1302, klassenstrijd in Vlaanderen (6, politiek, aanloop naar 1302)

Politiek

Na het verdrag van Verdun in 843 werd het Karolingische rijk in drie gedeeld. In het oosten/noordoosten Duitsland, het Heilig Roomse Rijk, in het centrum Lotharingen en in het westen/zuidwesten Francia, het land van de Franken. Lotharingen zou vrij snel uit elkaar vallen en voor een groot deel opgaan in het Heilig Roomse Rijk. De grens tussen Duitsland en Frankrijk, de Schelde, liep door België. Het grootste deel van België hoorde bij Duitsland, het toenmalige Vlaanderen, Kroon Vlaanderen, maar ook het zuiden van Zeeland, lag voor het belangrijkste deel in Frankrijk. Het deel dat bij het Heilig Roomse Rijk hoorde is Rijks Vlaanderen.

1302 Pieter De Coninck Jan Breydel

standbeeld van Pieter De Coninck en Jan Breydel op de markt van Brugge

De Vlaamse graven
De Vlaamse graaf een vazal van de Franse koning. Dank zij zijn lakenindustrie en zijn hoge bevolkingsdichtheid was Vlaanderen het rijkste gebied van Frankrijk. De Franse koningen hadden als ambitie om elk gebied dat ze in Frankrijk niet controleerden over te nemen van de plaatselijke graven, hertogen enzovoort. Het zou eeuwen duren voor ze daar in slaagden, behalve voor Vlaanderen dat ze wel gedeeltelijk maar niet volledig, in handen zouden krijgen.

 

De 13de eeuw was in dat opzicht niet goed begonnen voor de toenmalige Vlaamse graaf, Ferrand van Portugal die van Portugese afkomst was en door zijn huwelijk Graaf van Vlaanderen. De Franse koning had in 1214 de slag van Bouvines gewonnen tegen een coalitie van Engeland, Vlaanderen en de Duitse keizer. Daarna werd de Vlaamse graaf, geketend aan handen en voeten door Parijs gedragen waar hij door de Parijzenaars kon uitgejouwd en bespuwd worden. Hij werd opgesloten in het Louvre. “Pas 12 jaar later, met kerstmis 1226, kon hij Parijs weer verlaten, als een gebroken, oude man van 40.“ Het was een keerpunt. Voor het eerst in drie eeuwen kon de Franse koning zeggen dat hij sterker was dan zijn belangrijkste vazal, de graaf van Vlaanderen.

Gwij van Dampierre. werd graaf van Vlaanderen in 1252. Door zijn huwelijk werd hij ook graaf van Namen.

De staten van Vlaanderen

De staten van Vlaanderen waren de vertegenwoordiging van Gent, Ieper en Brugge, een soort parlement avant la lettre. Rond 1350 kwam er een vierde lid bij, het Brugse Vrije. De state van Vlaanderen zouden blijven bestaan tot de Franse hen afschaften in 1794.

De aanloop naar 1302

Na 1270 ging het economisch niet goed in Vlaanderen. Gravin Margaretha werd door de Engelse koning gedwongen haar lening aan hem kwijt te schelden. Koning Henry had haar daartoe gedwongen door de uitvoer van Engelse wol naar Vlaanderen te verbieden. Dat leidde hier tot een economische crisis. “Het conflict leverde enkele jaren van crisis en dus ellende in de Vlaamse steden op en dat maakte ook de sociale en politieke verhoudingen heel wat scherper. Al in het voorjaar van 1274, enkele maanden voor het afsluiten van het verdrag met de Engelse koning, moet het in Gent tot een samenzwering of revolte gekomen zijn van het gewone volk, het gemeen, tegen het oligarchisch stadsbestuur.” (Verbruggen en Falter, p. 38)

In de Vlaamse steden hadden de poorters de macht in het stadsbestuur maar de graaf had vaak ook nog een deel van de macht. “Gent had sedert 1228, toen het fors had bijgedragen in de koopsom voor de vrijlating van graaf Ferrand, een zeer aristocratisch stadsbestuur, de XXXIX. Het bestond uit 13 zetelende schepenen, 13 raadslieden die hen het jaar nadien zouden opvolgen, en 13 zogenaamde vacui, de schepenen van vorig jaar die 12 maanden aan de kant bleven alvorens het volgend jaar weer raadslid te worden. Stierf of stopte iemand van de XXXIX, dan verkozen zijn 12 collega’s binnen elk van de drie geledingen een opvolger. Elk jaar op Maria Hemelvaart vond rotatie plaats. Een dergelijk gesloten systeem vormde onvermijdelijk een vrijbrief voor een oligarchisch bewind van een kleine kern poorters.

Het bleef in Gent ook gisten in 1275. Vermoedelijk in de zomer ging de gravin zelf een kijkje nemen in de stad, waar zij, volgens een verslag van afgevaardigden van het gemeen aan de Franse koning enkele maanden later, het volk ‘in ontelbare aantallen zag toestromen’. Margareta (…) ‘aanhoorde hun verschrikkelijke kreten en begreep hun trieste smeekbeden’ want ‘allen riepen met één stem dat ze de stad zouden verlaten, om er nooit meer weer te keren als de gravin de organisatie van de schepenbank van stad niet zou wijzigen.’ De gewone burgers konden ‘noch rustig, noch veilig meer leven, maar werden dagelijks vernederd en onderdrukt, zoals slaven. De schepenen gaven dagelijks meer uiting aan hun hebzucht en hun arrogantie omdat ze, ondanks alle wandaden, er zeker van waren dat ze niet konden worden afgezet.’” (Verbruggen en Falter, p. 39)

“De gravin was in dit conflict de bondgenote van de ambachtslui. In oktober 1275 wilde ze het stadsbestuur, de XXXIX raaadsleden, ontbinden. De poorters gingen echter in beroep bij het hoogste juridische gezag van het koninkrijk, het Parlement van Parijs aan het hof van de koning. Dat vellde zijn besluit, na een onderzoek ter plaatse, in juli 1277. Het systeem van de XXXIX, zoals vastgelegd in 1228, bleef gehandhaafd. Maar acht schepenen die zich schuldig hadden gemaakt aan te grove misbruiken moesten opstappen. Koning Filips III hield zich ten slotte het recht voor om op een later tijdstip een besluit te nemen over de meeste betwiste punt. Het nazicht van de stadsrekeningen.” (Verbruggen en Falter, p. 39)

De koning was nu eens de bondgenoot van de ene partij, dan van de andere in Vlaanderen maar hij volgde altijd zijn eigen belang. Hij was bijna permanent in oorlog en had daar veel geld voor nodig. Hij was een valsmunter die zijn eigen munt tot een derde van de waarde had vervalst. In de periode die hier besproken wordt concentreerde hij zijn aandacht op Vlaanderen dat in vergelijking met andere gebieden in Frankrijk zeer rijk was en dus veel belastingen kon opbrengen. Filips gedroeg zich als een buitenlandse machtshebber. Hij hield weinig rekening met de kwestbare Vlaamse economie die afhankelijk was van de wolimport uit Engeland.

