom. Samen vormen ze het geslacht Pan. Bij chimpansees kunnen alle mannetjes in principe seks hebben met alle geslachtsrijpe vrouwtjes. De praktijk is complexer. Een groep wordt geleid door een alfamannetje en zijn bondgenoten. Zij hebben meer seks dan andere mannen en zeker meer dan de jonge mannetjes die ze van de vrouwen afhouden als ze kunnen. Er is dus controle maar de alfaman en zijn bondgenoten kunnen niet beletten dat de vrouwen ook kiezen met wie ze seks hebben. Door list en misleiding komen veel meer mannetjes aan hun trekken dan op het eerste gezicht mogelijk lijkt.

Zowel bij bonobo’s als bij chimps gaat de voorkeur naar oudere vrouwtjes. Volgens Frans de Waal moeten de jongere vrouwen bij chimpansees bijna smeken om seks terwijl de oudere vrouwtjes gewoon wachten tot de mannetjes naar hen toe komen.

Bij bonobo’s liggen de zaken anders. De vrouwtjes hebben er de leiding, het is een echt matriarchaat, maar de mannetjes hebben er bij manier van spreken zoveel seks als ze aankunnen. Net zoals de mens copuleren bonobo’s in verschillende posities, gedurende het grootste deel van de maand en tussen alle leeftijden. Ze kennen ook orale seks. Conflicten zijn dus niet nodig, integendeel, potentiële conflicten worden voorkomen door een potje vrijen. De vruchtbare periode van een bonobovrouwtje duurt langer dan bij een chimpanseevrouw. Bonobovrouwen hebben vijftig procent van hun cyclus een gezwollen achterwerk, chimpanseevrouwen slechts vijf procent van hun cyclus. Bij bonobo’s staat seks in hoge mate los van de vruchtbaarheid. De bonobovrouwen hebben een sterk ontwikkelde clitoris en hebben orgasmes. Ze masturberen ook, wat bij chimpanseevrouwen zelden voorkomt.

Bij de chimpansees zijn alle mannetjes bloedverwanten: broers, vaders, ooms enz. Waarschijnlijk houdt dit de tegenstellingen en de spanningen in de groepen binnen de perken. Door verminderde seksuele concurrentie is het seksuele dimorfisme (fysiek verschil tussen man en vrouw), 80%, bij chimpansees relatief klein. Bij gorilla’s is die concurrentie sterker en dat brengt een groot seksueel dimorfisme mee, 50%. Gorillamannen zijn veel groter dan gorillavrouwen. Mensen en bonobo’s hebben een klein seksueel dimorfisme, 85%, wat inhoudt dat vrouwen 85% van de omvang van mannen hebben.

Chimpansees en bonobo’s kunnen hun broers en zusters van hun andere verwanten onderscheiden. Er is exogamie (huwen buiten de groep) en vermijding van incest (geen seks met moeder, broers, zusters, kinderen). Incest tussen broer en zuster komt bij chimpansees zelden voor. Vrouwtjes verzetten zich tegen seks met hun broers. Er is een voorbeeld bekend van een vrouwtje dat tegen haar zin, met geweld, door haar broer werd genomen, een verkrachting. De vaders zijn niet bekend bij de Pan. Vrouwtjes verlaten zowel bij chimpansees als bonobo’s de groep waar ze geboren zijn als ze geslachtsrijp zijn en sluiten aan bij een andere groep, dat vermijdt incest met de vader. Bij grote groepen, voornamelijk de bonobo’s, kan het gebeuren dat vrouwtjes bij de groep blijven. Bij grote groepen is het risico op incest kleiner. Waarnemingen maken duidelijk dat dit niet altijd het geval is. Het in volgend punt vermelde vrouwtje Passion leefde met haar dochters en kleindochters in dezelfde groep. Chimpanseemannetjes patrouilleren langs de grenzen van hun territorium en proberen om jonge vrouwtjes die rondzwerven naar hun groep te brengen.

Grotere groepen kunnen enkel bestaan als er voldoende voedselaanbod is. Als het klimaat seizoenen kent heeft dit een invloed op het aanbod, dat naar gelang het seizoen groter of kleiner is. Er vormen zich dan kleinere of grotere groepen chimps die apart rond trekken. Moeders hebben noch bij chimps noch bij bonobo’s geslachtsgemeenschap met hun zonen. Aangezien vrouwtjes met meerdere mannetjes copuleren weet men niet wie de vader van de kinderen is. De dochters die het gevolg zijn van deze betrekkingen kunnen eenmaal volwassen gemeenschap hebben met hun vaders als ze de groep niet hebben verlaten. Deze vorm van incest is bij chimpansees onvermijdelijk. Bij bonobo’s zijn geen gevallen van verkrachting bekend. In groepen bonobo’s is veel minder agressie aanwezig dan bij gewone chimpansees.[2]

Er zijn belangrijke biologische verschillen tussen de nauw verwante (ca. 2 miljoen jaar geleden gesplitste) bonobo’s en chimpansees. De levensomstandigheden zijn voor de bonobo’s op de linkeroever van de Kongostroom veel gemakkelijker (veel voedsel) dan voor chimps in de andere gebieden.

De verhouding Man-Vrouw bij chimpansees en bonobo’s

Geweld van mannen tegen vrouwen bij Pan

In een chimpanseegroep zijn het de mannen die de macht hebben. Die macht hebben ze niet zomaar, ze is gebaseerd op bondgenootschappen en geweld. Adolescente chimps laten zich vaak gelden door rond te springen en ‘en passant’ slagen uit te delen aan vrouwen. Als ze volwassen zijn gebeurt dit minder maar in het dierenpark werd meer dan eens gezien dat de man Luit vrouwen aanviel.[3]

Chimpanseevrouwen zijn niet weerloos. Ze sluiten onderling coalities die een belangrijke rol spelen in het bekomen en behouden van de macht van alfamannen. Yeroen bleef langer aan de top dank zij de steun van vrouwen. In tegenstelling tot Luit die hen grotendeels tegen zich had gekeerd. De macht die vrouwen hebben bij chimpansees, hebben ze niet toevallig opgebouwd maar wel als noodzakelijk tegengewicht tegen mannelijke macht en het geweld.[4]

Vrouwen worden vaak streng en hard door de mannen behandeld. (de Waal, 1982, p. 86) Mannen bijten vrouwen weleens maar dan alleen met hun snijtanden niet met hun machtige hoektanden. Vrouwen bijten meer in gevechten, zowel met mannen als vrouwen, maar ze hebben veel kleinere hoektanden en richten daardoor minder schade aan. (de Waal, 1982, p. 122)

[1] Chimps show much greater genetic diversity than humans, Science, 2012
“Groups of chimpanzees within central Africa are more different genetically than humans living on different continents, an Oxford University-led study has found” http://www.ox.ac.uk/news/2012-03-02-chimps-show-much-greater-genetic-diversity-humans#

[2] Marc Vermeersch, De geschiedenis van de mens. Deel I, Jagers en verzamelaars. Boek 1, van Pan tot Homo sapiens, p. 30-31.

[3] Frans de Waal, Chimpanseepolitiek, 1982, p. 115.

[4] Frans de Waal, Chimpanseepolitiek, 1982, p. 65.