Zoals dit conflict waren er talrijke  in deze periode van de middeleeuwen. Er werden door de Franse koning, maar door de Vlaamse graaf aan stadsbesturen gigantische boetes opgelegd al waren deze van Filips de grootste. Inwoners die bij een verliezende partij hoorden konden een deel van hun bezittingen of al hun bezittingen verliezen. Niet zelden werden mensen terechtgesteld of verbannen.

De strategie van de Franse koning was Vlaanderen veroveren. Alle middelen waren goed om dat doel te bereiken: het brandschatten van het zuiden van Vlaanderen, het opleggen van belastingen, het betrekken van de paus(en) in bondgenootschappen. De paus verbood op een bepaald moment b.v. om in het graafschap Vlaanderen nog de mis te lezen wat veel gelovige christenen als een zware straf beschouwden. Het is opvallend dat de troepen van Filips de Schone bij het plunderen vaak brand stichtten, mensen vermoordden en er ook niet voor terug schrokken kerken en kloosters in brand te steken. Op een bepaald moment plunderden ze een vrouwenklooster en verkrachtten de zusters. “Toen al te drieste manschappen het cisterciënzerklooster van Flines ten zuiden van Orchies overvielen, waar de moeder van de graaf van Vlaanderen begraven lag, daar de nonnen verkrachtten en ze naakt meenamen tot in het legerkamp, werd het koning Filips iets te bar en liet hij de ontvoerders straffen.”

Een ander voorbeeld uit tientallen mogelijke voorbeelden uit het jaar 1300, het jaar waarin Filips de Schone Vlaanderen onderwierp. “Dergelijke schermutselingen en plundertochten vormden de essentie van de oorlog in de daaropvolgende weken. Op een dag organiseerde Charles van Valois en zijn leger een expeditie naar Gent, waar ze misschien proberen in contact te treden met de graaf en zijn medestanders. Die waren er op dat ogenblik niet en dus keerden de Fransen terug naar Brugge, niet zonder eerst Nevele en 12 andere dorpen in de buurt geplunderd en in brand gestoken te hebben. Strooptochten, van beide partijen, vonden ook plaats in de streek van Deinze en van Veurne, en rond Ieper en Damme. Mogelijk vanaf maart begonnen de Fransen de twee laatstgenoemde steden te belegeren. Gwij van Namen leidde de Vlaamse troepen in de Lakenstad, Willem van Dendermonde die in de haven, terwijl Robrecht van Bethune de rol van zijn vader had overgenomen in de vesting Gent.“ (Verbruggen en Falter, p. 113)

Na de Franse overwinning waren sommige steden in handen van fransgezinden, de leliaards, maar andere toch nog in handen van aanhangers van de graaf, de liebaards (men sprak toen niet van klauwaards). Steden die voor de graaf hadden gekozen werden gestraft. Ieper kreeg bijvoorbeeld een astronomisch hoge boete: 120.000 £ en een jaarlijkse rente van 3000 £, uitsluitend te betalen door de aanhangers van de graaf. Het gevolg was dat die laatsten de stad verlieten, wat de schepenen enkele maanden later deed klagen bij de vorst dat de boete niet betaald moest worden door zijn aanhangers. Maar ook toen veranderde Filips niet. Vlaanderen was door de koning quasi geannexeerd en toegevoegd aan zijn kroondomein.

In 1301 was Brugge de enige grote Vlaamse stad die de koning steunde hoewel het al drie jaar door hem van de zee was afgesneden want hij had Damme bevoordeligd. Hij slaagde er echter in om ook de Bruggelingen tegen zich in het harnas te jagen. Uit een toenmalige kroniek: “Hij kwam naar Brugge en werd daar goed gezien en ontvangen door de goede mensen van de stad. Zo ook zijn mannen. Ze bleven er met zovelen. Zolang dat sommigen de goede vrouwen ontvoerden en verkrachtten, van de burgerij van de stad, en andere, en jonge meisjes. Zozeer dat het die van Brugge begon tegen te steken. En om die feiten, en om andere, begon ze in het geheim samen te komen.” (Verbruggen en Falter, p. 126)

Ook in Gent kon de koning het verkerven. “Toen koning Filips op 22 mei zijn intrede deed in de straten van Gent, juichte het volk hem toe maar uit de massa stegen meteen ook stemmen op om de koning te vragen een einde te maken aan het ongeld, een speciale belasting op voedingswaren, en vooral op bier en mede (een soort honingdrank). De koning was goedgehumeurd, meldt de minderbroeder, en stemde toe. De toezegging kostte hem ook niets, wel veel geld aan het stadsbestuur dat alles behalve enthousiast reageerde, niet alleen omdat Gent nog met hoge schulden opgezadeld zat, maar ook omdat de schepenen hun percentage op de inning van de belasting zagen verdwijnen.”  (Verbruggen en Falter, p.127) Het Brugse stadsbestuur had schrik dat de koning het zelfde zou doen als in Gent. Het besloot om de kosten van het voorbije bezoek van de koning af te wentelen op de ambachten. Dat was voldoende voor een explosieve situatie Toen verscheen een wever, Pieter de Coninck, voor het eerst op de voorgrond. “’Maar hij was welbespraakt en kon zo mooi spreken dat men van een werkelijk wonder kan spreken. En de wevers, de volders en de scheerders[1] geloofden hem zozeer en zagen hem zo graag dat hij niets zeggen of bevelen kon of ze voerden het uit.’ Schreef de burger van Atrecht.” (Verbruggen en Falter, p. 127-128)

De wevers waren het grootste ambacht in Brugge. In 1321-22 nam men aan dat er in de stad evenveel wevers waren als poorters: 1280 man, daarnaast waren er 853 volders, 426 scheerders en 320 vleeshouwers. Wie ook op de voorgrond kwam was Jan Breydel, een vleesschouwer (slager) en Jan Heem, een volder. Het stadsbestuur sloot Pieter De Coninck in juni 1301 op, wat tot oproer leidde. De Coninck werd vrijgelaten maar de vertegenwoordiger van de koning in Vlaanderen, Jacques de Châtillon, vormde een leger van 500 ruiters. Poorters zouden de stadspoorten voor hem openen maar de ambachten verzamelden snel en hielden de poorters buiten. De massa doodde daarna enkele poorters, verwondde anderen en nam er ook enkele gevangen. De Fransen verzamelden een groter leger en trokken opnieuw op tegen Brugge. Het stadsbestuur wilde onderhandelen en verbande Pieter de Coninck en zijn felste aanhangers uit de stad en het graafschap. De Châtillon legde d stad een zware boete op en verplichtte een deel van de wallen af te breken en schafte de vrijheid en voorrechten van de stad opnieuw af. De Fransen namen ook 466 gijzelaars die ze lieten afvoeren naar Doornik. Zelfs de poorters en het koningsgezinde stadsbestuur vonden dit van het goede teveel. Ze dienden klacht in bij het Parlement van Parijs, de hoogste rechtbank in Frankrijk.

Jan van Namen, zoon uit het tweede huwelijk van Gwij van Dampierre met Isabella van Luxemburg, kreeg van hen het graafschap Namen. Hij was in 1301 vooraan in de twintig, een bekwaam militair leider die het lange verzet in 1300 tegen de Fransen in Ieper had geleid. Een koener Vlaming werd nooit geboren’ schreef de kroniekschrijver van zijn Hollandse tegenstanders, Melis Stoke.

Dr. Marc Vermeersch    marc.vermeersch@gmail.com

Zie ook andere delen van deze reeks:
1302, Klassenstrijd in Vlaanderen (1, economie)
1302, Klassenstrijd in Vlaanderen (2, wol en landwinning)
1302, Klassenstrijd in Vlaanderen (3, sociale klassen)
1302, Klassenstrijd in Vlaanderen
(4, invloed, kunst enz.)
1302, Klassenstrijd in Vlaanderen (5, handel)

Advertenties

[1] Scheerders moeste het gevolde laken egaal afwerken.

Geplaatst in 1302, guldensporenslag, middeleeuwen, Uncategorized | Tags: | Een reactie plaatsen

1302, klassenstrijd in Vlaanderen (5, handel)

Handel

Vanaf ongeveer het jaar 1000 begon West-Europa zich te herstellen van de chaotische ‘donkere middeleeuwen’. De bevolking groeide weer, talloze nieuwe steden ontstonden en de handel breidde zich sterk uit. Ook de Lage Landen profiteerden hiervan. Vlaanderen was buiten Italië het dichtst bevolkte gebied van Europa, uiteraard van Frankrijk. “Van dat dichtbevolkte Frankrijk was Vlaanderen het dichtstbevolkte deel, op Parijs na, waarvan het aantal inwoners geschat wordt op 90 000. In het graafschap trof je om de 5 uur wandelen een stad aan, een voor die tijd fenomenaal gemiddelde. Gent, met zijn naar schatting 50 000 inwoners, was de tweede grootste stad van Frankrijk, in inwonersaantal de evenknie van Londen. Ook Brugge en Ieper, met respectievelijk 40 000 en 20 000 inwoners, konden als grootsteden, in het koninkrijk de evenknie van Bordeaux, Rouen en Toulouse. Met Douai en Rijsel boven de 10 000 zijn de grote steden van het graafschap opgesomd..” (…) 

Tussenin lag nog een dicht netwerk van kleinere, snel opschietende stadjes, met enkele duizenden inwoners en een omwalling.” (Verbruggen en Falter, p. 32) De cijfers voor de steden komen het beste overeen met de situatie zond 1100 wat er  op wijst dat de 11de eeuw een eeuw van grote groei moet geweest zijn. Handel ging over zee maar ook over land. De jaarmarkten van de champagne waren de ontmoetingsplaats van handelaars die uit Italië, Frankrijk en Vlaanderen kwamen. In de Champagnestreek gingen verschillende jaarmarkten door waar producten uit Zuid- en West-Europa verhandeld werden. Ze waren belangrijk voor de lakenhandel.

De Duitse Hanze
1302 Kaart_Hanzesteden_en_handelsroutes
Met Diederik van de Elzas en Filips van de Elzas (rond 1160-1170) werd Vlaanderen steeds belangrijker. Onder hun bewind konden de steden zich ontwikkelen en werden de instellingen organisatorisch hervormd. De havens Grevelingen/Gravelines (F), Nieuwpoort, Damme en Biervliet werden gesticht. Er werd handel gedreven met Engeland, de Baltische landen en Frankrijk en over land met het Rijnland en Italië. Vooral de import van wol uit Engeland was van belang voor de opkomende lakennijverheid. Daarnaast was er een belangrijke graanvaart op Engeland en via Holland op Hamburg. Sint-Omaars/Saint Omer werd in de 12e eeuw de belangrijkste noordelijke doorvoerhaven voor Franse wijn. In Nederland waren het de IJsselsteden (Doesburg, Zutphen, Deventer, Kampen, Elburg, Harderwijk).die zeer grote welvaart bereikten door de handel binnen het Hanzeverbond, met voornamelijk wol, graan en hout.

Het economische zwaartepunt lag tussen 1100 en 1500 duidelijk in Vlaanderen waar Brugge door handel en Gent door de lakenproductiezeer welvarend werden. Belangrijk was de handel tussen het Rijnland (glas, aardewerk, metalen) en Engeland (wol) die hier samenkwam. Brugge, een belangrijk hanzekantoor, had zeewaarts een verbinding met Londen waar een hanzekantoor was, maar ook de handel met het zuiden van Frankrijk (zout, wijn) en het Iberische Schiereiland was belangrijk. Over land was er de verbinding met de handel van de Westfaalse en de Rijnlandse Hanzesteden (rijnwijn) en de Italiaanse steden (kruiden, zuidvruchten zoals gedroogd fruit).

De Italiaanse handelaars slaagden er in om West-Europa te bereiken met hun schepen. Dit had als gevolg dat veel meer vracht, veel goedkoper West-Europa bereikte. Over de Alpenpassen was het tot dan toe vervoer met paard en kar geweest. Brugge zou daar eerst en meest van profiteren. Italiaanse handelaars en financiers vestigden in de stad. Brugge was lid van de Duitse Hanze  (zie kaart), waarvan het handelsnetwerk ook Dinant, Londen, vele Duitse steden maar ook meerdere steden aan de Oostzee tot in de Baltische landen omvatte. Vlaams laken werd verkocht tot in Rusland.

Dr. Marc Vermeersch    marc.vermeersch@gmail.com
Zie ook andere delen van deze reeks:
1302, Klassenstrijd in Vlaanderen (1, economie)
1302, Klassenstrijd in Vlaanderen (2, wol en landwinning)
1302, Klassenstrijd in Vlaanderen (3, sociale klassen)

1302, Klassenstrijd in Vlaanderen (4, invloed, kunst enz.)

Geplaatst in handel Europa, hanze, middeleeuwen, Uncategorized | Tags: | Een reactie plaatsen

1302, klassenstrijd in Vlaanderen (4, invloed, kunst enz.)

Spieghel Historiael cover

Het belang van Vlaanderen en de Nederlanden in Europa in de hoge middeleeuwen, aan de hand van enkele voorbeelden

1066, de verovering van Engeland
1066 Boudewijn V steunde kort voor zijn dood de verovering van Engeland in 1066 (Hastings) van zijn schoonzoon Willem de Veroveraar, die gehuwd was met zijn dochter Mathilde van Vlaanderen.

1099, eerste kruistocht, de verovering van Jeruzalem
Godfried van Bouillon, die net als zijn voorouders ook Middelnederlands sprak, had de leiding bij de verovering van Jeruzalem.