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

1302, Klassenstrijd in Vlaanderen (9. Weerklank van 1302 in Europa)

De nederlaag van de Fransen had een weerklank in heel Europa. “’Het was een bijna onmogelijke gebeurtenis’, schreef de Florentijnse bankier Giovanni Villani enkele jaren na de slag bij Kortrijk. ’Deze nederlaag haalde de eer, de status en de roem van de oude adel neer, en de dapperheid van de Fransen. De bloem van de ridderschap van de wereld was verslagen en vernederd door haar eigen onderdanen, en door het laagste volk ter wereld: wevers, folders en ander gewone handwerkers en ambachten en neringen; luit hoegenaamd niet ervaren waren in het oorlog voeren; lui die het minachting voor een lage rang door alle naties van de wereld konijnen vol met boter genoemd worden; en die door deze overwinning zo dapper en hoogmoedig werden dat één Vlaming te voet met zijn goedendag het aandurfde te strijden tegen twee Franse ridders te paard‘” Dat laatste was uiteraard overdreven maar het onderlijnt de straffe indruk die 1302 had in Europa.

“Een dergelijke klap tegen het machtigste leger van West-Europa kon niet anders dan de vele vijanden van de koning van Frankrijk in beweging brengen. Veltem vermeldt hoe die van Toloyse (Toulouse, MV) het nieuws uit Vlaanderen vernamen en opstandig werden. Die uitspraak slaat op het graafschap Toulouse en de Languedoc, de gebieden die driekwart eeuw voordien door de Fransen bloedig waren onderworpen en geannexeerd bij de kroon onder het mom van een kruistocht tegen de ketterse Katharen.  (…) Ook in Bordeaux brak korte tijd na Kortrijk een opstand uit tegen de Franse koninklijke ambtenaren die de stad van de Engelse koning al acht jaar regeerden.

Edward I, die nog steeds de handen vol had met de oproerige Schotten, zou van Kortrijk profiteren om een jaar later Bordeaux en Aquitanië weer van Philips af te dwingen. (…) Een half jaar na de Franse nederlaag zag ten slotte ook de Duitse Roomse Koning Albrecht van Oostenrijk de kans schoon om van kant te wisselen en zijn bondgenootschap met de Franse koning in te ruilen voor één met de paus. Die riep prompt de bevolking van de Provence, van het graafschap Bourgondië en van Lotharingen op zich te verzetten tegen de toenemende Franse invloed.” (Verbruggen en Falter, p. 171)

De gevolgen in de rest van de Nederlanden

 “Het is moeilijk de impact van de overwinning van de Vlaamse gemeentenaren bij Kortrijk en de gebeurtenissen die daarop volgden te overschatten. Sociale onrust in de steden bestond ook al in de andere vorstendommen van de Lage Landen, maar kwam na de successen van de Bruggelingen tot een hoogtepunt. In Doornik, een stad die rechtstreeks onder het gezag van de koning stond, was de onrust na de Goede Vrijdag van Brugge zo groot dat het stadsbestuur al contact met Bruggelingen verbood. In het Henegouwse Valenciennes kwam het volk op 24 mei 1302 in opstand, maar de poorters kregen snel weer greep op hun stad en lieten 15 opstandelingen onthoofden. In het hertogdom Brabant vond in de twee jaar na de slag van Kortrijk opstanden plaats in Brussel, Leuven, Zoutleeuw, en ‘s-Hertogenbosch. De ambachten maakte geen sommige van die steden meester van het bestuur, werden weer verdrevenen 1306, maar dwongen zes jaar later van hertog Jan II toch het charter van Kortenberg af, dat hen definitief een plaats bezorgde in het bestuur van het hertogdom. In het prinsbisdom Luik, waar het al enkele jaren onrustig was om A kwamen de ambachten en 1303 in opstand tegen de nieuwe belasting, en kregen ze eveneens een flinke vertegenwoordiging in het stadsbestuur. Ook daar bleef de onrust jaar nadien aanslepen.

In deze tijden, toen dit geschiedde schreef de Antwerpse stadsambtenaar Jan van Boendale enkele tientallen jaren later, ‘gingen al de gewone lieden in alle landen samenzweren en kwamen ze in opstand tegen hun heren, zodat de heren het onderspit moesten delven en de gemeente[1] het bewind voerde, een wonderbaar feit.’ (…) Het patroon zou zich de hele 14de eeuw herhalen, met telkens de steden van het graafschap Vlaanderen in de vuurlijn. Uiteindelijk verwierven de steden in heel de Lage Landen een vaste plaats in de politieke besluitvorming van hun vorstendommen.”(…)

“Het voorbeeld van Vlaanderen bracht een volksbeweging aan de gang in andere vorstendommen. Handwerkslieden in het Luikse en in Brabant werden toegelaten tot overheidsambten in 1303. Maar de patriciërs, die daar machtiger bleven dan in Vlaanderen, gingen hiertegen in en werden pas voorgoed verdreven uit het bestuur van Luik in 1384, of dat van Sint-Truiden in 1393, na een langdurige strijd. Zij moesten uiteindelijk de macht delen met het gewone volk in de andere steden in het Luikse (Hoei in 1342, Dinant in 1348) en Brabant (Leuven in 1378, Brussel in 1421 en Antwerpen in 1435). De volkspartij de macht in Utrecht in 1304 en kreeg een aandeel in het bestuur van Dordrecht in 1367. In de andere Nederlandse steden was de nijverheid niet krachtig genoeg vertegenwoordigd om op deze manier voor haar belangen op te komen of zelfs een politieke erkenning te verwerven.” (Verbruggen en Falter, p. 176-177)

Niet het einde

Na 1302 zou de strijd niet eindigen. Filips de Schone zou in 1304 opnieuw met een leger oprukken en in een veldslag in bij de Pevelenberg op 18 augustus 1304er opnieuw niet in slagen de Vlamingen te verslaan. In die slag scheelde het geen haar of hij sneuvelde. Zijn paard werd geveld en omdat hij de koninklijke kleuren niet droeg kon hij aan de dood ontsnappen. Wat de Fransen toen misten op het slagveld maakten ze goed aan de onderhandelingstafel. Bij de vrede van Athis wonnen de Fransen wat ze op het slagveld verloren. Vlaanderen moest grote sommen aan de Franse koning betalen in ruil voor vrede. Toen het akkoord gesloten was besloot Filips dat de ponden niet zijn vervalste ponden moesten zijn maar oorspronkelijke niet-vervalste die drie keer zoveel waard waren. De strijd voor vrijheid zou nog tienallen jaren duren. Toen Frankrijk de honderdjarige oorlog, van 1337 tot 1453 voerde, verloor het zijn aandacht voor Vlaanderen.
1302 kaart rijks- en kroonvlaanderen

Het graafschap Vlaanderen rond 1302. De rode stippellijn is de scheiding tussen het deel dat bij Frankrijk hoorde, Kroon-Vlaanderen en Rijks-Vlaanderen dat hij het Heilig Roomse Rijk hoorde. De Zeeuwse eilanden Walcheren, Noord-Beveland, Zuid-Beveland, Wolphaartsdijk, Borssele, Baarland en Rilland die ten westen van de oude hoofdarm van de Schelde, vandaag de Oosterschelde, lagen, hoorden ook bij Frankrijk, maar niet bij Vlaanderen.