Boudewijn IX, werd als Boudewijn I, keizer van Constantinopel, 1204-1205
Boudewijn (Valencijn, juli 1171-Bulgarije, 1205) was als Boudewijn IX graaf van Vlaanderen van 1194 tot 1205 en als Boudewijn I in de jaren 1204 en 1205 de eerste keizer van het Latijns Keizerrijk van Constantinopel.

De Vlaamse Marco Polo, Willem van Rubroek, en zijn reis naar China, 1253-1255
Hij was gezant van de Franse koning én vanwege zijn hoop op bekering van de Mongolen trok hij naar de Groot-Khan tot in Karakoroum, waar hij aan het hof notabene een Franse edelsmid aantrof. Hij schreef een verslag in het Latijn.[1] “Willem van Rubroeck was een Vlaamse missionaris van de orde van de franciscanen. Hij was afkomstig uit Rubroek (Rubroeck) nabij Kassel in Frans-Vlaanderen. Hij maakte van 1253 tot 1255 een reis naar het Mongoolse rijk. Het in het Latijn geschreven verslag van die reis wordt door hedendaagse historici in termen van kwaliteit en betrouwbaarheid superieur geacht aan alle andere Europese verslagen over het rijk van die periode.”
Hij ontmoette een van de grootste geleerden van de middeleeuwen, Roger Bacon. “Roger Bacon heeft enkele jaren later ergens in Frankrijk Van Rubroeck nog een keer ontmoet. Bacon had een gesprek met hem, kopieerde delen van het reisverslag en nam die op in de geografische sectie van zijn Opus Majus. De best mogelijke aanname voor het tijdstip van die ontmoeting is 1257 of 1258. Daarna verdwijnt Van Rubroeck geheel uit beeld.” (Wiki,  nl.wikipedia.org/wiki/Willem_van_Rubroeck) Marco Polo reisde later, tussen 1271 en 1298 naar China. Tijdens de lezing in Koksijde vertelde iemand dat Rubroek (Noord-Frankrijk) elk jaar Willem van Rubroeck herdenkt en dat daar telekdn een delegatie uit Mongolië op bezoek komt.

Van Rubroek Rode Ridder

WIllem van Rubroek komt voor in een stripverhaal van de Rode Ridder. Hieronder: een waardering van de strip.

van Rubroek Rode Ridder commentaar

 

Jacob van Maerlant, en de Spieghel Historiael, een middeleeuwse encyclopedist
Jacob van Maerlant (Brugse Vrije, ca. 1235 – ca. 1300) was een Vlaams dichter uit de dertiende eeuw en een van de belangrijkste Middelnederlandse auteurs. Met zijn meer dan 230.000 verzen was hij ook een van de productiefste middeleeuwse auteurs. Zijn belangrijkste werken zijn omzettingen uit het Frans en het Latijn.
Op de grafplaat stond Jacob van Maerlant, bril op de neus, een boek op een lezenaar te bestuderen. Op deze lezenaar stond een uil afgebeeld, met de woorden Uyl en spieghel. Hierdoor ontstond het geloof dat dit om de grafsteen van Tijl Uilenspiegel ging, met een ware cultus als gevolg. ‘Der naturen bloeme’ (naar ‘De natura rerum’ van Thomas van Cantimpré) was de eerste natuurencyclopedie in de volkstaal. In 1271 bewerkte hij de ‘Historia scholastica’ van Petrus Comestor tot Rijmbijbel, een vertelling van de Bijbelse geschiedenis in de Nederlandse volkstaal. Hiertegen bestond in de leiding van de Rooms-Katholieke Kerk weerstand, omdat zo de Bijbel voor grote groepen gelovigen leesbaar werd.
Van 1285 tot 1288 werkte Jacob van Maerlant aan zijn grootste werk, de ‘Spieghel historiael’, een bewerking van de Latijnse kroniek ‘Speculum historiale’ van Vincent van Beauvais, waarin hij de wereldlijke geschiedenis op een didactische wijze beschreef.
In de loop der jaren zou Jacob van Maerlant zich steeds meer distantiëren van de Franse literatuur die hij historisch en tekstueel onbetrouwbaar achtte. In zijn ogen zouden de Franstalige poëzie en romans te veel de schoonheid en rijmelarij nastreven in plaats van de (feitelijke) waarheid weer te geven.[2]

Kunst
De middeleeuwse gebouwen, kerken, belforten en lakenhallen, de miniaturen en schilderijen maar ook de literatuur getuigen ook van de welvaart van Vlaanderen tijdens de hoge middeleeuwen. “Op kunstgebied zijn werken uit deze perioden als de legende van Sint Servaes van Hendrik van Veldeken, Reinaert de Vos, Beatrijs, Halewyn, mijlpalen in de literaire geschiedenis van de Lage Landen.” [3]
Dr. Marc Vermeersch   marc.vermeersch.gmail.com  

Zie ook andere delen van deze reeks:
1302, Klassenstrijd in Vlaanderen (1, economie)
1302, Klassenstrijd in Vlaanderen (2, wol en landwinning)
1302, Klassenstrijd in Vlaanderen (3, sociale klassen)

[1] Ubertinus Devolder, o.f.m., Ronny Ostyn, Paul Vandepitte, het reisverhaal van Willem van Rubroek, de Vlaamse Marco Polo: 1253-1255, de roede van Tielt, 1984. 160 bladzijden.

[2] https://nl.wikipedia.org/wiki/Jacob_van_Maerlant

[3]https://nl.wikipedia.org/wiki/Geschiedenis_van_de_opkomst_van_vorstendommen_en_steden_in_de_Lage_Landen#Graafschap_Vlaanderen_als_territoriale_leider

Geplaatst in belang van Vlaanderen in de ME, middeleeuwen, Uncategorized | Tags: | Een reactie plaatsen

1302, Klassenstrijd in Vlaanderen (3, de klassen)

weefstoel middeleeuwen

middeleeuwse weefstoel

Wat sociale klassen zijn wordt bepaald op basis van hun al dan niet bezit van de productiemiddelen en de arbeidskracht. In deze periode waren de productiemiddelen in de eerste plaats grond(bezit), bezit van grondstoffen en productiemiddelen als de weefstoel, wol, laken maar ook schepen, een graanstapel, wijn, hout, metalen enz.[1]

Er waren boeren die voor het grootste deel gronden van de adel, maar ook al van de burgerij, bewerkten. Zij hadden vaak geen grond in eigendom en maar een beperkte persoonlijke vrijheid. Zij konden b.v. zonder toestemming van hun adellijke heer het huis en de grond waar ze woonden en werkten niet verlaten, dus niet vrij verhuizen. Dat is de eerste klasse, de lijfeigenen of horigen. Ze betaalden hun heren met arbeid/karweien, graan en andere landbouwproducten maar in toenemende mate met geld. Ze hadden maar een beperkte vrijheid. Rond 1250 was deze klassieke horigheid in Vlaanderen bijna volledig verdwenen.