Besluit

Er was wel degelijk klassenstrijd in de middeleeuwen in Vlaanderen. De Franse koning, een vertegenwoordiger van de klassieke grote adel stelde zich op als een buitenlandse veroveraar en slaagde er in een coalitie van alle ambachten, een groot deel van de poorters/burgers, de vrije kustboeren en de Vlaamse adel tegen zich te krijgen.

De goed georganiseerde en bewapende Vlaamse ambachten waren de ruggengraat van het verzet. Zij stonden voor de veldslag onder leiding van adellijke militairen met ervaring.

1302 is slechts één etappe in de duizendjarige strijd voor democratie en welvaart. De begon toen de steden zich vanaf het jaar 1000 zelfstandig organiseerden en rechten van adel en kloosters vroegen en afdwongen. Die strijd zou verder gaan in de zestiende eeuw toen opstanden en een echte revolutie tegen de Spaanse overheersing leidden tot de Nederlandse republiek. Die zou vooral in de zeventiende eeuw een vrijplaats worden en zo de geboorteplaats van de Verlichting waar de grote Spinoza een hoofdrol speelde maar waar veel andere Nederlanders tot in de achttiende eeuw de belangrijkste rol zouden spelen. De rol van de zuidelijke Nederlanden in de Verlichting was zo goed als onbestaande. De fakkel werd terug opgenomen vanaf de Brabantse revolutie in 1789 en 1790, en werd verder gezet toen de eerste socialisten zich verenigden in vakbond en de BWP.  De strijd voor democratie en een redelijk loon zal waarschijnlijk nooit definitief gestreden zijn

Dr. Marc Vermeersch, marc.vermeersch@gmail.com

[1] Gemeente is hier afgeleid van ‘gemeen’, het volk, de ambachten.

1302, Klassenstrijd in Vlaanderen (1, economie)
1302, Klassenstrijd in Vlaanderen (2, wol en landwinning)
1302, Klassenstrijd in Vlaanderen (3, sociale klassen)
1302, Klassenstrijd in Vlaanderen
(4, invloed, kunst enz.)
1302, Klassenstrijd in Vlaanderen (5, handel)

1302, Klassenstrijd in Vlaanderen (6, Brugse Metten)
1302, klassenstrijd in Vlaanderen (7, politiek, aanloop naar 1302)
1302, klassenstrijd in Vlaanderen (8. Elf juli, de veldslag)
1302, Klassenstrijd in Vlaanderen (9. Weerklank van 1302 in Europa)

Bibliografie

Jan Frans Verbruggen en Rolf Falter, 1302, Opstand in Vlaanderen, Lannoo, 2001.

Ubertinus Devolder, o.f.m., Ronny Ostyn, Paul Vandepitte, het reisverhaal van Willem van Rubroek, de Vlaamse Marco Polo: 1253-1255, de roede van Tielt, 1984.

J.A. van Houtte, economische geschiedenis van de Lage Landen 800-1800, Unieboek, 1979. Oorspronkelijke titel: An economic History of the Low Coutries 800-1800, in de reeks World Economic History.

Aansluitende lectuur

Jacques Sabbe, Vlaanderen in opstand 1323-1328. Over de opstand van het Brugse Vrije.

Wim Blockmans, een mideeleeuwse vendetta. Gent 1300.

De moordende strijd tussen twee Gentse families, de Borluuts en de familie de Brune.  Met veel gelijkenissen met vendetta’s in Italiaanse steden.

Heymeric van de Velde, Eenheid in de tegendelen.

De vandaag onbekende Heymeric van de Velde, 1395-1435, was een Brabantse monnik en filosoof die een vijftigtal  werken schreef.

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

1302, klassenstrijd in Vlaanderen (8. Elf juli, de veldslag)

1302 de veldslag ME schilderijEr waren naar schatting tussen 2600 en 3700 strijders uit Brugge waaronder 320 kruisboog­schutters, geholpen door 160 knapen. Dat bleek uit de stadsrekeningen. Er was vermoedelijk een even groot contingent uit de omgeving van Oudenaarde, Aalst en Kortrijk samen met de 700 Gentenaars van Jan Borluut. Er was een groep uit het Brugse Vrije en 500 Ieperlingen. Langs de weg naar Gent stonden 500 man reservetroepen onder leiding van de Zeeuw Jan van Renesse. In totaal moeten er langs Vlaamse kant tussen 8800 en 11000 krijgers geweest zijn. Daar waren 350 ruiters bij, voornamelijk geleverd door Jan van Namen. Slechts een derde daar­van kwam uit Vlaanderen, de meerderheid waren ingehuurde ridders uit de streek van Maas en Rijn.

Het Franse leger telde 2700 gepantserde ruiters, ridders en edelknapen, 4000 man voetvolk, ongeveer 1000 kruisboogschutters en 334 krijgers in het kasteel van Kortrijk. Met knechten en  personeel zal het totale aantal nauwelijks onder dat van het Vlaamse leger gelegen hebben. Kwalitatief leek het Franse leger veel sterker. Robert van Artois zou gezegd hebben: ‘Wij zijn te paard en zij zijn te voet, en 100 paarden zijn 1000 man waard.‘
1302 kaart slagveld Groeninghe

“Het liep tegen de middag aan en in het Vlaamse kamp waren de troepen al een tijdje opgesteld. Het wachten onder de wolken, waar af en toe de zon doorbrak, werd zwaar. Duizenden mannen stonden klaar, uitgerust met de halsberg van fijne maliën over het hoofd, zodat de hals, nek en de bovenkant van de schouders bedekt waren. Op hun lichaam hadden ze een keurslijf van metalen plaatjes, met daarover een wambuis of tuniek. Ze droegen een kleine open helm op het hoofd en ijzeren handschoenen, waarmee ze in één hand een klein schild vasthielden. Als wapen hanteerden ze een zware goedendag[1] of een gepinde staf, een lange piek , een haaklans, een zwaard, of een bazelaar waar met een zeer breed lemmet en een scherpe, spitse punt. De rijkere krijgers droegen meestal ook nog een pantser op het lichaam of een kort maliënhemd in wapenkousen in maliën. De opstandelingen waren bevreesd voor de grote slag die zou volgen. Velen zouden liever ver weg geweest zijn.

De keuze van het slagveld was nog om een andere reden goed, waarmee elke legerbevelhebber rekening moest houden: vluchten was bijzonder moeilijk met de Leie en de stadsmuren in de rug en de Fransen in het gezicht. De 500 manschappen in reserve van Renesse, die in tweede linie opgesteld waren, konden toezien op een van de bevelen die de Vlaamse legerleiding uitgaf: wie week of vluchtte, zou neergeveld worden. Hetzelfde lot gold diegene die het verbod aan zijn laars lapte om al tijdens de slag de buit op te rapen of gevangenen te maken. ’ Dood de vijanden. Sla vooral naar de paarden’, luidden nog andere bevelen. Die genadeloze discipline, die er vooral op gericht was niemand van zijn plaats te laten gaan, was essentieel in het plan dat Renesse en de zijnen voor ogen hadden. (…)

De motivatie was groot, wraak een onderdeel van de motivatie. Veel boeren hadden geleden onder de plundertochten van de Fransen in de jaren 1297-1300. Ridders hadden familieleden die nog gevangen zaten in Frankrijk waaronder Graaf Gwij en zijn zoon Robrecht van Bethune. Anderen hadden hun eigendommen verloren omdat zij voor de graaf hadden gekozen. Nog anderen hadden familie die gesneuveld was in de strijd tegen de Fransen. De Bruggelingen moesten winnen of de uitgebreide wraak van de Fransen ondergaan. “Daarnaast was er spectaculair ceremonieel. Behalve dat zij van hun paarden stapten, droegen Gwij van Namen en Willem van Gulik ook dezelfde kleine open helm als de gemeentenaren. Voor het hele leger sloegen beiden voor de strijd een dertigtal volksleiders tot ridder onder hen Jan Born liet, Pieter de Coninck en zijn zonen Willem en Jan naast volders, wevers, vleeshouwers en enkele poorters. De boodschap was zeker voor die tijd revolutionair en ongetwijfeld als stimulans bedoeld: iedereen had kans om ridder te worden.” (Verbruggen en Falter, p.149-153)

De Vlamingen stelden zich op in een dichte slagorde, de sterkste mannen vooraan, met als doel dat geen enkele Franse ruiter door de gelederen zou breken. Een Franse kroniekschrijver, Guillaume Guiart uit Orléans, zag het Vlaamse leger in 1302 en bij een volgende slag in 1304. Hij schreef toen: “’Wie ooit de Vlamingen aldus opgesteld gezien heeft, mag zeggen dat een grote trots hen bezielt. Ze staan dicht tegen elkaar gedrongen en hun aanvoerders herhaalden voortdurend dat zij die dichte gelederen stevig gesloten moeten houden. Dat zij niemand er laten binnendringen, ziedaar de voornaamste raad die ze zonder ophouden geven.’”

De slag begon toen de Franse kruisboogschutters hun pijlen naar de Vlamingen schoten. Daarna werden speren gegooid en stenen gesmeten. Ze richtten weinig schade aan onder andere door de bescherming achter de beken. De Vlamingen hadden tussen de beken en hun troepen een strook vrijgelaten om de schade van pijlen, stenen en speren zoveel mogelijk te beperken.

Toen vond Robert van Artois dat het aan de ruiters was om aan te vallen. “Vier ridderscharen raakten aan de Franse linkerzijde naar de Grote Beek, drie, iets later, naar de Groeningebeek. Beide sloten waren geen gemakkelijke hindernis voor de grote en zwaarbeladen paarden. Sommige dieren weigerden eerst, moesten gedwongen worden toch de sprong te wagen. Andere struikelden, zodat hun ruiter uit het zadel vloog. Nog andere paarden liepen vast in de oevers van de beken, of misten hun sprong. Toch verliep de overtocht over het algemeen vlot. Om niet verrast te worden door een aanval van de Vlamingen sloten de Franse ridders aan de overkant snel de gelederen, waarna ze hun stormloop voortzetten. In eerste instantie was dat het geval voor de Franse linkervleugel van Nesle, die tegen de Bruggelingen, aan de Vlaamse rechterflank, en de krijgers uit het Brugse Vrije in het centrum, oprukte.

’Elke Vlaming zag, geloof mij, twee horsen[2] die snel op hem afkwamen.’ Honderden zwaar gepantserde ridders, volledig beschermd met maliënhemden en platen, die met hun paarden aanstormden, met lange lansen in de aanslag, onder luid geschal van trompetten. Instinctief sloten de Vlamingen nog meer de gelederen. Maar ze weken niet. De muur van gevelde pieken, lansen en, in tweede lijn, goedendags bleef staan. Wevers, volders, handwerkers van alle slag, boeren: ditmaal zetten ze het niet op een lopen voor de heren.

Prompt sloeg de verwarring toe in de Franse rangen. De meest ervaren ruiters wisten zo te manoeuvreren dat ze hun paard op de Vlaamse krijgers en langs de lansen en pieken stuurden. Anderen begrepen dat ze hun paard en misschien zichzelf de dood indreven, aarzelden en vertraagden hun draf. De meeste Franse edelen gingen echter door, zoals hen dat geleerd was. In het centrum van het front had dit het meeste succes. De afstand tussen beek en slagorde was daar het grootst geweest, zodat de paarden nog een stevige draf hadden kunnen ontwikkelen. Op de plaats waar de krijgers van het Brugse vrije stonden, drongen de Fransen door. Daar werd spoedig hard gevochten en leek een doorbraak voor de aanvallers mogelijk.

De Bruggelingen daarentegen hielden stand, met een uitstekende organisatie en een hardnekkigheid die ze in de daaropvolgende twee jaar voortdurend zouden demonstreren. Het was daar, op hun linkervleugel, dat de Fransen hun eerste aanvoerders verloren. Godevaart van Brabant[3] probeerde, net als in Woelingen 14 jaar voordien, een doorbraak te forceren.”

Godevaart van Brabant zou sneuvelen maar de geliefde Willem van Gulik ook. Het is zo goed als zeker dat de gehate Jacques de Châtillon ook sneuvelde. De bevelhebber van de Franse troepen, Robert van Artois, werd ook geveld. Veel Franse ruiters waren met hun paarden in de beken blijven vastzitten en werden daar afgemaakt. Waarschijnlijk sneuvelden er ongeveer 1250 Franse edelen in Kortrijk. Er werden waarschijnlijk ongeveer 500 paar gulden sporen van de Franse ruiters gevonden. “Behalve Artois en Flote sneuvelden zeven van de acht bataelgen-aanvoerders. Enkel op het einde van de veldslag, toen de overwinning binnen was, begonnen de Vlamingen ook gevangenen te nemen.” (Verbruggen en Falter, p. 156-157)

Tijdens de strijd vielen de Franse troepen in het kasteel aan de Leie-oever de Vlaamse troepen te paard aan. De Vlamingen weerstonden de aanval en konden de ruiters terug in het kasteel drijven. (Verbruggen en Falter, p. 160-162)  De Vlamingen zouden kort nadien ook Rijsel en Douai bevrijden. Korte tijd nadien hadden de opstandelingen in Vlaanderen onder hun controle gebracht op het kasteel van Rupelmonde na dan nog een tijd in handen van de leliaards zou blijven. (Verbruggen en Falter, p. 169)

Er was geen twijfel mogelijk. De Vlaamse troepen, een leger van voornamelijk ambachtslui had het machtigste leger van de christelijke wereld in de pan gehakt. Du jamais vu!

Dr. Marc Vermeersch     marc.vermeersch@gmail.com
1302, Klassenstrijd in Vlaanderen (1, economie)
1302, Klassenstrijd in Vlaanderen (2, wol en landwinning)
1302, Klassenstrijd in Vlaanderen (3, sociale klassen)
1302, Klassenstrijd in Vlaanderen
(4, invloed, kunst enz.)
1302, Klassenstrijd in Vlaanderen (5, handel)

1302, Klassenstrijd in Vlaanderen (6, Brugse Metten)

1302, klassenstrijd in Vlaanderen (7. De Brugse Metten)

[1] De goedendag was een eenvoudig en goedkoop maar geducht wapen, dat vooral in de 13e en 14e eeuw gebruikt werd. Het werd vooral bekend in de Guldensporenslag, waar het uiterst effectief bleek tegen chargerende ruiters.
Het wapen was een circa anderhalve meter lange boomstam van 10 cm diameter, die aan het uiteinde dikker uitliep en bovenaan voorzien was van een stalen punt. Het wapen kon op twee manieren gebruikt worden: als slagwapen (knots) of als steekwapen. Het was stevig genoeg om een aanval van een gepantserde ruiter te stoppen. https://nl.wikipedia.org/wiki/Goedendag_(wapen)
[2] Hors, een oud Nederlands woord voor paard, cfr. het Ros Beiaard. Daarin is hors al ros geworden. In het Engels: horse..
[3] Familie van de hertog van Brabant die vrijwillig met de Fransen meevocht.