Aan de kust, in de polders, waren de meeste boeren zelfstandig. Zij bezaten (een deel van de door) hen bewerkte gronden. Ze huurden vaak gronden van de adel en de grote kloosters zoals Ter Duinen (Koksijde, er is vandaag een museum) en Ter Doest (Lissewege waar nog een middeleeuwse schuur staat). Hun sociale positie was vergelijkbaar met die van zelfstandigen. Ze bezaten soms grond maar zeker hun werktuigen, hun vee, kleinvee en b.v. een paard. Deze boeren waren verenigd in het Brugse Vrije, één van de vier leden van de Staten van Vlaanderen.[2] Deze boeren zouden krijgers leveren die meevochten in Kortrijk. Tussen 1323 en 1328 zouden de boeren van het Brugse Vrije in opstand komen. De boeren als groep hoorden bij verschillende sociale klassen: lijfeigenen en zelfstandige boeren.

In de steden leefden ambachtslui waaronder wevers, volders, scheerders, ververs van de lakenindustrie waarvan het grootste deel zelfstandig was maar een aantal afhankelijk was van kooplui die hen in de eerste plaats wol ter beschikking stelden die eigendom bleef van de koopman. Na verder door het productieproces gepasseerd te zijn werd het afgewerkte laken door kooplui verkocht. Daar werd de meeste winst gemaakt. Er waren naast textielbewerkers ook beenhouwers, leerbewerkers, smeden, wagen- ton- en wielmakers, bakkers, visverkopers, meubelmakers, schrijnwerkers, metsers enz. Zij kunnen in het algemeen beschouwd worden als echte zelfstandigen. Hun economische positie was vaak goed. Tenminste als de economie goed draaide. De zelfstandigen waren een sociale klasse die in de eerste plaats bestond uit ambachtslui en onafhankelijke boeren.

De sociale positie van sommige ambachtslui in de textiel was voor een deel van hen vergelijkbaar met die van latere arbeiders. Een definitie geven van een arbeider in de industrie is gemakkelijk: hij verkoopt zijn arbeidskracht en heeft geen kapitaal. Hij werkt zo goed als altijd in een werkplaats van zijn baas, een kapitalist. Als de wever geen weefgetouw had, geen wol kon aankopen en voor een koopman werkte was zijn positie vergelijkbaar met die van latere industriearbeiders. De ambachten zelf waren een sterk beschermende factor voor hun leden. Het is niet toevallig dat de burgerij na de Franse Revolutie (1789) zou eisen dat de ambachten ontbonden werden en dat ook gedaan kreeg. Ambachtslui, en toen ook arbeiders, mochten zich niet verenigen. Dat verbod zou in Nederland stand houden tot in 1837 (drukkersknechten in Breda) en in België tot 1842 (Brusselse typografen). Zij zorgden voor de opleiding en waakten over de kwaliteit van b.v. het laken. Zij zorgden ook voor onderlinge steun in geval van ziekte en overlijden. Het is daarom redelijk om voor die periode niet van arbeiders te spreken maar toch te zien dat de situatie van wevers, volders enz. er soms niet ver van afweek. Binnen een ambacht bestonden ook tegenstellingen tussen de meesters en de gezellen. De meesters betaalden de gezellen en die waren niet altijd tevreden met wat ze kregen. De ambachten waren vaak tegen technische vernieuwing wat op korte termijn een voordeel was maar op lange termijn een nadeel.

De poorters waren kooplui of ondernemers in b.v. de lakenindustrie, graanhandel, import van wijn enz. Zij werkten met kapitaal. Hun sociale positie was die van de burgerij (burger betekende oorspronkelijk inwoner van een burg, een stad). Dit is de derde sociale klasse tijdens de hoge middeleeuwen.

De adel was een vierde sociale klasse, de (groot)grondbezitters. De adel kan onderverdeeld worden in drie delen. Er was de Franse koning die veel gronden persoonlijk bezat in Frankrijk.  De Franse koningen hadden zich al lang als doel gesteld om de verschillende hertogdommen en graafschappen binnen de juridische grenzen van Frankrijk onder hun complete controle te brengen. Ze gebruikten twee tactieken: oorlogen en huwelijken. Zij hadden na eeuwen grote vooruitgang gemaakt Normandië was b.v. onder hun controle gekomen maar Aquitanië (door een huwelijk Engels geworden, belangrijk voor de wijn en de stad Bordeaux) was eigendom van de Engelse koning. Het meest aantrekkelijke gebied was Vlaanderen met zijn sterk ontwikkelde economie zijn groot potentieel aan belastingen. Een aantrekkelijke prooi voor een Franse koning die bijna permanent oorlog voerde. Het is niet overdreven te stellen dat Filips de Schone zich als een imperialist gedroeg tegenover Vlaanderen. Zijn straffen en boetes waren zelfs één van de belangrijkste redenen van het verzet. De Franse koning meestal in tegenstelling stond met zijn leenman, de Vlaamse graaf. Deze had veel gronden binnen maar ook buiten het graafschap.

De derde geleding was de kleine adel die in deze periode in Vlaanderen achteruit ging door het relatief afnemende belang van de landbouw en de opkomst van een geldeconomie in de steden waardoor hun horige boeren naar de stad konden vluchten of als kolonisten emigreren naar gebieden in het oosten van Duitsland of naar Polen.

Er waren, samengevat, vier klassen: de grondbezittende adel, de met kapitaal werkende burgerij, de zelfstandigen en de ambachtslui waarvan de sociaal economische positie grosso modo vergelijkbaar was met die van industriearbeiders later.

Die klassen waren intern dan nog vaak verdeeld. Zij kozen nu eens voor of tegen de Franse koning, voor of tegen de Vlaamse graaf enzovoort. De Gentse poorters zouden in 1302 voor de Franse koning kiezen maar 700 ambachtslui vertrokken onder leiding van Jan Borluut naar Kortrijk. De Brugse poorters zouden in 1302 voor het grootste deel voor de Vlaamse graaf en tegen de Franse koning kiezen. Er waren ook tegenstellingen tussen b.v. volders en wevers die vaak gevechten en doden als gevolg hadden. Dat was niet het geval kortvoor 1302. Enkele jaren vroeger waren die posities van de Gentse en Brugse poorters precies omgekeerd. Alle sociale klassen, alle sociale geledingen, probeerden hun belangen door bondgenootschappen zo goed mogelijk te verdedigen. In die periode leidde dat tot snel wisselende coalities.
Dr. Marc Vermeersch   marc.vermeersch@gmail.com
Zie ook andere delen van deze reeks:
1302, Klassenstrijd in Vlaanderen (1, economie)
1302, Klassenstrijd in Vlaanderen (2, wol en landwinning)

[1] Dit is één punt waar je de beperking ziet van Wikipedia. De definitie van wat een sociale klasse is, is niet waardenvrij. In de definitie van de Nederlandse Wikipedia https://nl.wikipedia.org/wiki/Sociale_klasse is dat duidelijk. Bezit van productiemiddeln wordt er niet vermeld, niets over uitbuiting maar b.v. wel status, de meest subjectieve factor die je bij ‘sociale klasse’ kan betrekken en zeker niet de belangrijkste factor. .