 

Geplaatst in 1302, guldensporenslag, de veldslag, Uncategorized | Tags: | Een reactie plaatsen

1302, klassenstrijd in Vlaanderen (7. De Brugse Metten)

 

1302 Brugse Metten

middeleeuwse prent van de zgn. “Brugse metten”  in de Grandes Chroniques de France, 14e eeuw

Tijdens de winter van 1301–1302 kwam de graaf in contact met Pieter de Coninck. Hij raadde hem aan om naar Brugge terug te keren. De Coninck deed dat. Hij kwam er in februari 1302 aan. Hij en zijn aanhangers kregen direct de steun van het volk en het duurde niet lang voor de Fransgezinde poorters de stad verlieten. De Coninck was verstandig genoeg om de poorters niet uit het stadsbestuur te sluiten. Ze kregen met vier op 13 raadsleden zelfs een oververtegenwoordiging. Jan Heem en Jan Breydel werden burgemeesters. Nieuw was dat een korps gecreëerd werd van ‘hondermannen’, 100 afgevaardigden van de ambachten die voortaan zouden toezien op de stadsrekeningen. ”De mandatarissen in dat korps kregen jaarlijks een vergoeding van 20 £. Op die dure manier poogden de nieuwe heersers duidelijk zoveel mogelijk lagen van de bevolking aan zich te binden. Dat lukte hen ook. In de daaropvolgende jaren zou de grote massa van Brugse handwerkers lijf en leven wagen om de verworven rechten (…) te kunnen handhaven.”

 

Op 2 april hadden Gentse poorters een opstand van de ambachten uitgelokt. Deze slaagden er in de poorters te verslaan, niet zonder er 10 of 12 geëxecuteerd te hebben. Toen men dit in Brugge vernam smeedde Pieter De Coninck plannen om de opstand over heel Vlaanderen uit te breiden. “Ze verzamelden fondsen, door steun te vragen bij graafgezinde poorters en door de bezittingen van de koningsgezinden aan te slaan. Damme, Aardenburg en de kleinere steden aan het Zwin deden mee met Brugge. Dat betekende meteen ook dat ze een stadsbestuur van de ambachten kregen en dat de goederen van de koningsgezinde poorters er werden aangeslagen.” De opstand werd uitgebreid naar Sijsele en Male. Een kleinzoon van de Graaf, de populaire militaire leider Willem van Gulik, stond aan het hoofd van de Brugse troepen die hij organiseerde en uitbreidde. Toen een poging om Gent bij het verzet te betrekken mislukte vertrok Pieter De Coninck voor een tweede keer uit Brugge, net als Willem van Gulik.

Rond half mei kwam Jacques de Châtillon in de omgeving van Brugge. Het stadsbestuur bood hem de onderwerping van de stad aan en ze gingen akkoord om diegenen te straffen die in Male Fransen hadden gedood. De Fransen beloofden dat ze met slechts 300 ruiters zonder bewapening de stad zouden binnengaan. (Verbruggen en Falter, p. 139-140)

Op 16 mei konden alle Bruggelingen die vervolging moesten vrezen de stad verlaten voor de middag van de volgende dag. Duizenden mannen verlieten Brugge en trokken naar Damme, Aardenburg en Oostburg. Velen bleven slapen aan de oevers van het Zwin. In Damme lag een klein Frans garnizoen. De Bruggelingen overvielen hen doodden er enkele, verwondden er anderen en genoten van de voorraden voedsel en drank.

De Brugse Metten

Op de vooravond van 17 mei rukte Jacques de Châtillon aan het hoofd van 120 Franse ridders en een leger van 800 gepantserde ruiters en 300 kruisboogschutters en voetvolk Brugge binnen. De Fransen verspreidden zich over de stad om te gaan slapen. De bannelingen werden verwittigd e, besloten om terug te keren en te vechten. Ze keerden ‘s nachts terug naar de stad waarbij ze gemakkelijk via de gedeeltelijk gesloopte wallen binnen konden dringen. Ze vielen de Fransen aan waarvan er tientallen werden gedood voor ze hun wapenrusting aan hadden. Het was toen dat de woorden ‘scilt ende vrient’ gebruikt werden om de Fransen te herkennen. Jacques de Châtillon kon ternauwernood ontsnappen, zijn paard werd gedood, en 120 van zijn mannen sneuvelden. De Bruggelingen namen minstens 85 edellieden, ridders en edelknapen gevangen onder wie 19 Vlaamse ridders. Het nieuws over deze Franse nederlaag ging Europa rond en maakte Filips de Schone woedend. Ten oorlog!

Begin juni volgde de intocht van Gwij van Namen, die in Brugge ontvangen werd als een vorst. De Bruggelingen bezochten daarna Aardenburg, Kortrijk, Gent, Aalst en Ieper om hun bondgenootschap te vergroten. Gedurende al deze jaren was één van de sterke punten van Brugge dat het een goed financieel beleid voerde. De stad was telkens weer in staat om de dure krijgshandelingen en de voorbereiding van de oorlog te financieren.

Op 31 mei vertrok Willem van Gulik met Pieter De Coninck aan het hoofd van een leger Bruggelingen en mannen uit het Brugse Vrije[1] de stad uit. Ze trokken langs de kuststreek tot in Sint-Winoksbergen (nu Bergues, F) dat verlaten werd door het Franse garnizoen. Ieper werd daarna ook bevrijd. Het kon direct 500 gewapende gemeentenaren en een aantal kruisboogschutters leveren. Gwij van Namen kon Kortrijk inpalmen op 23 juni de Fransen bleven echter het kasteel bezetten met 334 soldaten. Zij staken met de vuurpijlen een groot aantal huizen in brand.

In Gent bleven de leliaards aan de macht. Omdat Oudenaarde overgestapt was naar de Bruggelingen werd graantransport over de Schelde naar Gent afgesloten. Brood werd er schaars, er was honger. Onder leiding van Jan Borluut verlieten honderden Gentenaars in het geheim hun stad om zich bij de Bruggelingen aan te sluiten.

Intussen had de Franse koning ook gemobiliseerd. Hij verbleef op 23 juni in Atrecht (Arras). Op 18 juli vielen de Fransen de Doornikpoort in Kortrijk aan en ‘s anderendaags de Rijselpoort. Tevergeefs, want de Vlamingen hielden stand.

Robert van Artois, die aan de Maas, in Spanje, Calabrië, Sicilië en Apulië had gevochten en de Engelsen uit Italië had verdreven, was de roemrijke hoofdaanvoerder van de Franse troepen. Hij had in 1296 en 1297 al in Vlaanderen gevochten. Het terrein was hem dus niet onbekend. Hij wilde de Vlamingen tot een open veldslag dwingen op de Groeningekouter.” (Verbruggen en Falter, p. 147) De twee partijen maakten zich op om op 11 juli te vechten.

Dr. Marc Vermeersch@gmail.com

[1]Het Brugse Vrije was de grootste kasselrij in het graafschap Vlaanderen. Het omvatte de streek rond Brugge, begrensd door de Noordzee, de Westerschelde en de IJzer. In oorsprong was het de kasselrij van Brugge, maar later werden de stad en het Vrije als aparte gewoonterechtsgebieden beschouwd. Het Brugse Vrije was een rijk landbouwgebied. Het had een eigen burggraaf, die zetelde op de Burg in Brugge, en maakte vanaf het einde van de 14e eeuw deel uit van de Vier Leden van Vlaanderen, samen met de drie grote steden Gent, Brugge en Ieper. Het Brugse Vrije zetelde ook in de bijeenkomsten van de Staten van Vlaanderen. https://nl.wikipedia.org/wiki/Brugse_Vrije 

1302, Klassenstrijd in Vlaanderen (1, economie)
1302, Klassenstrijd in Vlaanderen (2, wol en landwinning)
1302, Klassenstrijd in Vlaanderen (3, sociale klassen)
1302, Klassenstrijd in Vlaanderen
(4, invloed, kunst enz.)
1302, Klassenstrijd in Vlaanderen (5, handel)

1302, Klassenstrijd in Vlaanderen (6, Brugse Metten)

Geplaatst in 1302, guldensporenslag, Brugse Metten, Uncategorized | Tags: | 2 reacties

1302, klassenstrijd in Vlaanderen (6, politiek, aanloop naar 1302)

Politiek

Na het verdrag van Verdun in 843 werd het Karolingische rijk in drie gedeeld. In het oosten/noordoosten Duitsland, het Heilig Roomse Rijk, in het centrum Lotharingen en in het westen/zuidwesten Francia, het land van de Franken. Lotharingen zou vrij snel uit elkaar vallen en voor een groot deel opgaan in het Heilig Roomse Rijk. De grens tussen Duitsland en Frankrijk, de Schelde, liep door België. Het grootste deel van België hoorde bij Duitsland, het toenmalige Vlaanderen, Kroon Vlaanderen, maar ook het zuiden van Zeeland, lag voor het belangrijkste deel in Frankrijk. Het deel dat bij het Heilig Roomse Rijk hoorde is Rijks Vlaanderen.

1302 Pieter De Coninck Jan Breydel

standbeeld van Pieter De Coninck en Jan Breydel op de markt van Brugge

De Vlaamse graven
De Vlaamse graaf een vazal van de Franse koning. Dank zij zijn lakenindustrie en zijn hoge bevolkingsdichtheid was Vlaanderen het rijkste gebied van Frankrijk. De Franse koningen hadden als ambitie om elk gebied dat ze in Frankrijk niet controleerden over te nemen van de plaatselijke graven, hertogen enzovoort. Het zou eeuwen duren voor ze daar in slaagden, behalve voor Vlaanderen dat ze wel gedeeltelijk maar niet volledig, in handen zouden krijgen.

 

De 13de eeuw was in dat opzicht niet goed begonnen voor de toenmalige Vlaamse graaf, Ferrand van Portugal die van Portugese afkomst was en door zijn huwelijk Graaf van Vlaanderen. De Franse koning had in 1214 de slag van Bouvines gewonnen tegen een coalitie van Engeland, Vlaanderen en de Duitse keizer. Daarna werd de Vlaamse graaf, geketend aan handen en voeten door Parijs gedragen waar hij door de Parijzenaars kon uitgejouwd en bespuwd worden. Hij werd opgesloten in het Louvre. “Pas 12 jaar later, met kerstmis 1226, kon hij Parijs weer verlaten, als een gebroken, oude man van 40.“ Het was een keerpunt. Voor het eerst in drie eeuwen kon de Franse koning zeggen dat hij sterker was dan zijn belangrijkste vazal, de graaf van Vlaanderen.

Gwij van Dampierre. werd graaf van Vlaanderen in 1252. Door zijn huwelijk werd hij ook graaf van Namen.

De staten van Vlaanderen

De staten van Vlaanderen waren de vertegenwoordiging van Gent, Ieper en Brugge, een soort parlement avant la lettre. Rond 1350 kwam er een vierde lid bij, het Brugse Vrije. De state van Vlaanderen zouden blijven bestaan tot de Franse hen afschaften in 1794.

De aanloop naar 1302

Na 1270 ging het economisch niet goed in Vlaanderen. Gravin Margaretha werd door de Engelse koning gedwongen haar lening aan hem kwijt te schelden. Koning Henry had haar daartoe gedwongen door de uitvoer van Engelse wol naar Vlaanderen te verbieden. Dat leidde hier tot een economische crisis. “Het conflict leverde enkele jaren van crisis en dus ellende in de Vlaamse steden op en dat maakte ook de sociale en politieke verhoudingen heel wat scherper. Al in het voorjaar van 1274, enkele maanden voor het afsluiten van het verdrag met de Engelse koning, moet het in Gent tot een samenzwering of revolte gekomen zijn van het gewone volk, het gemeen, tegen het oligarchisch stadsbestuur.” (Verbruggen en Falter, p. 38)

In de Vlaamse steden hadden de poorters de macht in het stadsbestuur maar de graaf had vaak ook nog een deel van de macht. “Gent had sedert 1228, toen het fors had bijgedragen in de koopsom voor de vrijlating van graaf Ferrand, een zeer aristocratisch stadsbestuur, de XXXIX. Het bestond uit 13 zetelende schepenen, 13 raadslieden die hen het jaar nadien zouden opvolgen, en 13 zogenaamde vacui, de schepenen van vorig jaar die 12 maanden aan de kant bleven alvorens het volgend jaar weer raadslid te worden. Stierf of stopte iemand van de XXXIX, dan verkozen zijn 12 collega’s binnen elk van de drie geledingen een opvolger. Elk jaar op Maria Hemelvaart vond rotatie plaats. Een dergelijk gesloten systeem vormde onvermijdelijk een vrijbrief voor een oligarchisch bewind van een kleine kern poorters.