[2] Het Brugse Vrije was de grootste kasselrij in het graafschap Vlaanderen. Het omvatte de streek rond Brugge, begrensd door de Noordzee, de Westerschelde en de IJzer. In oorsprong was het de kasselrij van Brugge, maar later werden de stad en het Vrije als aparte gewoonterechtsgebieden beschouwd. Het Brugse Vrije was een rijk landbouwgebied. Het had een eigen burggraaf, die zetelde op de Burg in Brugge, en maakte vanaf het einde van de 14e eeuw deel uit van de Vier Leden van Vlaanderen, samen met de drie grote steden Gent, Brugge en Ieper. Het Brugse Vrije zetelde ook in de bijeenkomsten van de Staten van Vlaanderen. https://nl.wikipedia.org/wiki/Brugse_Vrije

Geplaatst in klassen, klassen, sociale -, middeleeuwen, Uncategorized, Vlaanderen 13de 14de eeuw | Een reactie plaatsen

1302, Klassenstrijd in Vlaanderen (2, wol en landwinning)

Grondontginning, wol en schapen

Polder Vlaanderen

De blauwe zones geven de polders in Vlaanderen weer. De kustpolders en de polders aan de Westerschelde werden ingepolderd tijdens de middeleeuwen. Rond 1300 was dat proces grotendeels achter de rug. Voor de inpoldering was de kustlijn zeer onregelmatig. Er lagen veel eilanden voor de kust die door de inpoldering bij het vasteland gingen horen.   

 

De wol voor de lakennijverheid kwam van schapen, die hier samen met de landbouw waren meegekomen uit Anatolië. In Vlaanderen waren veel laaggelegen gronden, meersen, die zeer geschikte gronden waren voor schapenteelt. Gent was bijvoorbeeld omringd door meersen die toen in het overstromingsgebied van Leie en Schelde. (Een van die gebieden, meerdere honderden hectaren groot, zijn de Bourgoyen-Ossemeersen in Drongen en Mariakerke. Vandaag een beschermd natuurgebied van de stad Gent.)

Aan de kust zouden kloosterorden als de cisterciënzers en benedictijnen grote gebieden inpolderen. De kloosters Ter Duinen (Koksijde, vandaag nog ruïnes, en daarnaast een interessant museum) en Ter Doest (met vandaag nog een middeleeuwse schuur). Schapen waren het enige vee dat de eerste jaren het zouthoudende gras konden verteren. Er werden dijken aangelegd die steeds langer werden en met elkaar verbonden werden. Er waren ook vrije boeren die zelf zouden inpolderen of die gronden pachtten van de kloosters. Overal waar ingepolderd werd van Friesland, Holland, Zeeland, het noorden van Vlaanderen aan de Schelde, de Vlaamse kust tot het noorden van Frans Vlaanderen, leefden zo vrije boeren. Zij zouden een belangrijke rol spelen in de politieke gebeurtenissen van die tijd.

Rond 1050 werd Boudewijn V geprezen omdat hij er rijke weilanden had gemaakt van zijn schrale kust gronden. De nieuwe gronden bleven voornamelijk grasland maar een deel werd ook gebruikt voor granen. Rond 1150 was de zee teruggedreven tot achter de duinen en had men een min of meer doorlopende kustlijn. In die periode begon men in Vlaanderen met het droogmaken van de eerste polders, “(…) mogelijk als antwoord op het gevaar van een nieuwe overstroming. Tot de 12e en 13e eeuw toe dwong dit gevaar de bewoners vluchtheuvels op te werpen of op te hogen en het was ook in die tijd dat een enorme vloedgolf de Zuiderzee schiep.”

De ontginning van natte gronden was zeer belangrijk maar tegelijk werd nog meer heide en bos omgezet in landbouwgrond.

Overal elders was in de landbouw de lijfeigenschap de regel geweest. Want de opkomst van de steden na het jaar 1000 bood boeren de gelegenheid om naar de stad te vluchten waar men na een verblijf van een jaar en een dag volwaardige burger werd. Lijfeigenschap was achteruitgegaan. Veel boeren leverden geen karweien meer maar betaalden hun plichten in geld. In een maatschappij waar handel en industrie belangrijker waren geworden dan landbouw was het inkomen van de adel relatief achteruitgegaan. Relatief want de adel zou nog eeuwen een zeer belangrijke rol spelen in de maatschappij. Het zou echter niet lang duren dat de groei van de landbouwoppervlakte en de daarbij horende productie van wol niet voldoende was om de lakenindustrie van voldoende wol te voorzien. Men begon met de invoer van wol uit Engeland. Die zou sterk groeien en een belangrijke factor worden in de politiek.

Rond het jaar 1100 was Vlaanderen een van de belangrijkste economische gebieden in Europa. Het belangrijkste buiten Italië. Buiten Italië was Parijs de grootste stad met ongeveer 100 000 inwoners, Gent telde er tot 60.000, Brugge 40.000 en Ieper tot 35 000 inwoners. ** Gent en Ieper leefden in de eerste plaats van de lakenindustrie. Gent had zijn graanstapel, van graan dat van Noord-Frankrijk via de Schelde en de Leie aangevoerd werd en in Gent opgeslagen. Brugge had een beperktere lakennijverheid maar was een internationaal handelscentrum, lid van de Hanze, een financieel centrum waar b.v. ook Italiaanse financiers vestigingen hadden.

De bevolking steeg sterk tot ongeveer 1300. Uit de Nederlanden vertrokken velen naar nieuwe gebieden ten oosten van de Elbe, in Polen, Hongarije en Bohemen. Zij werden aangetrokken door adellijke ondernemers die hun technische kennis o.a. bij het droogleggen van moerassen konden gebruiken. Een streek ten zuiden van Berlijn heet nog altijd Fläming[1]. De kolonisten werden gelokt met grond en een zeer grote, ongekede, persoonlijke vrijheid voor boeren. “Dit, naast andere factoren zoals de opkomst van de steden, die bijna overal in de Lage Landen een zeer zelfstandige en praktische vrije boeren stand ontstaan, en scherpe tegenstelling met die welke werd overheerst door het oude hofstelsel.”