Het bleef in Gent ook gisten in 1275. Vermoedelijk in de zomer ging de gravin zelf een kijkje nemen in de stad, waar zij, volgens een verslag van afgevaardigden van het gemeen aan de Franse koning enkele maanden later, het volk ‘in ontelbare aantallen zag toestromen’. Margareta (…) ‘aanhoorde hun verschrikkelijke kreten en begreep hun trieste smeekbeden’ want ‘allen riepen met één stem dat ze de stad zouden verlaten, om er nooit meer weer te keren als de gravin de organisatie van de schepenbank van stad niet zou wijzigen.’ De gewone burgers konden ‘noch rustig, noch veilig meer leven, maar werden dagelijks vernederd en onderdrukt, zoals slaven. De schepenen gaven dagelijks meer uiting aan hun hebzucht en hun arrogantie omdat ze, ondanks alle wandaden, er zeker van waren dat ze niet konden worden afgezet.’” (Verbruggen en Falter, p. 39)

“De gravin was in dit conflict de bondgenote van de ambachtslui. In oktober 1275 wilde ze het stadsbestuur, de XXXIX raaadsleden, ontbinden. De poorters gingen echter in beroep bij het hoogste juridische gezag van het koninkrijk, het Parlement van Parijs aan het hof van de koning. Dat vellde zijn besluit, na een onderzoek ter plaatse, in juli 1277. Het systeem van de XXXIX, zoals vastgelegd in 1228, bleef gehandhaafd. Maar acht schepenen die zich schuldig hadden gemaakt aan te grove misbruiken moesten opstappen. Koning Filips III hield zich ten slotte het recht voor om op een later tijdstip een besluit te nemen over de meeste betwiste punt. Het nazicht van de stadsrekeningen.” (Verbruggen en Falter, p. 39)

De koning was nu eens de bondgenoot van de ene partij, dan van de andere in Vlaanderen maar hij volgde altijd zijn eigen belang. Hij was bijna permanent in oorlog en had daar veel geld voor nodig. Hij was een valsmunter die zijn eigen munt tot een derde van de waarde had vervalst. In de periode die hier besproken wordt concentreerde hij zijn aandacht op Vlaanderen dat in vergelijking met andere gebieden in Frankrijk zeer rijk was en dus veel belastingen kon opbrengen. Filips gedroeg zich als een buitenlandse machtshebber. Hij hield weinig rekening met de kwestbare Vlaamse economie die afhankelijk was van de wolimport uit Engeland.

Zoals dit conflict waren er talrijke  in deze periode van de middeleeuwen. Er werden door de Franse koning, maar door de Vlaamse graaf aan stadsbesturen gigantische boetes opgelegd al waren deze van Filips de grootste. Inwoners die bij een verliezende partij hoorden konden een deel van hun bezittingen of al hun bezittingen verliezen. Niet zelden werden mensen terechtgesteld of verbannen.

De strategie van de Franse koning was Vlaanderen veroveren. Alle middelen waren goed om dat doel te bereiken: het brandschatten van het zuiden van Vlaanderen, het opleggen van belastingen, het betrekken van de paus(en) in bondgenootschappen. De paus verbood op een bepaald moment b.v. om in het graafschap Vlaanderen nog de mis te lezen wat veel gelovige christenen als een zware straf beschouwden. Het is opvallend dat de troepen van Filips de Schone bij het plunderen vaak brand stichtten, mensen vermoordden en er ook niet voor terug schrokken kerken en kloosters in brand te steken. Op een bepaald moment plunderden ze een vrouwenklooster en verkrachtten de zusters. “Toen al te drieste manschappen het cisterciënzerklooster van Flines ten zuiden van Orchies overvielen, waar de moeder van de graaf van Vlaanderen begraven lag, daar de nonnen verkrachtten en ze naakt meenamen tot in het legerkamp, werd het koning Filips iets te bar en liet hij de ontvoerders straffen.”

Een ander voorbeeld uit tientallen mogelijke voorbeelden uit het jaar 1300, het jaar waarin Filips de Schone Vlaanderen onderwierp. “Dergelijke schermutselingen en plundertochten vormden de essentie van de oorlog in de daaropvolgende weken. Op een dag organiseerde Charles van Valois en zijn leger een expeditie naar Gent, waar ze misschien proberen in contact te treden met de graaf en zijn medestanders. Die waren er op dat ogenblik niet en dus keerden de Fransen terug naar Brugge, niet zonder eerst Nevele en 12 andere dorpen in de buurt geplunderd en in brand gestoken te hebben. Strooptochten, van beide partijen, vonden ook plaats in de streek van Deinze en van Veurne, en rond Ieper en Damme. Mogelijk vanaf maart begonnen de Fransen de twee laatstgenoemde steden te belegeren. Gwij van Namen leidde de Vlaamse troepen in de Lakenstad, Willem van Dendermonde die in de haven, terwijl Robrecht van Bethune de rol van zijn vader had overgenomen in de vesting Gent.“ (Verbruggen en Falter, p. 113)

Na de Franse overwinning waren sommige steden in handen van fransgezinden, de leliaards, maar andere toch nog in handen van aanhangers van de graaf, de liebaards (men sprak toen niet van klauwaards). Steden die voor de graaf hadden gekozen werden gestraft. Ieper kreeg bijvoorbeeld een astronomisch hoge boete: 120.000 £ en een jaarlijkse rente van 3000 £, uitsluitend te betalen door de aanhangers van de graaf. Het gevolg was dat die laatsten de stad verlieten, wat de schepenen enkele maanden later deed klagen bij de vorst dat de boete niet betaald moest worden door zijn aanhangers. Maar ook toen veranderde Filips niet. Vlaanderen was door de koning quasi geannexeerd en toegevoegd aan zijn kroondomein.

In 1301 was Brugge de enige grote Vlaamse stad die de koning steunde hoewel het al drie jaar door hem van de zee was afgesneden want hij had Damme bevoordeligd. Hij slaagde er echter in om ook de Bruggelingen tegen zich in het harnas te jagen. Uit een toenmalige kroniek: “Hij kwam naar Brugge en werd daar goed gezien en ontvangen door de goede mensen van de stad. Zo ook zijn mannen. Ze bleven er met zovelen. Zolang dat sommigen de goede vrouwen ontvoerden en verkrachtten, van de burgerij van de stad, en andere, en jonge meisjes. Zozeer dat het die van Brugge begon tegen te steken. En om die feiten, en om andere, begon ze in het geheim samen te komen.” (Verbruggen en Falter, p. 126)

Ook in Gent kon de koning het verkerven. “Toen koning Filips op 22 mei zijn intrede deed in de straten van Gent, juichte het volk hem toe maar uit de massa stegen meteen ook stemmen op om de koning te vragen een einde te maken aan het ongeld, een speciale belasting op voedingswaren, en vooral op bier en mede (een soort honingdrank). De koning was goedgehumeurd, meldt de minderbroeder, en stemde toe. De toezegging kostte hem ook niets, wel veel geld aan het stadsbestuur dat alles behalve enthousiast reageerde, niet alleen omdat Gent nog met hoge schulden opgezadeld zat, maar ook omdat de schepenen hun percentage op de inning van de belasting zagen verdwijnen.”  (Verbruggen en Falter, p.127) Het Brugse stadsbestuur had schrik dat de koning het zelfde zou doen als in Gent. Het besloot om de kosten van het voorbije bezoek van de koning af te wentelen op de ambachten. Dat was voldoende voor een explosieve situatie Toen verscheen een wever, Pieter de Coninck, voor het eerst op de voorgrond. “’Maar hij was welbespraakt en kon zo mooi spreken dat men van een werkelijk wonder kan spreken. En de wevers, de volders en de scheerders[1] geloofden hem zozeer en zagen hem zo graag dat hij niets zeggen of bevelen kon of ze voerden het uit.’ Schreef de burger van Atrecht.” (Verbruggen en Falter, p. 127-128)

De wevers waren het grootste ambacht in Brugge. In 1321-22 nam men aan dat er in de stad evenveel wevers waren als poorters: 1280 man, daarnaast waren er 853 volders, 426 scheerders en 320 vleeshouwers. Wie ook op de voorgrond kwam was Jan Breydel, een vleesschouwer (slager) en Jan Heem, een volder. Het stadsbestuur sloot Pieter De Coninck in juni 1301 op, wat tot oproer leidde. De Coninck werd vrijgelaten maar de vertegenwoordiger van de koning in Vlaanderen, Jacques de Châtillon, vormde een leger van 500 ruiters. Poorters zouden de stadspoorten voor hem openen maar de ambachten verzamelden snel en hielden de poorters buiten. De massa doodde daarna enkele poorters, verwondde anderen en nam er ook enkele gevangen. De Fransen verzamelden een groter leger en trokken opnieuw op tegen Brugge. Het stadsbestuur wilde onderhandelen en verbande Pieter de Coninck en zijn felste aanhangers uit de stad en het graafschap. De Châtillon legde d stad een zware boete op en verplichtte een deel van de wallen af te breken en schafte de vrijheid en voorrechten van de stad opnieuw af. De Fransen namen ook 466 gijzelaars die ze lieten afvoeren naar Doornik. Zelfs de poorters en het koningsgezinde stadsbestuur vonden dit van het goede teveel. Ze dienden klacht in bij het Parlement van Parijs, de hoogste rechtbank in Frankrijk.

Jan van Namen, zoon uit het tweede huwelijk van Gwij van Dampierre met Isabella van Luxemburg, kreeg van hen het graafschap Namen. Hij was in 1301 vooraan in de twintig, een bekwaam militair leider die het lange verzet in 1300 tegen de Fransen in Ieper had geleid. Een koener Vlaming werd nooit geboren’ schreef de kroniekschrijver van zijn Hollandse tegenstanders, Melis Stoke.

Dr. Marc Vermeersch    marc.vermeersch@gmail.com

Zie ook andere delen van deze reeks:
1302, Klassenstrijd in Vlaanderen (1, economie)
1302, Klassenstrijd in Vlaanderen (2, wol en landwinning)
1302, Klassenstrijd in Vlaanderen (3, sociale klassen)
1302, Klassenstrijd in Vlaanderen
(4, invloed, kunst enz.)
1302, Klassenstrijd in Vlaanderen (5, handel)

Advertenties

[1] Scheerders moeste het gevolde laken egaal afwerken.

Geplaatst in 1302, guldensporenslag, middeleeuwen, Uncategorized | Tags: | Een reactie plaatsen

1302, klassenstrijd in Vlaanderen (5, handel)

Handel

Vanaf ongeveer het jaar 1000 begon West-Europa zich te herstellen van de chaotische ‘donkere middeleeuwen’. De bevolking groeide weer, talloze nieuwe steden ontstonden en de handel breidde zich sterk uit. Ook de Lage Landen profiteerden hiervan. Vlaanderen was buiten Italië het dichtst bevolkte gebied van Europa, uiteraard van Frankrijk. “Van dat dichtbevolkte Frankrijk was Vlaanderen het dichtstbevolkte deel, op Parijs na, waarvan het aantal inwoners geschat wordt op 90 000. In het graafschap trof je om de 5 uur wandelen een stad aan, een voor die tijd fenomenaal gemiddelde. Gent, met zijn naar schatting 50 000 inwoners, was de tweede grootste stad van Frankrijk, in inwonersaantal de evenknie van Londen. Ook Brugge en Ieper, met respectievelijk 40 000 en 20 000 inwoners, konden als grootsteden, in het koninkrijk de evenknie van Bordeaux, Rouen en Toulouse. Met Douai en Rijsel boven de 10 000 zijn de grote steden van het graafschap opgesomd..” (…) 

Tussenin lag nog een dicht netwerk van kleinere, snel opschietende stadjes, met enkele duizenden inwoners en een omwalling.” (Verbruggen en Falter, p. 32) De cijfers voor de steden komen het beste overeen met de situatie zond 1100 wat er  op wijst dat de 11de eeuw een eeuw van grote groei moet geweest zijn. Handel ging over zee maar ook over land. De jaarmarkten van de champagne waren de ontmoetingsplaats van handelaars die uit Italië, Frankrijk en Vlaanderen kwamen. In de Champagnestreek gingen verschillende jaarmarkten door waar producten uit Zuid- en West-Europa verhandeld werden. Ze waren belangrijk voor de lakenhandel.

De Duitse Hanze
1302 Kaart_Hanzesteden_en_handelsroutes
Met Diederik van de Elzas en Filips van de Elzas (rond 1160-1170) werd Vlaanderen steeds belangrijker. Onder hun bewind konden de steden zich ontwikkelen en werden de instellingen organisatorisch hervormd. De havens Grevelingen/Gravelines (F), Nieuwpoort, Damme en Biervliet werden gesticht. Er werd handel gedreven met Engeland, de Baltische landen en Frankrijk en over land met het Rijnland en Italië. Vooral de import van wol uit Engeland was van belang voor de opkomende lakennijverheid. Daarnaast was er een belangrijke graanvaart op Engeland en via Holland op Hamburg. Sint-Omaars/Saint Omer werd in de 12e eeuw de belangrijkste noordelijke doorvoerhaven voor Franse wijn. In Nederland waren het de IJsselsteden (Doesburg, Zutphen, Deventer, Kampen, Elburg, Harderwijk).die zeer grote welvaart bereikten door de handel binnen het Hanzeverbond, met voornamelijk wol, graan en hout.

Het economische zwaartepunt lag tussen 1100 en 1500 duidelijk in Vlaanderen waar Brugge door handel en Gent door de lakenproductiezeer welvarend werden. Belangrijk was de handel tussen het Rijnland (glas, aardewerk, metalen) en Engeland (wol) die hier samenkwam. Brugge, een belangrijk hanzekantoor, had zeewaarts een verbinding met Londen waar een hanzekantoor was, maar ook de handel met het zuiden van Frankrijk (zout, wijn) en het Iberische Schiereiland was belangrijk. Over land was er de verbinding met de handel van de Westfaalse en de Rijnlandse Hanzesteden (rijnwijn) en de Italiaanse steden (kruiden, zuidvruchten zoals gedroogd fruit).

De Italiaanse handelaars slaagden er in om West-Europa te bereiken met hun schepen. Dit had als gevolg dat veel meer vracht, veel goedkoper West-Europa bereikte. Over de Alpenpassen was het tot dan toe vervoer met paard en kar geweest. Brugge zou daar eerst en meest van profiteren. Italiaanse handelaars en financiers vestigden in de stad. Brugge was lid van de Duitse Hanze  (zie kaart), waarvan het handelsnetwerk ook Dinant, Londen, vele Duitse steden maar ook meerdere steden aan de Oostzee tot in de Baltische landen omvatte. Vlaams laken werd verkocht tot in Rusland.

Dr. Marc Vermeersch    marc.vermeersch@gmail.com
Zie ook andere delen van deze reeks:
1302, Klassenstrijd in Vlaanderen (1, economie)
1302, Klassenstrijd in Vlaanderen (2, wol en landwinning)
1302, Klassenstrijd in Vlaanderen (3, sociale klassen)

1302, Klassenstrijd in Vlaanderen (4, invloed, kunst enz.)

Geplaatst in handel Europa, hanze, middeleeuwen, Uncategorized | Tags: | Een reactie plaatsen