[1] Zie Fläming in de Nederlandse Wiki, als u er echt veel wil van weten klik dan door naar de Duitse Wiki. https://nl.wikipedia.org/wiki/Fl%C3%A4ming

Zie het eerste deel van deze reeks:
1302, Klassenstrijd in Vlaanderen (1, economie)

Geplaatst in 1302, guldensporenslag, economie, middeleeuwen, Uncategorized | Een reactie plaatsen

1302, Klassenstrijd in Vlaanderen (1, economie)

In 1302 versloeg een leger van ambachtslui, ridders, poorters en boeren voor het eerst 1302 coverin de geschiedenis een ridderleger. Het was een belangrijke etappe in de duizendjarige strijd van het volk tegen onderdrukking, voor meer democratie. Een strijd waar we vandaag nog de vruchten van plukken maar die ook vandaag nog niet definitief gestreden is.  
Dr. Marc Vermeersch

Economie

Tegen het einde van het Romeinse rijk en later

Tijdens het Romeinse Rijk was de landbouw economie een dubbel spoor. Er waren de goed georganiseerde boerderijen naar Romeins model met Romeinse technieken en daarnaast de boerderijen het volk, van de mensen die afstamden van Germaanse of Gallische voorouders die een veel lagere productiviteit hadden. Na het uiteen vallen van het Romeinse rijk in het Westen verdwenen die Romeinse villa’s. Een lange periode van invallen en chaos werd onderbroken door de Karolingische renaissance maar die werd afgebroken door de invallen van de Vikingen die het economisch leven weer onderuit haalden. Vanaf de negende eeuw zou het economisch leven snel hernemen. De handel herleefde ook snel. In Londen werden in de periode 991-1002 tolrechten betaald door kooplui uit Vlaanderen, Hoei en Luik. Aan het einde van de 11e eeuw trokken Italiaanse handelaars door Frankrijk ook tot in Londen.

De opkomst van de steden

De opleving van de steden begon ook voor het jaar 1000 en zou in de 11e eeuw een snelle groei kennen. In Vlaanderen verwierven ze privileges van de graaf, de bisschop of kloosters, kochten zich vrij en gingen zichzelf besturen al had de vorst vaak nog zijn vertegenwoordigers in het bestuur. Soms werden ze geheel onafhankelijk, vormden ze een gemeente. De oudst bekende in onze streken was Kamerrijk/Cambrai dat zich in 1077, na een lange strijd, vrij maakte van zijn heer, de bisschop. Van in het begin bestond in de steden een groep burgers (of poorters, ook patriciërs genaamd )die leefden van handel en andere ondernemingen die men rijk kan noemen en het bestuur in de steden in handen hadden. Zij kochten b.v. wol op en verkochten het afgewerkte laken. Het zou niet lang duren vooraleer kooplui de wol in eigendom hadden en die eigendom behielden tot het laken klaar was. Weefstoelen bleven meestal eigendom van de wevers die thuis werkten. Een zuivere verhouding kapitalist-arbeider was dit niet maar het stond er niet ver van.

De grote massa bestond uit ambachtslui. Het grootste aantal werkte in de lakenindustrie zoals de wevers en de volders[1]. Vanaf de twaalfde eeuw verengden ze zich in gilden. “Vanaf de 13e eeuw verzetten deze verenigingen zich heftig tegen de patriciërs, die hun administratieve macht gebruikten om lonen en regels voor te schrijven welke even voordelig voor de werkgevers als nadelig voor de arbeiders waren, of om hun eigen straffeloosheid te waarborgen. Het verzet van de handwerklieden werd onderdrukt met de sterke arm en toch waren er in de tweede helft van de 13e eeuw voortdurend stakingen en ongeregeldheden en het patricische regime verloor ten slotte, maar het verrijkte wel het artistiek erfgoed van de westerse beschaving met de hallen en belforten in Ieper, Brugge en andere steden, die blijven bestaan als herinnering aan de economische macht van deze steden die in de 13e eeuw een hoofdrol vervulden in handel en nijverheid.” (p. 33)

Laken

Na het verdwijnen van de Romeinse staat in onze landen gingen de meeste van de gevorderde technieken verloren. Al tijdens de derde eeuw schreven de Romeinen over de goede kwaliteit van mantels, gemaakt van laken, dat werd gemaakt van wol, uit Doornik Atrecht/Arras. Na het jaar 1000, tijdens de 11e eeuw, was Atrecht een van de belangrijkste steden van de productie van laken ten noorden van Parijs. In Vlaanderen kende de lakenindustrie een steile opgang in Gent, Ieper, Brugge maar ook in veel kleinere steden. Er is ook altijd vlas geteeld waarvan linnen gemaakt werd maar dat was slechts een fractie van de lakennijverheid. De oudste vermelding van de import van Engelse wol komt uit 1113. Een teken dat laken toen een zeer hoge vlucht nam want wol kwam al lang niet meer van eigen schapen, ondanks de uitbreiding van de gronden, maar ook uit Zeeland, de Kempen en de Ardennen.

Dat laken was van een hoge kwaliteit zodat het ook in het buitenland gegeerd was en internationaal verhandeld werd. Er was een zekere specialisatie van de verschillende steden. De kruistochten (1099, de verovering van Jeruzalem onder leiding van Godfried van Bouillon) zorgden voor een grote internationale bekendheid van Vlaams laken in heel Europa, tot Novgorod in Rusland, zelfs tot in Azerbeidjan. Het Vlaamse laken was in het buitenland in de eerste plaats bekend bij koningen en adel. Door de inkomsten uit laken konden steden als Ieper een zeer grote lakenhalle bouwen waar laken verhandeld werd.

[1] De taak van de volder is het vollen (‘laten vervilten’) van een wollen weefsel. Dit is een bewerking om de vezels dichter ineen te werken, waardoor een stevige, waterdichte stof ontstaat die minder vatbaar is voor krimp. Volgens de traditionele methode wordt het weefsel gedompeld in een grote bak met heet water, urine en vollersaarde: een vettige klei die het vuil uit de vezels opneemt. Door het weefsel met de voeten aan te stampen zal de stof vervilten en krimpen. Het vollen was zwaar en vuil werk. https://nl.wikipedia.org/wiki/Volder

 

 

Geplaatst in 1302, guldensporenslag, democratie, klassenstrijd, middeleeuwen, strijd voor democratie, Uncategorized | Tags: | Een reactie plaatsen

130.000 jaar geleden, mensen in Amerika

 

Mastodont mammoet

Links een mammoet, rechts een mastodont. Beide olifantachtigen leefden in Noord-Amerika. De mastodont zou ook Zuid-Amerika bereiken. Beide werden waarschijnlijk door moderne mensen 10.000 à 11.000 jaar uitgeroeid.

Recent werd bekend gemaakt dat op de Cerutti Mastodon (CM) site in Californië 5 werktuigen werden gevonden en overblijfselen van een mastodont. Deze Mammut americanum is een olifantachtige, verwant aan de mammoet.
Mammut kwam voor in zowel Noord- als Zuid-Amerika van ruim 4 miljoen tot ongeveer 10.000 jaar geleden. De laatste Mammut-populaties kwamen voor in Zuid-Amerika, zo’n 9000 jaar geleden, mogelijk nog recenter, waar ze een tijd lang naast mensen leefden. Er zijn zeven soorten ontdekt waarvan de bekendste Mammut americanum was, die tevens de laatste soort was. Alle Mammut-soorten waren olifantachtige dieren die van bladeren leefden. Sommige soorten waren wolharig, terwijl andere dat waarschijnlijk niet waren.
Uit de analyse van de botten bleek dat deze gebroken waren toen het dier juist gestorven was. Vijf grote keien, gebruikt als hamer en aambeeld, vertonen sporen van sleet en impact. Ze werden gebruikt om merg uit de botten te halen. Mogelijk ook om het bod te gebruiken om werktuigen te maken. De 230Th/U radiometrische analyse van verschillende botfragmenten af van de ouderdom van 130.700 ± 9.400 jaar. De vondsten duiden op een aanwezigheid van mensen in die periode in Amerika.

Cerruti Mastodont bot 2

130.000 jaar oude botten van de mastodont botten gevonden in de Cerruti Grotten in Californië, inde omgeving van San Diego. De botten vertonen sporen die enkel door de mens kunnen veroorzaakt zijn.

Uit de vondst kon niet afgeleid worden welke mensen typen de sporen in Californië had nagelaten. In aanmerking komen: neanderthalers, denisovanen en een derde onbekend mensen type waarvan men weet dat het leefde in Noord Azië. Het valt uiteraard niet uit te sluiten dat een ouder mensentype in Oost-Siberië of Amerika was blijven leven. Als dat in Afrika (Homo naledi, West-Afrika) of de Indonesisiche archipel (Homo floresiensis, Homo erectus) het geval was, waarom niet in Amerika? De kans dat dit Homo sapiens zou geweest zijn is uiterst klein. De oudste datums voor ‘Out of Africa’ voor Homo sapiens gaan terug tot 115.00 à 120.000 jaar geleden.

Cerruti Mastodon hammerstone boulder

Een kei die als hamer gebruikt werd om de botten van de mastodont te klieven en zo het gewaardeerde merg te kunnen eten. Merg wordt tot vandaag soms nog gebruikt in de Franse keuken.

Dit is een zeer belangrijke vondst. De aanwezigheid van de mens in Amerika is honderdduizend jaar ouder dan gedacht. Het eindigt hopelijk de discussie van de ‘die hards’ onder de onderzoekers die al meer dan 20 jaar volhouden dat de moderne mens pas 14.000 jaar geleden de oversteek naar Amerika maakte. Ik mijn Boek 2 kan u de argumenten lezen dat Amerika sedert minstens 23.000 jaar geleden door moderne mensen bewoond is. Een recente studie van de vondst in de Bluefish Caves, Canada, verlegt de oudste datum zelfs naar 24.000 jaar cal. (zie verder voor de abstract van dit artikel)
Dr. Marc Vermeersch    marc.vermeersch@gmail.com
Bronnen:
Marc Vermeersch. De geschiedenis van de mens. Deel I, jagers eb verzamelaars.
– Boek 1, van Pan tot Homo sapiens. (2de uitgebreide druk 2014). 35€
– Boek 2, de maatschappij van -jagers en verzamelaars. (2de uitgebreide druk 2014) 35€

 

http://www.nature.com/nature/journal/v544/n7651/full/nature22065.html

Nature | Letter
A 130,000-year-old archaeological site in southern California, USA
Steven R. Holen, Thomas A. Deméré, Daniel C. Fisher, Richard Fullagar, James B. Paces, George T. Jefferson, Jared M. Beeton, Richard A. Cerutti, Adam N. Rountrey, Lawrence Vescera & Kathleen A. Holen
Nature 544, 479–483 (27 April 2017) doi:10.1038/nature22065
Received 17 March 2016 Accepted 13 March 2017 Published online 26 April 2017
Corrected online 08 May 2017
Abstract
The earliest dispersal of humans into North America is a contentious subject, and proposed early sites are required to meet the following criteria for acceptance: (1) archaeological evidence is found in a clearly defined and undisturbed geologic context; (2) age is determined by reliable radiometric dating; (3) multiple lines of evidence from interdisciplinary studies provide consistent results; and (4) unquestionable artefacts are found in primary context1, 2. Here we describe the Cerutti Mastodon (CM) site, an archaeological site from the early late Pleistocene epoch, where in situ hammerstones and stone anvils occur in spatio-temporal association with fragmentary remains of a single mastodon (Mammut americanum). The CM site contains spiral-fractured bone and molar fragments, indicating that breakage occured while fresh. Several of these fragments also preserve evidence of percussion. The occurrence and distribution of bone, molar and stone refits suggest that breakage occurred at the site of burial. Five large cobbles (hammerstones and anvils) in the CM bone bed display use-wear and impact marks, and are hydraulically anomalous relative to the low-energy context of the enclosing sandy silt stratum. 230Th/U radiometric analysis of multiple bone specimens using diffusion–adsorption–decay dating models indicates a burial date of 130.7 ± 9.4 thousand years ago. These findings confirm the presence of an unidentified species of Homo at the CM site during the last interglacial period (MIS 5e; early late Pleistocene), indicating that humans with manual dexterity and the experiential knowledge to use hammerstones and anvils processed mastodon limb bones for marrow extraction and/or raw material for tool production. Systematic proboscidean bone reduction, evident at the CM site, fits within a broader pattern of Palaeolithic bone percussion technology in Africa3, 4, 5, 6, Eurasia7, 8, 9 and North America10, 11, 12. The CM site is, to our knowledge, the oldest in situ, well-documented archaeological site in North America and, as such, substantially revises the timing of arrival of Homo into the Americas.
Earliest Human Presence in North America Dated to the Last Glacial Maximum: New Radiocarbon Dates from Bluefish Caves, Canada
Lauriane Bourgeon , Ariane Burke, Thomas Higham in PLOS.
Published: January 6, 2017
Abstract
The timing of the first entry of humans into North America is still hotly debated within the scientific community. Excavations conducted at Bluefish Caves (Yukon Territory) from 1977 to 1987 yielded a series of radiocarbon dates that led archaeologists to propose that the initial dispersal of human groups into Eastern Beringia (Alaska and the Yukon Territory) occurred during the Last Glacial Maximum (LGM). This hypothesis proved highly controversial in the absence of other sites of similar age and concerns about the stratigraphy and anthropogenic signature of the bone assemblages that yielded the dates. The weight of the available archaeological evidence suggests that the first peopling of North America occurred ca. 14,000 cal BP (calibrated years Before Present), i.e., well after the LGM. Here, we report new AMS radiocarbon dates obtained on cut-marked bone samples identified during a comprehensive taphonomic analysis of the Bluefish Caves fauna. Our results demonstrate that humans occupied the site as early as 24,000 cal BP (19,650 ± 130 14C BP). In addition to proving that Bluefish Caves is the oldest known archaeological site in North America, the results offer archaeological support for the ªBeringian standstill hypothesisº, which proposes that a genetically isolated human population persisted in Beringia during the LGM and dispersed
from there to North and South America during the post-LGM period.

Geplaatst in Uncategorized | 2 reacties